Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1519

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
23-000889-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BL3634, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag op terrein bloemenveiling Aalsmeer. Bewijsoverwegingen: aanwezigheid verdachte op plaats delict, medeplegen, opzet, voorbedachte raad en alternatieve gang van zaken. Strafoplegging en motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000889-10

datum uitspraak: 17 januari 2011

TEGENSPRAAK (PROMIS)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-437538-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op geboortejaar[1959],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 12 november 2009 en 26 januari 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 december 2010, 16 december 2010 en 3 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 december 2008 te De Kwakel, gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer V] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen, twee, althans een, kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer V] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer V] is overleden;

en/of

hij op of omstreeks 8 december 2008 te De Kwakel, gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer V] van het leven heeft

beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen, twee, althans één kogel(s) in

het lichaam van die [slachtoffer V] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer V] is

overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal (in vereniging) van

een tas met inhoud (waaronder kleding en/of (een) paspo(o)rt(en) van (de

familie van) die [slachtoffer V]), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

Subsidiair:

één of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 8 december 2008 te

De Kwakel, gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer V] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben een of meer onbekend gebleven personen en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig

overleg), met een vuurwapen, twee, althans een, kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer V] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer V] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 5 december 2008 tot en met 8 december 2008 te [adres] en/of [adres], in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door (onder meer) de plaats delict (omgeving [adres]) te verkennen en/of informatie in te winnen over die [slachtoffer V] en/of die informatie te verstrekken aan voornoemde onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of door een (vlucht)auto en/of een vuurwapen (Walter, type PPK kaliber 7.65 mm) aan voornoemde onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen;

en/of

één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 8 december 2008 te

De Kwakel, gemeente Uithoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer V] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen, twee, althans één kogel(s) in het lichaam van die [slachtoffer V] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer V] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal (in vereniging) van een tas met inhoud (waaronder kleding en/of (een) paspo(o)rten van (de familie van) die [slachtoffer V]), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf

en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 5 december 2008 tot en met 8 december 2008 te Aalsmeer en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door (onder meer) de plaats delict (omgeving Bloemenveiling Aalmeer) te verkennen en/of informatie in te winnen over die [slachtoffer V] en/of die informatie te verstrekken aan voornoemde onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of door een (vlucht)auto en/of een vuurwapen (Walter, type PPK kaliber 7.65 mm) aan voornoemde onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen;

2.

hij op of omstreeks 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van

categorie III, te weten te weten een pistool (merk Walther, type PPK kaliber

7.65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en),

voorhanden heeft/hebben gehad;

3.

hij op of omstreeks 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig

heeft gehad (ongeveer) 2,79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaine, in elk geval een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op of omstreeks 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig

heeft gehad (ongeveer) 42,53 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op of omstreeks 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Laptop (Fujitsu Amilo) en/of een/twee telefoon(s) (een LG, type L342i en/of een Nokia, type E65) en/of fotocamera (Kodak, type C813) en/of een smartphone (HTC, type TYTN II) en/of een meer of meer (Rolex)horloge(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal(len), in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen en bespreking van de gevoerde verweren

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde moord. De advocaat-generaal heeft daarnaast gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de advocaat-generaal de onder feit 5 ten laste gelegde heling van horloges (merk Rolex) en een telefoon (merk LG), niet bewezen acht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte door het hof zal worden vrijgesproken van al hetgeen aan de verdachte onder 1 wordt verweten. In de kern heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft ten onrechte het medeplegen van moord bewezen geacht. De verdachte heeft iedere betrokkenheid daarbij ontkend, terwijl op grond van de stukken in het dossier de feitelijke betrokkenheid van de verdachte bij de schietpartij niet kan worden vastgesteld. Ook indien veronderstellenderwijs van de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict wordt uitgegaan, biedt de inhoud van het dossier geen steun voor het oordeel dat door de verdachte

-met het tenlastegelegde opzet en voorbedachte raad- met een of meer anderen nauw en bewust is samengewerkt.

De verdediging heeft deze stellingen bij pleidooi nader uiteengezet. Zo is aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat verdachte op 8 december 2008 op de plaats van het delict is geweest. Het enkele gegeven dat zijn auto toen en daar wel is gesignaleerd maakt dat niet anders. In de auto zijn weliswaar kruitdeeltjes aangetroffen maar daar staat tegenover dat er geen kruitresten op de kleding van verdachte zijn aangetroffen. De enige ooggetuige [getuige S] herkent in de verdachte niet een persoon waarover hij eerder heeft verklaard, evenmin zijn postuur of kleding. Op nader in zijn pleitnotities omschreven gronden is de raadsman van mening dat het dossier aanknopingspunten biedt voor een alternatieve gang van zaken waarin de verdachte geen strafbare betrokkenheid heeft.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat met diens schieten de schutter opzet op het doden van het slachtoffer [slachtoffer V] heeft gehad. Met de bij gelegenheid van het eerste schot afgevuurde kogel - op korte afstand van [slachtoffer V] - heeft de schutter kennelijk niet meer beoogd dan het vrees aanjagen van [slachtoffer V] of om hem te doen weglopen. Het gegeven dat de tweede kogel eerst na verloop van enige tijd met het semi-automatische wapen is afgevuurd levert voor de juistheid van deze veronderstelling steun op. Immers, met een dergelijk wapen is het mogelijk om direct opvolgend te schieten. Nu dat niet is gebeurd moet worden aangenomen dat het de schutter erom te doen is geweest dat [slachtoffer V] niet bij de vrachtauto zou terugkeren opdat die schutter c.s. in de gelegenheid waren om zich ongehinderd in de cabine van die auto te begeven.

