Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP2032

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
09/00481
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat de door belanghebbende betaalde verkeersboete dient te worden aangemerkt als de voldoening van een persoonlijke en op de werknemer in principe te verhalen schuld die - nu verhaal niet heeft plaatsgevonden - terecht tot het loon is gerekend.

Bij de geconstateerde overtreding van de maximum snelheid (46 kilometer per uur te hard rijden) overheersen zozeer persoonlijke elementen dat niet kan worden geoordeeld dat de kosten zijn opgeroepen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10
Wet op de loonbelasting 1964 15
Wet op de loonbelasting 1964 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2011/6.7
V-N 2011/17.17 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2011, 12
FutD 2011-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00481

13 januari 2011

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. E.A. van Uunen,

tegen de uitspraak in de zaak no. 08/7235 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2007 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting/premie volksverzekeringen van € 4.790 en bij beschikking € 953 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 18 oktober 2008, de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.198 en de heffingsrente verminderd tot € 835.

1.3. Bij uitspraak van 2 juni 2009, verzonden op 3 juni 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 juli 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De feiten zijn door de rechtbank als volgt vastgesteld, waarbij belanghebbende is

aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder.

2.1. De directeur grootaandeelhouder van eiseres, [X] (hierna de werknemer), reed op 16 oktober 2002 met een personenauto in Zwitserland, alwaar hij werd aangehouden door de politie wegens overtreding van de maximaal toegestane snelheid met 46 kilometer per uur. Het bedrag van de boete was omgerekend € 3.512,63 en is door de werknemer met een creditcard, die op naam stond van eiseres, betaald. Eiseres heeft de boete niet op de werknemer verhaald.

2.2. Naar aanleiding van een op 30 mei 2007 bij eiseres gehouden boekenonderzoek is aan eiseres een naheffingsaanslag loonbelasting voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 opgelegd voor onder meer de hierboven genoemde verkeersboete.

2.2. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen bovenstaande weergave van de feiten door de rechtbank, zodat ook het Hof hiervan zal uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof nog het volgende vast.

2.3. De werknemer had op 16 oktober 2002 zakelijke afspraken voor belanghebbende in Zwitserland. Ten tijde van de snelheidsovertreding kwam hij van een zakelijke afspraak en was hij op weg naar een (andere) zakelijke afspraak.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de betaling van de boete door belanghebbende moet worden gerekend tot het (belastbaar) loon van de werknemer zodat belanghebbende loonheffing diende in te houden en af te dragen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: wet LB) is bepaald dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

Het door de werkgever voldoen van een persoonlijke en op de desbetreffende werknemer (in principe) verhaalbare schuld wordt aangemerkt als een uit de dienstbetrekking genoten voordeel door die werknemer, tenzij moet worden geoordeeld dat de schade is opgeroepen door een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

4.2. In zijn arrest van 13 juni 2008, nr. C06/232HR, LJN BC8791, is de Hoge Raad ten aanzien van boetes ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) die aan de werkgever zijn opgelegd ter zake van door een werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden gepleegde overtredingen, teruggekomen op zijn arrest van 3 januari 2001, nr. 35 438, BNB 2001/89. De Hoge Raad heeft de vraag: “of op deze boetes het bepaalde in artikel 7:661 lid 1 BW van toepassing is, met als gevolg dat, behoudens het geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, de werkgever in zijn verhouding tot de werknemer draagplichtig is ten aanzien van de boetes en daarvoor geen verhaal heeft op de werknemer”, ontkennend beantwoord.

4.3. Het Hof ziet geen aanleiding ten aanzien van de onderhavige door de Zwitserse autoriteiten opgelegde verkeersboete anders te oordelen (in die zin dat belanghebbende met betrekking tot die boete in zijn relatie tot de werknemer wel draagplichtig zou zijn).

4.4. Belanghebbende had de boete dan ook op de werknemer kunnen verhalen maar heeft daar om haar moverende redenen vanaf gezien.

