Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1003

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
23-004434-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat de jurisprudentie van het EHRM terzake (laatstelijk bevestigd in het arrest-Krumpholz versus Oostenrijk van 18 maart 2010) de situatie betreft dat reeds ruim voldoende bewijs aanwezig is voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Het EHRM spreekt over een "prima facie case against the accused". Indien in zo'n zaak bij de rechter toch enige twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij het feit, kan het zwijgen van de verdachte een niet langer houdbare positie worden, in die zin dat de rechter dan de zaak zou kunnen beslissen als ware de verklaring van de verdachte geen factor van belang meer. Uit het arrest-John Murray volgt echter niet dat het zwijgen van de verdachte op enig moment een zelfstandig bewijsmiddel kan worden waarmee een lacune in een overigens zwakke zaak kan worden opgevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004434-09

datum uitspraak: 12 januari 2011

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 28 augustus 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-021206-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats],

adres: [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 28 augustus 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 29 december 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd

dat hij op of omstreeks 16 april 2009 te Heemstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een clubgebouw (van de sportvereniging RCH gelegen aan de Ringvaartlaan) weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading geheel of ten dele toebehorende aan RCH Pinguins, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat clubgebouw te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen d.m.v. braak en/of verbreking, door (meermalen) (met een breekijzer en/of koevoet) de openslaande deuren aan de kant van het terras te forceren en/of (met een breekijzer en/of een koevoet) de deur van de opslagruimte te forceren, terwijl de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het beroep op het zwijgrecht

De verdachte is 's nachts aangehouden vlakbij een sportcomplex, korte tijd nadat door een getuige is gemeld dat deze breekgeluiden bij dat complex had gehoord. In het dossier bevinden zich een aangifte en een aanvullende aangifte waaruit volgt dat rond die tijd geprobeerd is met een koevoet of breekijzer in het gebouw in te breken.

De verdachte heeft bij de politie steeds gezwegen over de verdachte omstandigheden waaronder hij is aangehouden. De vraag is of, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, zijn zwijgen hem in dit geval mag worden tegengeworpen, in die zin dat van hem een verklaring mag worden verlangd voor zijn aanwezigheid ter plaatse, korte tijd na de melding van breekgeluiden bij het onderhavige sportcomplex en het feit dat de verdachte, nadat door de politie was geroepen dat hij moest blijven staan, eerst is weggerend en daarna de Ringvaart is overgezwommen. De raadsman van de verdachte heeft onder verwijzing naar het arrest John Murray versus het Verenigd Koninkrijk, van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 8 februari 1996, betoogd dat indien de visie van de advocaat-generaal zou worden gevolgd een inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte om te zwijgen.

Het hof overweegt dat de jurisprudentie van het EHRM terzake (laatstelijk bevestigd in het arrest-Krumpholz versus Oostenrijk van 18 maart 2010) de situatie betreft dat reeds ruim voldoende bewijs aanwezig is voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het EHRM spreekt over een "prima facie case against the accused". Indien in zo'n zaak bij de rechter toch enige twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij het feit, kan het zwijgen van de verdachte een niet langer houdbare positie worden, in die zin dat de rechter dan de zaak zou kunnen beslissen als ware de verklaring van de verdachte geen factor van belang meer. Uit het arrest-John Murray volgt echter niet dat het zwijgen van de verdachte op enig moment een zelfstandig bewijsmiddel kan worden waarmee een lacune in een, wat de bewijsvoering betreft, overigens zwakke zaak kan worden opgevuld.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat in deze zaak niet is voldaan aan de ondergrens die het EVRM stelt om aan de verdachte zijn zwijgen tegen te werpen. De omstandigheden waarin de verdachte is aangetroffen zijn inderdaad opmerkelijk, maar er is geen direct bewijs dat de verdachte in verband brengt met de poging tot inbraak. Daaruit volgt dat de verdachte onverkort een beroep kan doen op zijn zwijgrecht en dat het hof aan de verdachte niet heeft tegen te werpen dat hij geen verklaring aflegt.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. R.H.J. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 januari 2011.