Voor het aannemen van het voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer V] is het nodig dat het gebruikte middel de aanmerkelijke kans in het leven roept dat [slachtoffer V] wordt gedood althans dat die kans op de koop toe wordt genomen. Het in casu gebruikte middel was daartoe relatief ondeugdelijk. Het is immers niet mogelijk om iemand met een vuistvuurwapen van een afstand van 70 tot 80 meter dood te schieten. Dan zou er in het geval dat iemand op die afstand door een aldus afgevuurde kogel wordt getroffen hoogstens sprake kunnen zijn van een toevalstreffer, maar niet van een met opzet op het veroorzaken van de dood gelost schot.

Overigens, als met het eerste schot van zeer dichtbij in het been wordt geschoten, dan moet het tweede schot ook in die zin worden beschouwd, namelijk als niet gericht op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer V], ook niet in die zin dat de dood op de koop toe wordt genomen.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat van voorbedachte raad geen sprake kan zijn, nu dit niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

De beoordeling van het hof

De feiten waarvan het hof uitgaat

ten aanzien van feit 1 en 2

De verdachte heeft op 6 december 2008 [getuige B], een zakenpartner van [slachtoffer V], op het terrein van de bloemenveiling bezocht .

Op de ochtend van 8 december 2008 is in De Kwakel, gemeente Uithoorn, op het terrein van de bloemenveiling [slachtoffer V] door met een pistoolschot toegebracht letsel om het leven gebracht. Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer is een inschot in de rug vastgesteld. Er is een kogel aangetroffen in het linkerspierweefsel nabij de linkertepel. Vastgesteld is dat bij dit schotletsel onder meer de long en het hart zijn geperforeerd, gepaard gaande met een massale inwendige bloeduitstorting. Vastgesteld is voorts, dat het hart dusdanig is beschadigd dat onmiddellijke functiestoornis is opgetreden, met het intreden van de dood als gevolg. Het is mogelijk dat het slachtoffer nog korte tijd handelingsbekwaam was en enige afstand heeft afgelegd.

Op de met behulp van een camera vastgelegde beelden is gezien dat op 8 december 2008 om 10:09.13 uur een grijze taxi het terrein van de bloemenveiling is opgereden. Ongeveer een halve minuut later om 10:09.45 uur is een witte personenauto, vermoedelijk een Renault Laguna dat terrein opgereden. De taxi heeft om 10:12.14 uur het veilingterrein verlaten.

De Renault Laguna heeft om 10:17.49 uur het terrein verlaten, gelijktijdig met een vrachtwagen die toen eveneens dat parkeerterrein verliet.

De als getuige gehoorde chauffeur van genoemde taxi heeft verklaard dat hij twee mannen omstreeks 10:00 uur heeft afgezet bij de bloemenveiling. Hij heeft de twee mannen herkend aan de hand van de foto’s die hem zijn getoond door de politie. Het gaat om [slachtoffer V] en de getuige [getuige S].

De als getuigen gehoorde [getuige P] en [getuige L] zijn om 10:17.22 uur in hun vrachtwagen het parkeerterrein afgereden. [Getuige P] heeft volgens zijn verklaring twee mannen gezien, die zich tussen de geparkeerde vrachtauto’s ophielden. Deze mannen droegen een bivakmuts of een masker. Vervolgens heeft hij het geluid van een knal gehoord. Nadat hij ongeveer 30 meter in ongeveer 40 seconden heeft afgelegd heeft hij nog een keer het geluid van een knal gehoord. Hierbij heeft hij aan een schot gedacht. [Getuige P] heeft naar links gekeken en heeft gezien dat tussen de geparkeerde auto’s een man op de grond lag. Hij heeft vervolgens gezien dat een witgekleurde auto met hoge snelheid voorbij de vrachtwagen is gereden en dat in die auto twee of drie mensen zaten. Ook [getuige L] heeft twee knallen gehoord, met dien verstande dat de twee tot schoten herleide knallen niet direct achter elkaar kwamen. Hij denkt dat er ongeveer 20 seconden tussen het eerste en het tweede schot zijn verlopen. Ook hij heeft een witgekleurde auto gezien, met daarin twee of drie mensen, die met hoge snelheid voorbij is gereden. [Getuige L] heeft het door hem genoteerde kenteken van die auto, te weten [kenteken], aan de politie verstrekt. Nader onderzoek naar het kenteken heeft uitgewezen dat het kenteken is gekoppeld aan een witgekleurde auto van het merk Renault en van het type Laguna; het kenteken is op naam van [getuige K] gesteld. De als getuige gehoorde [getuige K] heeft verklaard dat zij een auto op haar naam heeft laten zetten ten behoeve van een mannelijke kennis van haar, die de auto contant heeft betaald . De als getuige gehoorde verkoper van de auto heeft verklaard dat hij deze auto op 17 oktober 2008 heeft afgeleverd. In de aan deze verkoper getoonde foto met daarop de beeltenis van de verdachte heeft hij de man herkend, die met [getuige K] de auto heeft gekocht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij de Renault Laguna (het hof begrijpt: de zojuist bedoelde Laguna) in gebruik had .

