Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP2611

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
09-00452
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een raamprostitutiebedrijf in door haar gehuurde panden. Belanghebbende verhuurt per dagdeel kamers aan prostituees. Belanghebbende beschikt over een vergunning exploitatie sexinrichting. Zij houdt toezicht en zorgt voor bewaking. Verder zorgt belanghebbende onder meer voor schoonmaak, onderhoud, schone lakens en handdoeken. De prostituees kunnen gebruik maken van een gemeenschappelijke keuken/ receptieruimte.

Het Hof is van oordeel dat de prestaties van belanghebbende, in onderlinge samenhang bezien, dienen te worden gekwalificeerd als het geven van gelegenheid tot prostitutie.

Gezien het vorenoverwogene is geen sprake van prestaties binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. Daarom heeft belanghebbende geen recht op toepassing van het verlaagde tarief.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/23.24.18
FutD 2011-0297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00452

20 januari 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/6066 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Haarlem,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 mei 2008 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 21.650. Belanghebbende heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

1.2. Belanghebbende heeft op 17 september 2008 bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van de inspecteur uitspraak op het bezwaar te doen.

Bij uitspraak van 29 november 2008 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

Bij uitspraak van 4 juni 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644 en de Staat der Nederlanden gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 288 te vergoeden.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 2 juli 2009, aangevuld bij brief van 6 augustus 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een raamprostitutiebedrijf in de - naast elkaar gelegen - percelen gelegen aan de A-straat 0, de B-straat 0 en de C-straat 0 te Z. De percelen staan bekend onder de naam: “D” (xx ramen) en “E”(xx ramen). Belanghebbende huurt de panden van F, tevens de bestuurder van belanghebbende.

2.2. In hoofdstuk 3, betreffende seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie e.d., artikel 3.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke verordening van de gemeente Z […], hierna: de APV) is bepaald:

“Het is verboden een inrichting zonder een door het bevoegd orgaan verleende vergunning uit te oefenen;”

2.3. Tot de gedingstukken behoort een besluit van de Politie G van […] waarin aan belanghebbende een vergunning wordt verleend als bedoeld in artikel 3.3 van de APV (hierna: de vergunning). In de vergunning is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Gezien het schriftelijk verzoek d.d. […] van de besloten vennootschap

[belanghebbende], gevestigd te (…) om, in verband met wijziging van beheerders, een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor het exploiteren van een seksinrichting, in de uitvoering van een hekjesconstructie in de inrichting van perceel C-straat 0 alhier;

Gelet op het bepaalde in de Algemene Plaatselijke Verordening;

B E S L U 1 T:

aan [belanghebbende] voornoemd, (…) de gevraagde vergunning te verlenen onder de navolgende voorschriften en beperkingen:

1. deze vergunning heeft betrekking op de volgende lokaliteiten:

de ruimten gelegen op de begane grond van perceel C-straat 0, één en ander

conform de plattegrond tekening die bij de aanvraag is ingediend, welke tekening behoort bij deze vergunning;

2. de inrichting mag niet worden gewijzigd alvorens daartoe een nieuwe vergunning is

verleend;

3. de beheerders die naast de directeur van de naamloze vennootschap de feitelijke leiding mogen uitoefenen zijn: (…)

Bij wijziging van de persoon van de beheerder dient de directeur van de besloten

vennootschap dit binnen één week schriftelijk door te geven aan de burgemeester;

De nieuwe beheerder mag eerst na wijziging van deze vergunning de feitelijke leiding in de

inrichting uitoefenen;

4. de inrichting mag niet voor het publiek geopend zijn indien één van de beheerders niet

daadwerkelijk in de inrichting aanwezig is;

5. de directeur van de besloten vennootschap en de beheerders mogen gedurende de uren

dat de inrichting gesloten moet zijn geen bezoekers in de inrichting hebben of toelaten;

6. de directeur van de besloten vennootschap en de beheerders mogen gedurende de uren

dat de inrichting geopend is geen personen jonger dan 16 jaar in de inrichting toelaten;

7. de directeur van de besloten vennootschap en de beheerders dragen er zorg voor dat de

wijze van klantenwerving geen onaanvaardbare hinder voor de omgeving veroorzaakt;

8. de in de inrichting werkzame prostitué(e) dient minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben

bereikt en in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel op grond waarvan haar/zijn

arbeid in Nederland is toegestaan;