4.5. De werknemer van belanghebbende heeft met een snelheid van 126 km per uur gereden op een weg waar (op dat moment) 80 km per uur mocht worden gereden. De werknemer heeft daarmee (door bijna 50% harder te rijden dan was toegestaan) de maximaal toegestane snelheid zeer fors overschreden en daardoor gevaarlijk gereden. De door belanghebbende aangevoerde reden voor de snelheidsbegrenzing (milieuoverwegingen) en de omstandigheid dat de maximaal toegestane snelheid op deze weg twee weken later is verhoogd naar 100 km per uur maken dat niet anders omdat de gevaarzetting ook (en met name) daarin is gelegen dat de snelheid van belanghebbende ten opzichte van die van het andere verkeer relatief zeer hoog was.

4.6. Een werkgever kan van zijn werknemer niet verlangen dat hij gevaarzettend gedrag, zoals dat van belanghebbendes werknemer, vertoont ten einde op tijd te zijn bij een zakelijke afspraak. Het is voorts ook niet aannemelijk geworden – zo belanghebbende dat al heeft willen stellen – dat de werknemer redelijkerwijs niet uit andere opties (dan te hard rijden) had kunnen kiezen waarbij hij zich wel aan de toegestane snelheid had kunnen houden, bijvoorbeeld door eerder te vertrekken, de (latere) afspraak te verzetten, of de vertraging telefonisch te melden. Bij de geconstateerde overtreding van de maximum snelheid (46 kilometer per uur te hard rijden) overheersen zozeer persoonlijke elementen dat niet kan worden geoordeeld dat de kosten zijn opgeroepen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

4.7. Het Hof volgt belanghebbende dan ook niet in haar stelling dat de verkeersovertreding is gemaakt ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (artikel 15, aanhef en onder a, wet LB) en op die grond de boete vrij vergoed had kunnen worden (en aldus de gedane betaling vrij van loonheffing is).

4.8. Belanghebbende betoogt voorts dat de wetgever heeft beoogd dat door buitenlandse autoriteiten opgelegde geldboetes belastingvrij mogen worden vergoed (en op die grond ook de betaling van de boete vrij van loonheffing is).

Uit artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder n, Wet LB (tekst 2002) volgt, voor zover van belang, dat geldboeten opgelegd door een Nederlandse strafrechter en geldsommen betaald aan de Staat ter voorkoming van strafvervolging in Nederland alsmede administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, niet vrij mogen worden vergoed. Volgens belanghebbende kan, nu de onderhavige boete is opgelegd door de Zwitserse autoriteiten en een gelijksoortige bepaling ontbreekt voor buitenlandse geldboeten, deze boete wel vrij vergoed worden.

4.9. Het Hof deelt deze opvatting van belanghebbende niet. Anders dan belanghebbende stelt kan uit de tekst van artikel 15b Wet LB noch uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling worden afgeleid dat een boete die door een buitenlandse autoriteit is opgelegd vrij vergoed kan worden. Uit de wetsbepaling en de geschiedenis daarvan volgt slechts dat het vergoeden dan wel het niet verhalen van buitenlandse geldboetes niet onder alle omstandigheden tot loonheffing leidt. Zoals onder 4.6. en 4.7. is geconcludeerd is in dit geval geen sprake van kosten welke zijn opgeroepen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Aldus kunnen deze kosten niet vrij vergoed worden (en is ook op deze grond de betaling van de boete door belanghebbende niet vrij van loonheffing).

4.10. De door belanghebbende gedane uitgave voor de aan de werknemer opgelegde verkeersboete dient derhalve te worden aangemerkt als de voldoening van een persoonlijke en op de desbetreffende werknemer in principe te verhalen schuld die - nu verhaal niet heeft plaatsgevonden - terecht tot het loon is gerekend.

4.11. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden als hiervoor vermeld, bevestigd dient te worden.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 13 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.