Een observatieteam van de politie heeft op 8 december 2008 bij de woning aan [straat] in Capelle a/d IJssel postgevat.

De leden van dit team hebben gezien dat die dag om 14:30 uur een witgekleurde Renault Laguna met voormeld kenteken is aan komen rijden. Enige seconden later hebben observanten gezien dat een man naast de Renault Laguna staat. Vervolgens hebben zij gezien dat deze man, samen met een andere man, de woning met nummer [huisnummer] is binnen gegaan. Vervolgens is de verdachte in die woning door binnengetreden politie-ambtenaren aangehouden. De verdachte is later door de observanten herkend als de man die zij eerder vanaf de Renault Laguna naar de woning hebben zien lopen.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij de bestuurder is geweest van de Renault Laguna die op [straat] is komen aanrijden op 8 december 2008.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat hij op 8 december 2008 vroeg in de ochtend, rond 6 uur met deze auto vanuit Capelle a/d IJssel naar Amsterdam is vertrokken en rond 12 uur met diezelfde auto vanuit Amsterdam richting Rotterdam is gereden. Daarna is hij weer naar zijn woning gereden in Capelle a/d IJssel. De telefoon van verdachte is rond de klok van 6:21 uur uitgepeild in Amsterdam-Oost. Later, na het schietincident, is die telefoon om 11:01 uur uitgepeild, wederom in Amsterdam-Oost. In de tijd die is verstreken tussen 6:21 uur en 11:01 uur is niet van enig met die telefoon gevoerd verkeer gebleken.

In de Renault Laguna (hierna ook te noemen : Laguna) is sporenmateriaal aangetroffen en inbeslaggenomen. Ten behoeve van het schotrestenonderzoek zijn de veiligheidsgordels bemonsterd. Zowel in het linker- als in het rechtervoorportier van de auto is een wollen muts aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat het DNA-hoofdprofiel dat is veiliggesteld op de in het linkervoorportier aangetroffen muts matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Door het NFI is vastgesteld dat op zowel de veiligheidsgordel linksvoor als die rechtsvoor een deeltje met een elementsamenstelling, uniek voor schotrestendeeltjes, is aangetroffen. Met het aantreffen van dergelijke deeltjes wordt een relatie met een schietproces aangetoond.

Na de aanhouding van verdachte heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [straat]. Naast de entree in een geopend dressoir is een vuurwapen aangetroffen.

Het vuurwapen van het merk Walter PPK-L kaliber 7.65 is veiliggesteld. In de patroonhouder, met daarin plaats voor zeven patronen, zijn vier patronen aangetroffen. De verbalisant heeft bij gelegenheid van het uitnemen van deze patronen waargenomen dat deze hetzelfde zijn. Als bodemstempel is GECO 7.65 mm ingeslagen. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft vastgesteld dat het pistool Walther, model PPK-L, bestemd en geschikt is voor het semi-automatisch verschieten van patronen kaliber 7.65 mm Browning.

De twee op de plaats delict aangetroffen hulzen, zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgeschoten door het vuurwapen dat is aangetroffen en inbeslaggenomen ten huize van de verdachte. De hulzen zijn voorzien van het bodemstempel “Geco 7.65”. De kogel in het lichaam van het slachtoffer is waarschijnlijk afgevuurd uit de loop van het pistool. De patroon welke op de plaats van het delict is gevonden, is zeer waarschijnlijk doorgeladen in het pistool en is tevens voorzien van het bodemstempel “Geco 7.65”, aldus het NFI. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het vuurwapen op 8 december 2008 in de woning aan de [straat] heeft gelegd.