9. de directeur van de besloten vennootschap dient zich vergewist te hebben dat in de

inrichting geen personen werkzaam zijn die niet in het bezit zijn van een geldige

verblijfstitel op grond waarvan haar/zijn arbeid in Nederland is toegestaan;

10. de directeur van de besloten vennootschap dient er voor te zorgen dat de inrichting een

verzorgde uitstraling heeft;

(…)

14. alle aanwijzingen van de daartoe aangewezen toezichthouders van de regiopolitie

G en de gemeente Z, belast met de uitvoering van hoofdstuk 3 van

de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) moeten stipt en onmiddellijk worden

opgevolgd;

(…)”

Niet in geschil is dat de vergunning in het onderhavige tijdvak geldig was noch dat voor de percelen A-straat 0 en B-straat 0 te Z een inhoudelijk identieke vergunning is verleend.

2.4. In artikel 3.7, leden 1 en 2, van de onder 2.2. genoemde APV is bepaald:

“1. Het is verboden een seksinrichting voor het publiek geopend te hebben:

a. in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag van 01.00 uur tot 07.00 uur

en

b. de andere nachten van 00.30 uur tot 07.00 uur.

2. De burgemeester kan voor de daartoe aangewezen delen en straten van de gemeente ontheffing

verlenen van dit verbod:

- tot maximaal 04.00 uur voor lid 1, sub a:

- tot maximaal 02.00 uur voor lid 1, sub b.”

2.5. Tot de stukken van het geding behoren drie ontheffingen van de Politie G als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid van de APV. De ontheffingen zijn afgegeven op respectievelijk 6 februari 2007, 19 februari 2007 en 6 februari 2007 voor de periode tot en met 31 december 2007 en hebben betrekking op de door belanghebbende onder 2.1 genoemde percelen. In de overigens gelijkluidende ontheffingen is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Gelet op artikel 3.7 van de Algemene plaatselijke Verordening, gevestigd in perceel

(…) te Z

Tot wederopzegging maar uiterlijk tot en met de nacht van 30 december 2007 op 31

december 2007, ontheffing te verlenen van het verbod, vervat in artikel 3.7 lid 1

van de Algemene Plaatselijke Verordening, teneinde de seksinrichting gevestigd in

bovengenoemd perceel, in de nachten van zondag op maandag tot en met donderdag op

vrijdag tot 02.00 uur, en In de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag

op zondag tot 04.00 uur voor net publiek geopend te hebben.

Ik verbind aan deze ontheffing de volgende voorschriften:

1. nauwlettend wordt zorggedragen dat in de inrichting alsmede in de onmiddellijke

omgeving van de inrichting de openbare orde niet wordt verstoord en het woon-

en leefklimaat niet wordt aangetast door de wijze van exploitatie van de

inrichting;

2. nauwlettend wordt zorggedragen dat in de inrichting alsmede in de onmiddellijke

omgeving van de inrichting de openbare orde niet wordt verstoord en het woon-

en leefklimaat niet wordt aangetast door bezoekers van de inrichting;

3. de inrichting dient om 02.00 uur op werkdagen en om 04.00 uur in de nachten van

vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag gesloten te zijn. Het publiek

dient voor dit tijdstip de inrichting te hebben verlaten;

4. personen die in de uitoefening van de seksinrichting beveiligingswerkzaamheden

verrichten (portiers) dienen te voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens

de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

5. de houder van deze ontheffing meldt voor de aanvang van de feitelijke

beveiligingswerkzaamheden de volledige personalia van deze portier aan

het district Z van de politie regio G;

6. de voorschriften gesteld aan de brandveiligheidsverklaring dienen stipt

opgevolgd te worden;

7. alle terzake, nader, door of vanwege de districtschef van politie te geven

aanwijzingen dienen stipt en onverwijld te worden opgevolgd.

(…)”

In het onderhavige tijdvak zijn vergelijkbare ontheffingen verleend aan belanghebbende ten aanzien van de onder 2.1 genoemde percelen.

2.6. Bij het hoger beroepschrift heeft belanghebbende een soortgelijke ontheffing overgelegd, afgegeven namens de burgemeester van Z op […] 2009.

2.7. Belanghebbende is in verband met de exploitatie van de onder 2.1 genoemde percelen, ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB).