Over hetgeen zich heeft afgespeeld op 8 december 2008 heeft de als getuige gehoorde [getuige S] verklaard dat hij samen met [slachtoffer V] per taxi naar de bloemenveiling is gegaan. Daar aangekomen hebben zij ervaren dat de motor van de vrachtwagen niet startte. [getuige S] heeft de aanwezigheid van twee mannen bemerkt. Eén van hen droeg een muts die hij voorover over zijn gezicht had gedaan. De andere man had de kraag van zijn jas voor zijn mond en droeg een muts tot over zijn voorhoofd. Eén van de mannen heeft een wapen gepakt en [getuige S] heeft gezien dat die man de slede van het wapen naar achteren heeft getrokken. Hij heeft gezien dat er een patroon uit het wapen is gevallen. Direct daarna is geschoten op het latere slachtoffer. [getuige S] heeft gehoord dat het slachtoffer heeft geschreeuwd en geroepen “au, mijn been”. De andere man is de cabine van de vrachtauto binnen gegaan. Het slachtoffer en [getuige S] zijn weggerend, ieder een andere kant op. [getuige S] heeft vervolgens het geluid van nog een schot gehoord. De man met het wapen heeft korte tijd later ook [getuige S] vastgepakt en hij heeft hem het wapen tegen diens hoofd gehouden.

ten aanzien van feit 3 en feit 4

In de woning van verdachte is een bolletje wit poeder aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van dit bolletje 2.79 gram van een materiaal bevattende cocaïne bevatte. Tevens zijn 19 joints, 4 zakjes weed en 1 zakje met takjes gelijkend op weed aangetroffen. Uit het rapport van de politiedeskundige drs R. Jellema blijkt als resultaat van diens gehouden onderzoek dat deze voorwerpen in totaal 42,53 gram hennep bevatten. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat zowel de cocaïne als de hennep van hem waren.

ten aanzien van feit 5

In de woning is tevens een aantal goederen aangetroffen dat van diefstal afkomstig is. Het betreft een laptop van het merk Fujitsu Amilo. Deze laptop is op 28 oktober 2008 uit een woning in Rotterdam gestolen. Tevens is een telefoon van het merk Nokia, type E65 in de woning aangetroffen. De telefoon blijkt te zijn weggenomen bij een inbraak in een woning te Rotterdam. Ook de aangetroffen fotocamera van het merk Kodak, type C813 , blijkt van diefstal afkomstig te zijn. De verdachte heeft hierover bij de politie verklaard dat hij de aangetroffen goederen van dieven heeft gekocht.

Bewijsoverwegingen

ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

De aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict

Het hof gaat er op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van uit dat het de auto van de verdachte is geweest die op 8 december 2008 rond 10:00 uur op de plaats van het delict is geweest. Uit de hiervoor vastgestelde feiten, waarvan het hof uitgaat, volgt verder dat de verdachte op die 8e december zowel in de ochtend, enkele uren vóór dat tijdstip, als in de middag, enkele uren ná dat tijdstip, de bestuurder van die auto is geweest.

Uit de inhoud van de eerder genoemde bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat in elk geval de inzittenden van die auto, die kort na de geloste schoten snel is weggereden, betrokken zijn geweest bij het schietincident.

Voorts leidt het hof uit die bewijsmiddelen af dat de schoten die zijn gelost op [slachtoffer V] zijn afgevuurd met het wapen dat in de woning van de verdachte is aangetroffen en waarvan door hem is verklaard dat het zijn eigendom is.

Het hof stelt tenslotte vast dat de verdachte twee dagen vóór het schietincident een bezoek heeft gebracht aan [getuige B], de zakenrelatie van het slachtoffer, op het terrein van de bloemenveiling.

Ten aanzien van deze belastende feiten en omstandigheden heeft de verdachte respectievelijk bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep geen, uiteenlopende dan wel tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

De verdachte heeft, zoals hiervoor al is weergegeven, ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 8 december 2008 vroeg in de ochtend, rond 6:00 uur alleen in genoemde auto vanuit Capelle a/d IJssel naar Amsterdam is vertrokken. Daarna is hij in diezelfde auto aan het eind van de ochtend alleen vanuit Amsterdam via Rotterdam weer naar Capelle a/d IJssel teruggereden. De verdachte had de auto naar zijn zeggen ergens in Amsterdam geparkeerd en na verloop van uren op dezelfde plaats weer aangetroffen. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken in het dossier geen aanknopingspunten voor het heimelijk gebruik van de auto door anderen dan de verdachte.

Het hof stelt vast dat de verdachte voorts bij verschillende gelegenheden, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep, heeft verklaard dat hij zijn auto die dag niet had uitgeleend.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard, onder meer, dat hij, na aankomst in Amsterdam, naar een café is gegaan, waar ene Arjen - over deze persoon is door de verdachte niet meer voor het achterhalen van diens identiteit bruikbare informatie verstrekt - hem buiten stond op te wachten. Vervolgens werd hij naar een woning gebracht waar hij gedurende enkele uren heeft verbleven. Daarna heeft hij in een café koffie gedronken, en is hij opgehaald om terug naar de woning te gaan. Onderweg, aldus nog steeds de verdachte, is hij enkele minuten in een Turks café geweest, alwaar hij het wapen heeft gekocht dat door de politie bij hem thuis is aangetroffen. Na aankoop van het wapen zegt de verdachte dat hij eerst nog terug naar die woning is gegaan, en vanaf daar naar zijn geparkeerde auto is gebracht, waarna hij is teruggereden naar huis.

Over het verblijf in deze woning had de verdachte nog niet eerder verklaard.

Het hof stelt vast dat deze (reis)bewegingen deels bevestiging vinden in de eerder vermelde peilgegevens van de telefoon van de verdachte, welke grond opleveren voor de vaststelling dat de telefoon van de verdachte aanwezig was in Amsterdam-Oost om 6:21 uur en om 11:01 uur. De stelling van de verdachte omtrent zijn verblijf tussen beide genoemde tijdstippen kan geen verankering vinden in zijn telefoongegevens, nu over het grootste deel van de ochtend geen telefoongegevens beschikbaar zijn. Dit een en ander brengt mee, dat de aanwezigheid van de verdachte in De Kwakel (Uithoorn) ten tijde van het delict op grond van de telefoongegevens niet valt uit te sluiten.

Ook over de wijze waarop de verdachte in het bezit van het vuurwapen is gekomen heeft hij uiteenlopende verklaringen afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het wapen heeft gekocht van vier Albanezen in de kelder van een Turks café. Hij heeft er volgens die verklaring aldaar ook mee geschoten.

Over de locatie van het café, de woning en de Albanezen heeft de verdachte geen nadere, verifieerbare informatie verstrekt. Zijn verklaring over zijn rol als informant dan wel infiltrant voor de Albanese dan wel Nederlandse inlichtingen- of veiligheidsdiensten, in relatie tot de door hem gestelde aankoop van het wapen op 8 december 2008, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof niet toereikend gesubstantieerd.

De verdachte zou met de leveranciers van het wapen in contact zijn gekomen via de evengenoemde Arjen. Ook eerder heeft de verdachte gesteld dat genoemde Arjen bij die aankoop een bemiddelende rol heeft vervuld. Daarbij heeft hij echter aangegeven dat die Arjen een andere persoon is dan de Arjen met wie hij op 6 december 2008 de [getuige B], het handelscontact van het slachtoffer [slachtoffer V] heeft bezocht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte echter verklaard dat het hierbij wél om één en dezelfde persoon gaat .

Het hof overweegt voorts, dat de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor het hiervoor bedoelde bezoek aan [getuige B], nu noch uit de verklaringen van de verdachte, noch overigens uit het dossier blijkt dat de verdachte zich bezighield met de (groot)handel in bloemen.

Het hof acht de besproken bewijsmiddelen in hun onderlinge verband en samenhang beschouwd redengevend voor het bewijs dat de verdachte op de plaats van het delict aanwezig is geweest. Hij heeft met zijn verklaringen zoals hiervoor weergegeven en besproken geen die redengevendheid ontzenuwende uitleg gegeven op grond waarvan de mogelijkheid zou moeten worden opengelaten dat hij zich ten tijde van de schietpartij elders heeft bevonden. Zijn verklaringen zijn naar inhoud niet consistent, vinden geen steun in het dossier en zijn niet verifieerbaar gebleken.

Bij deze stand van zaken zal het hof het bewijs voor de gang van zaken op de plaats van het delict aan een nadere beschouwing onderwerpen.

Het medeplegen

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op de plaats waar het misdrijf heeft plaatsgevonden in elk geval twee, onderling samenwerkende mannen aanwezig waren en dat één van hen meermalen heeft geschoten.

De gang van zaken, blijkend uit de verklaringen van de getuigen [getuige S], [getuige L] en [getuige P], is geweest dat de twee mannen zich samen naar de vrachtwagen van [slachtoffer V] hebben begeven, dat zij beiden een deel van hun gezicht hebben bedekt -kennelijk om (latere) herkenning te voorkomen-, dat één van hen, in aanwezigheid van de ander, een kogel op [slachtoffer V] heeft afgevuurd, dat de ander daarna de cabine van de vrachtwagen heeft betreden en dat de schutter daarna nog geweld tegen [getuige S] heeft uitgeoefend. Vervolgens zijn zij in de witte Laguna gevlucht. Bij de volvoering van deze handelingen, die naar hun uiterlijke verschijningsvorm het karakter van samenwerking dragen, heeft geen van de twee mannen - niet voorafgaand, tijdens of na het schieten - zich achtereenvolgens van de ander gedistantieerd, noch op enig moment ingegrepen om enige handeling te beletten of belemmeren dan wel de gevolgen daarvan te beperken. Onder deze omstandigheden moet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tevens als vaststaand worden aangenomen dat de tweede dader minstgenomen het risico van gebruik van (vuurwapen)geweld door de man met het wapen vooraf had geaccepteerd. Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman gevoerde verweer, dat de verdachte – indien hij deze tweede dader zou zijn – zich niet kon distantiëren van de handelingen van de schutter wordt door het hof op de hiervoor uiteengezette gronden verworpen.