2.8. De bij de ramen behorende kamers hebben verschillende afmetingen. De meeste hebben een oppervlakte van 7 m2 tot 12 m2. Er zijn enkele kamers met een oppervlakte van circa 20 m2.

2.9. Belanghebbende brengt de volgende tarieven voor de kamers in rekening aan de afnemers:

- D: dagdeel € 125 (11:30-19:00 uur), hele dag € 225 (11:30-sluitingstijd);

- E: dagdeel € 150 (11:30-19:00 uur), hele dag € 225 (11:30-sluitingstijd)

2.10. Bezoekers van D moeten entree betalen om, via een [hek], toegang te verkrijgen tot het binnenterrein. De toegangsprijs bedraagt € 6 per persoon. Ter zake van deze omzet is omzetbelasting verschuldigd naar het algemene tarief. Het binnenterrein van D beschikt over een (wacht)ruimte die gratis toegankelijk is. In de wachtruimte worden op een groot tv-scherm video’s afgespeeld. Bezoekers kunnen in de wachtruimte non-alcoholische dranken kopen. Bezoekers van E hoeven geen entree te betalen.

2.11. De afnemers van belanghebbende (hierna ook: de prostituees), die gebruik willen maken van een raam in D of E, melden zich bij de beheerder. De beheerder overhandigt de prostituee een sleutel van het raam. De prostituees hebben geen vast raam. Zij kunnen wel een voorkeur opgeven voor een bepaald raam; als dat beschikbaar is wordt het toegewezen. Is het niet beschikbaar, dan maakt de prostituee een keuze uit de wel beschikbare kamers.

2.12. Belanghebbende verzorgt dagelijks de schoonmaak van de kamers, schone handdoeken, schoon beddengoed en de opmaak van de bedden. Indien gewenst worden badjassen verstrekt. De prostituees kunnen gebruik maken van een gemeenschappelijke keuken/ receptieruimte. De prostituees vangen aan rond het middaguur, krijgen dan van belanghebbende een eenvoudige lunch, en kunnen bij de beheerder een diner bestellen. De beheerder geeft de bestellingen door aan de desbetreffende leveranciers. In een aparte ruimte die deel uitmaakt van het kantoor van belanghebbende, zijn bewaarkluisjes voor de prostituees aanwezig. Voor deze voorzieningen vraagt belanghebbende geen aparte vergoeding.

2.13. In verband met de veiligheid van de prostituees beschikt belanghebbende over een videocircuit met monitoren waarmee de werkomgeving door de beheerder wordt gecontroleerd. In de kamers zelf wordt niet gefilmd. In de hiervoor onder 2.12 genoemde gemeenschappelijke ruimte bevindt zich een wand met monitoren die zijn aangesloten op het videocircuit. Voor de veiligheid van de prostituees zijn voorts noodknoppen aanwezig in de kamers. Daarnaast is in het kader van de veiligheid het hiervoor onder 2.10 genoemde [hek] geïnstalleerd. Afgezien van de beheerder, die gedurende openingstijden aanwezig is, is geen extra beveiligingspersoneel aanwezig.

2.14. Belanghebbende verzorgt bekendmaking van D door middel van een website met daarop een reclametekst en -filmpje alsmede een routebeschrijving.

2.15. De inspecteur heeft bij brief van 20 maart 2007 de bij hem geregistreerde raamexploitanten op de hoogte gebracht van het feit dat met ingang van 1 januari 2008 de dienstverlening door de exploitant van een raamprostitutiebedrijf niet is aan te merken als de verhuur van onroerende zaken in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Wet OB, maar als het gelegenheid geven tot het uitoefenen van prostitutie, belast met het algemene tarief.

2.16. Over het onderhavige tijdvak heeft eiseres over de omzet die zij heeft behaald met de ter beschikking stellen van de ramen aan de prostituees, geen omzetbelasting voldaan op aangifte. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“4.2. In geschil is primair of de diensten van eiseres (Hof: belanghebbende) als verhuur van onroerende zaken zijn aan te merken of als het gelegenheid geven tot prostitutie. Om de aard van een belastbare handeling vast te stellen, moeten alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.