Ook indien (zoals de ooggetuigen niet hebben uitgesloten) moet worden aangenomen dat er nog een derde betrokken persoon is, die, naar het hof aanneemt, tijdens het schieten in of bij de Laguna was gebleven, leidt dit, gelet op het geheel aan handelingen, niet tot een ander oordeel over de nauwe, bewuste en volledige samenwerking. Het hof betrekt bij dit oordeel voorts het feit dat voorafgaand aan de geweldshandelingen de Laguna direct na de taxi waarin [slachtoffer V] en [getuige S] zaten het parkeerterrein opreed – waaruit kan worden afgeleid dat de Laguna die taxi volgde – en het feit dat de Laguna direct ná het schietincident met hoge snelheid het parkeerterrein afreed.

Het hof kent daarnaast betekenis toe aan het vastgestelde bezit van het wapen en van de auto een luttel aantal uren na de het delict, waarbij blijkens het door hen opgemaakte proces-verbaal aan de verbalisanten is opgevallen dat de cabine van de auto grondig gereinigd was en door hen in die cabine de aanwezigheid van een chemische lucht is vastgesteld .

Uit al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen leidt het hof af, dat sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de op de plaats van het delict betrokken daders. Zoals reeds eerder overwogen acht het hof bewezen dat de verdachte één van deze daders is geweest.

Daarbij is het antwoord op de vraag wie op [slachtoffer V] heeft geschoten niet van belang voor de bewezenverklaring. Bij medeplegen zijn de afzonderlijke daders immers gezamenlijk verantwoordelijk voor de gedragingen van ieder van hen alsmede voor de gevolgen daarvan. Reeds gelet hierop kan het feit dat na een gehouden onderzoek de aanwezigheid van kruitsporen op de door de verdachte ten tijde van zijn aanhouding gedragen kleding niet is aangetoond aan het bewijs niet afdoen.

Het opzet

Anders dan de raadsman, is het hof, gelijk de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte en zijn mededader(s) opzet hebben gehad op de dood van [slachtoffer V]. De schutter heeft na het eerste schot nog een tweede schot op [slachtoffer V] gelost. De bij gelegenheid van het tweede schot afgevuurde kogel heeft het slachtoffer in de rug getroffen, hetgeen er op wijst dat het slachtoffer heeft geprobeerd weg te lopen en in elk geval zijn rug naar de schutter had toegekeerd.

Het dossier bevat geen redelijke grond voor de aanname dat de schutter, zoals de raadsman heeft betoogd, [slachtoffer V] slechts vrees heeft willen aanjagen.

De schutter heeft met dit tweede schot kennelijk bewust en gericht op het slachtoffer geschoten, en in elk geval de aanmerkelijke kans op het dodelijke gevolg aanvaard. Uit niets blijkt, zoals de raadsman heeft betoogd, dat sprake was van een zodanig grote afstand tussen de schutter en het slachtoffer dat reeds daarom geen sprake van opzet op de dood kan zijn. De richting van het in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen schootskanaal (schuin omhoog door de borstholte) wijst evenmin op een lange schootsafstand waarbij het projectiel een min of meer horizontale dan wel enigszins neerwaarts afbuigende schootsbaan heeft afgelegd.

De voorbedachte raad

Het hof is met de raadsman van oordeel, anders dan de advocaat-generaal, dat gelet op de omstandigheden van het geval niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan het schietincident sprake was van een voorgenomen besluit om [slachtoffer V] om het leven te brengen.

Wellicht kan nog worden aangenomen dat de schutter, voorafgaand aan het tweede (fatale) schot, voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van de uitvoering van dit schot en zich daar rekenschap van te geven.

Nu evenwel één of meer mededaders niet de feitelijke schoten hebben gelost en niet kan worden vastgesteld welke feitelijke rol de verdachte heeft vervuld, komt, gelet op de specifieke aard van het medeplegen in de omstandigheden van het onderhavige geval, de ten laste gelegde voorbedachte raad niet voor bewezenverklaring in aanmerking.

Het hof is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van medeplegen van moord, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Een verband met een ander misdrijf

Naar het oordeel van het hof kan niet bewezen worden verklaard dat de daders zich eveneens schuldig hebben gemaakt aan een voltooide diefstal, hetgeen reeds daarom tot vrijspraak van de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag moet leiden.

Het bestaan hebben van een alternatieve gang van zaken

De raadsman van de verdachte heeft -zakelijk weergegeven- betoogd dat de verklaring van de verdachte een mogelijk ander scenario impliceert, waarbij het een ander en/of anderen dan de verdachte is/zijn geweest die [slachtoffer V] om het leven heeft/hebben gebracht, welk scenario niet wordt weersproken door de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De raadsman heeft aangevoerd dat er in het dossier concrete aanwijzingen zijn te vinden waaruit valt af te leiden dat een groot aantal personen met de gebeurtenissen rondom het overlijden van [slachtoffer V], anders dan de verdachte, betrokken zijn geweest.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat het dossier aanwijzingen bevat dat naast de verdachte enkele andere personen met elkaar en met de verdachte en/of het slachtoffer in contact hebben gestaan in de uren voorafgaand aan, alsmede kort ná de gewelddadige dood van [slachtoffer V]. Dit brengt echter niet mee dat hieruit enig aandeel van deze personen in het dodelijk geweld kan worden afgeleid.

De enkele omstandigheid dat de inhoud van de bewijsmiddelen de betrokkenheid van één of meer van deze personen niet uitsluit of weerspreekt, kan bovendien, gelet op hetgeen hiervoor door het hof is overwogen in het kader van de bewijslevering, niet leiden tot de slotsom dat de verdachte het ten laste gelegde niet - als medepleger - heeft begaan. Het hof merkt overigens op dat met het door de verdachte schetsen van een alternatief scenario waarin ander personen een rol spelen, niet goed te verenigen valt dat de verdachte omtrent deze andere personen geen opening van zaken wil geven; het hof wijst daarbij op het feit dat de verdachte tot aan de terechtzitting in hoger beroep steeds heeft ontkend [I] en [E. I], wier telefoonnummers in zijn telefoon waren opgeslagen, te kennen.

Gelet op al het voorgaande verwerpt het hof de ter zake gevoerde bewijsverweren.

Conclusie ten aanzien van feit 1 en feit 2

Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk [slachtoffer V] van het leven heeft beroofd. Voorts zal het hof bewezen verklaren dat de verdachte het vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad, gelet op de feiten en omstandigheden die in de gebruikte bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij het hof vaststelt dat het een vuurwapen betreft in de zin van artikel 1 van de Wet wapens en munitie en dat het vuurwapen en de munitie vallen in categorie III onder 2 van deze wet.

Beslissing op een verzoek

De raadsman heeft bij pleidooi verzocht om de politie-ambtenaar “Jan”, blijkens mededelingen van de advocaat-generaal werkzaam voor de Nationale Recherche, te doen horen als getuige. Mogelijk heeft Jan een rol gespeeld bij het aansturen van de verdachte als informant dan wel infiltrant, werkend voor de Nederlandse overheid, in welke hoedanigheid hij het bij hem aangetroffen wapen heeft gekocht. Het hof overweegt allereerst dat de verdachte zelf nooit heeft gesteld dat hij met Jan contact heeft gehad. Daarnaast heeft de verdachte, zoals hiervoor reeds overwogen, zijn beweerde rol als infiltrant voor de Nederlandse overheid niet toereikend gesubstantieerd en heeft hij in ieder geval niet nader aangegeven welke rol Jan bij de aankoop van het wapen heeft gehad en wat diens bijdrage daarbij is geweest.

Gelet hierop en voorts gelet op de inhoud van het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde proces-verbaal, houdende zijn bevindingen naar aanleiding van de door hem aan Jan gestelde vragen overweegt het hof dat aan het hof de noodzaak van het verhoor van Jan als getuige niet is gebleken, zodat het hof dit verzoek afwijst.

ten aanzien van feit 3

Het hof acht, gelijk de advocaat-generaal, op grond van de inhoud van de voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

ten aanzien van feit 4

Het hof acht, gelijk de advocaat-generaal, op grond van de inhoud van de voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

ten aanzien van feit 5

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Uit de verklaring van de verdachte blijkt immers dat hij wist dat de goederen van diefstal afkomstig waren, doordat de verdachte de personen van wie hij deze goederen verkreeg, door middel van koop dan wel als een gift, als dieven benoemt. Het hof acht de heling van de Smartphone (HTC, type TYTN II), de LG telefoon, type L342i en de Rolexhorloges niet bewezen, nu niet genoegzaam is komen vast te staan dat deze goederen van enig misdrijf afkomstig zijn.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair (impliciet primair) ten laste gelegde moord en de onder 1 primair (impliciet primair alternatief) ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag heeft begaan, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde

op 8 december 2008 te De Kwakel, gemeente Uithoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk G. [slachtoffer V] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en een of meer van zijn mededaders met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [slachtoffer V] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer V] is overleden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel, een wapen van categorie III, te weten een pistool merk Walther, type PPK kaliber 7.65 mm en munitie van categorie III, te weten patronen, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,79 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

op 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel opzettelijk aanwezig heeft gehad 42,53 gram hennep;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

op 8 december 2008 te Capelle aan den IJssel een Laptop (Fujitsu Amilo) en een telefoon (een Nokia, type E65) en een fotocamera (Kodak, type C813) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door diefstallen verkregen goederen betrof.