4.3. De dienst van eiseres omvat niet alleen het passief ter beschikking stellen van een kamer, maar gaat gepaard met een groot aantal andere activiteiten met een commercieel dienstverlenend karakter zoals toezicht en bewaking, beheer en onderhoud, schoonmaak, verschoning van beddengoed, handdoeken, badjassen en de terbeschikkingstelling van een gemeenschappelijke ruimte en keuken en de mogelijkheid tot verzorgen van catering. Genoemd dienstbetoon vloeit in een aantal gevallen voort uit de aan de vergunning en ontheffing gestelde voorwaarden gesteld aan het prostitutiebedrijf van eiseres. Zo is eiseres verplicht tot het aanstellen van een beheerder en tot het bewaken van de openbare orde waaraan zij onder meer invulling heeft gegeven door het installeren van een videocircuit, een toegangshek en het creëren van een wachtruimte met videoscherm voor bezoekers van D. Eiseres, die in het bezit is van een geldige vergunning en ontheffing, stelt hiermee de prostituees in de gelegenheid om legaal prostitutie te bedrijven en aldus inkomsten te verwerven, welke faciliteit eveneens onderdeel vormt van de door eiseres verleende dienst. Uit het Temco-arrest van 18 november 2004, C-284/03 van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (hierna: HvJ EG) volgt dat de verhuur van onroerend goed in de regel een betrekkelijk passieve activiteit is die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert. Deze activiteit moet worden onderscheiden van andere activiteiten die een commercieel karakter hebben, zoals de in artikel 135, tweede lid, van de Richtlijn betreffende belasting over de toegevoegde waarde (hierna: de Richtlijn), beschreven diensten die zijn uitgezonderd van de vrijstelling voor verhuur van onroerende goederen, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed. Gezien dit kader en al het door eiseres geboden dienstbetoon naast de terbeschikkingstelling van de kamers, voor welk dienstbetoon zij geen aparte vergoeding in rekening brengt, is de prestatie van eiseres aan te merken als een samengestelde prestatie waarvan het wezenlijke kenmerk niet bestaat in de (tamelijk passieve) terbeschikkingstelling van een onroerende zaak maar in het gelegenheid geven tot prostitutie. Deze dienst is onderworpen aan het algemene tarief. Het gelijk is in zoverre aan verweerder (Hof: de inspecteur).

4.4. Eiseres stelt voorts dat verweerder door het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel nu verweerder bij een controle in 1998 het standpunt heeft ingenomen dat de dienst van eiseres kan worden aangemerkt als de vrijgestelde verhuur van onroerende zaken. Eiseres stelt dat verweerder, nu sindsdien geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, op een dergelijke standpuntbepaling niet kan terugkomen. Deze stelling geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het staat verweerder vrij om - bijvoorbeeld in geval van gewijzigd inzicht - op een eerder ingenomen standpunt terug te komen met ingang van een in de toekomst gelegen moment, met dien verstande dat hij daarbij in voorkomende gevallen rekening moet houden met een redelijke overgangstermijn. Aan laatstgenoemde voorwaarde heeft verweerder reeds voldaan door in zijn brief van 20 maart 2007, genoemd onder 2.14, een overgangstermijn van ruim 9 maanden te hanteren. Gelet op de wijze van exploitatie van eiseres, de ter beschikkingstelling van de kamers per (dag)deel aan wisselende afnemers, is eiseres voldoende in de gelegenheid gesteld haar prijsstelling jegens haar afnemers aan te passen. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel wordt daarom verworpen. Ook de stelling van eiseres dat verweerder aldus tevens heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur, wordt - nu dit niet aannemelijk is geworden - verworpen.

4.5. Eiseres stelt voorts dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals gecodificeerd in artikel 3:2 Awb. Nu partijen het eens zijn over de feitelijke gang van zaken in de onderneming van eiseres alsook over de in geding zijnde belangen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen zou hebben vergaard als bedoeld in artikel 3:2 Awb.

4.6. Eiseres stelt subsidiair dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld nu in het kader van het hotelbedrijf ook kamers per dag(deel) worden verhuurd aan prostituees, waarbij de hotelexploitant, gezien tabel I, post b-11, behorende bij de Wet OB, het verlaagde omzetbelastingtarief is verschuldigd. Eiseres stelt dat haar dienst vergelijkbaar is met die van de hotelexploitant die verhuurt aan een prostituee en dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel ook recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief als beschreven in voornoemde tabelpost. Deze stelling wordt verworpen. Voor de toepassing van een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient in de eerste plaats sprake te zijn van rechtens gelijke gevallen. Anders dan eiseres stelt, is haar dienstverlening niet vergelijkbaar met die van een hotelexploitant reeds omdat een hotelexploitant, anders dan eiseres, niet beschikt over de onder 2.2 genoemde vergunning en de exploitatie door eiseres niet plaatsvindt in het kader van het hotelbedrijf. De diensten van eiseres en die van een hotelexploitant zijn daarom rechtens geen gelijke gevallen, zodat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel geen plaats is.”

4. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is primair in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende aan de prostituees verleende diensten in het tijdvak van de onderhavige naheffingsaanslag dienen te worden aangemerkt als verhuur van onroerende zaken in de zin van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef, van de Wet OB, zoals belanghebbende stelt, dan wel als het geven van gelegenheid tot prostitutie, zoals de inspecteur stelt, waarvoor geen vrijstelling van omzetbelasting geldt.

Indien het gelijk aan belanghebbende is, is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Indien het gelijk in zoverre aan de inspecteur is, is subsidiair, evenals bij de rechtbank, in geschil of het tarief van tabel I, post b.11, behorende bij de Wet OB, van toepassing is op de door belanghebbende verrichte prestaties. In dit verband is ook aangevoerd dat sprake is van “regelrechte” discriminatie, alsmede “pure” concurrentievervalsing.

Zou subsidiair het gelijk aan belanghebbende zijn, dan dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 7.675.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende is het er niet mee eens dat de rechtbank bij de feiten de daar genoemde, hierboven overgenomen vergunningen heeft geciteerd. Het Hof vermag echter niet in te zien wat daaraan in de weg staat. De door belanghebbende bij het hoger beroepschrift overgelegde ontheffing, genoemd sub 2.6., is ruimschoots na het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft, afgegeven en speelt reeds daarom in dit geding geen rol. Evenmin is van belang dat sprake zou zijn van een “aantoonbaar evoluerend karakter” van het gemeentelijk vergunningenbeleid.

6.2. Behalve het ter beschikking stellen van een kamer verricht belanghebbende de in de feiten omschreven (andere) activiteiten op het terrein van (onder meer) toezicht, controle, bewaking en verstrekking van beddengoed. Het Hof is van oordeel dat het geheel van die activiteiten gericht is op het aanbieden van een veilige, schone en besloten omgeving die volledig en uitsluitend is uitgerust voor het gelegenheid geven tot prostitutie.

6.3. Aard en omvang van die (andere) activiteiten alsmede de strekking van het geheel brengen met zich dat het totaal van de verrichte activiteiten niet kan worden gekwalificeerd als een passieve verhuur van onroerende zaken.

6.4. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat een deel van de verrichte activiteiten rechtstreeks voortvloeit uit de voor dergelijke werkzaamheden vereiste “vergunning sexinrichting”. Dat is geen reden om die activiteiten los te zien van de verrichte (totaal)prestatie. Veeleer moet ervan worden uitgegaan - zoals de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht - dat het de prostituees primair erom gaat hun diensten aan klanten te kunnen aanbieden, en dat de vergunning daartoe de mogelijkheid opent. Daarbij verdient nog opmerking dat belanghebbende ook voor deze activiteiten kosten dient te maken, waarvan het aannemelijk is dat zij die in de vergoeding voor haar prestatie begrijpt gezien de hoogte van de door de prostituees te betalen huurprijs, welke huurprijs – naar de inspecteur niet, althans onvoldoende, weersproken heeft gesteld – hoger is dan de ‘normale’ kamerhuurprijs. Nu niet is gesteld of gebleken dat die kosten in de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft afzonderlijk in rekening zijn gebracht, kan hetgeen belanghebbende hierover heeft gesteld, reeds hierom evenmin tot een ander oordeel leiden.

6.5. Op grond van al het hiervoor overwogene dienen de prestaties van belanghebbende, in onderlinge samenhang bezien, te worden gekwalificeerd als het geven van gelegenheid tot prostitutie.

6.6. De subsidiaire stelling van belanghebbende dat sprake is van prestaties binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden, faalt. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van prestaties die vergelijkbaar zijn met die van een hotelexploitant en de gronden waarop dat oordeel rust.

Van discriminatie is dan ook geen sprake.

Slotsom

6.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 20 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.