Hetgeen onder 1 primair (impliciet subsidiair), 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde

medeplegen van doodslag;

en

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

en

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde

opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair (impliciet primair), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, onttrekking aan het verkeer van een pistool, een bruine sok en een kist en de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.667,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair (impliciet primair), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen pistool, een bruine sok en een kist en geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.667,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft aangevoerd dat, ingeval het hof tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt, rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft een slechte gezondheid en hij weet zich vanwege het taalprobleem erg geïsoleerd in het huis van bewaring, waardoor zijn detentie hem dan ook aanmerkelijk zwaarder valt dan een andere gedetineerde. Daarbij komt, dat moet worden aangenomen dat hij niet in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

In het bijzonder ten aanzien van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 2 bewezenverklaarde

De verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan de levensberoving van

[slachtoffer V]. Het slachtoffer is door de schutter in zijn rug neergeschoten met de dood als gevolg. Direct hierna en zonder zich te bekommeren over het lot van het slachtoffer is de verdachte met zijn mededader(s) in een auto van de plaats van het misdrijf gevlucht. De verdachte heeft zich door aldus te handelen schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf. Naar het motief van deze levensberoving kan slechts worden gegist, zij het dat de stukken in het dossier aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat het motief voor het schietincident is gelegen in een zakelijk conflict in het criminele circuit. Nu dit motief evenwel niet is komen vast te staan zal het hof hieraan geen gevolgen verbonden in strafverzwarende noch in strafverlichtende zin. Door dit feit is de rechtsorde ernstig geschokt en zijn de nabestaanden van een dierbaar familielid beroofd. Het opzettelijk nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt. In het bijzonder overweegt het hof dat met de duur van de aan de verdachte op te leggen straf mede wordt beoogd anderen ervan te weerhouden dergelijke misdrijven te begaan.

Tijdens de doorzoeking op 8 december 2008 is in de woning van de verdachte het vuurwapen waarmee op het slachtoffer is geschoten, met de daarbij behorende patronen aangetroffen. De verdachte heeft dit vuurwapen met munitie zonder vergunning voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien, welk risico zich in de onderhavige zaak ook heeft gerealiseerd.

In het bijzonder ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een gebruikershoeveelheid cocaïne en een handelshoeveelheid hennep. Deze verdovende middelen bevatten voor de gezondheid schadelijke stoffen.

In het bijzonder ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan opzetheling. Tijdens de doorzoeking in zijn woning zijn een laptop, een mobiele telefoon en een fotocamera aangetroffen. Deze goederen zijn allen van diefstal afkomstig. De verdachte wist dat deze goederen een misdadige herkomst hadden. Het hof is van oordeel dat verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit. Immers door van diefstal afkomstige goederen in zijn bezit te hebben heeft verdachte een afzetmarkt voor gestolen goederen geboden, en aldus bijgedragen aan het in stand houden van de diefstal van goederen en vermogenscriminaliteit in het algemeen.

En voorts

Bij de strafoplegging houdt het hof ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte volgens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 3 december 2010 niet eerder in Nederland voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof gaat voorbij aan hetgeen door de raadsman overigens in strafmatigende zin omtrent de persoon van de verdachte naar voren is gebracht. Ook in detentie verkerend moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte in het voorkomende geval kan rekenen op hem passende medische verzorging. De gestelde mate van zijn isolement en het ontbreken van zicht op deelname aan penitentiaire programma leidt, wat daarvan overigens zij, niet tot strafmatiging, gelet op hetgeen door het hof hiervoor is overwogen omtrent de ernst van de feiten, in het bijzonder omtrent de bewezen geachte doodslag op [slachtoffer V].

Nu het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet moord maar doodslag bewezen acht, komt het hof tot een lagere vrijheidsbenemende straf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 2 bewezen verklaarde met betrekking tot dit voorwerpen is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 36b, 36c, 36f, 47, 57, 287 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 6667,50 zoals aan haar in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte heeft de hoogte van de vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet primair en impliciet primair alternatief) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair), 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair (impliciet subsidiair), 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: aangeduid met nrs. 10, 45 en 58 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: aangeduid met nrs. 12 t/m 40, 42 t/m 44, 51 t/m 57, 59 t/m 61, 70, 71, 74 en 88 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan [getuige K] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: aangeduid met nrs. 11, 75 en 76 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan [benadeelde partij] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: aangeduid met nrs. 4, 5, 7, 8, 9, 79 en 80 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan [getuige L] van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: aangeduid met nr. 1 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan [bedrijf] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: aangeduid met nrs. 2 en 3 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende, te weten: aangeduid met nrs. 46 t/m 50, 63 en 66 op de aan dit arrest gehechte Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [woonplaats benadeelde partij], een bedrag van EUR 6.667,50 (zesduizend zeshonderdzevenenzestig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij ter zake van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte terzake van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 6.667,50 (zesduizend zeshonderdzevenenzestig euro en vijftig cent), zulks ten behoeve van [benadeelde partij].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 68 (achtenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P.P. Hoekstra, mr. R. Veldhuisen en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 januari 2011.