Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:2485

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
200.086.478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop van grond aan gemeente.

Incident tussenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident,

advocaat: mr. H.P. Abma, te Purmerend,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDAM-VOLENDAM,

met zetel te Volendam,

geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam,

en

[EISERES],

wonend te [woonplaats],

eiseres in het incident,

advocaat: mr. H.M.A. over de Linden, te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als [appellant], de gemeente en [eiseres].

1 Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 26 april 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 maart 2011 (nummer 166653/HA ZA 10-250), in deze zaak tussen [appellant] en de gemeente, met dagvaarding van de gemeente voor het hof tegen 10 mei 2011.

Bij rolbeslissing van 11 mei 2011 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over zijn ontvankelijkheid in hoger beroep.

[appellant] heeft een akte genomen.

De gemeente heeft een antwoordakte genomen.

Bij rolbeslissing van 28 juni 2011 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie van grieven.

[eiseres] heeft vervolgens bij afzonderlijke memorie een incidentele vordering ingesteld.

[appellant] en de gemeente hebben geantwoord in het incident.

Ten slotte is op 9 augustus 2011 arrest gevraagd in het incident.

2. Geschil

2.1

Tussen de gemeente en [appellant] is een geschil aanhangig met betrekking tot de verkoop en levering van een perceel grasland aan de Zuidpolderzeedijk te Volendam, kadastraal bekend gemeente Edam, sectie C, perceel nummer 540. [appellant] is gehuwd geweest met [eiseres]. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij krachtens huwelijkse voorwaarden en een met [appellant] gesloten echtscheidingsconvenant rechten heeft ten aanzien van het perceel, althans de opbrengst daarvan. Zij meent verder dat bij de verkoop van het perceel is gehandeld in strijd met artikel 1:88 BW, in verband waarmee zij bij exploot van 3 mei 2011 aan de gemeente heeft aangezegd dat de tussen [appellant] en de gemeente gesloten koopovereenkomst werd vernietigd. Zij heeft daarvan voorts mededeling gedaan aan [appellant]. Op grond van het een en ander neemt [eiseres] aan dat zij recht en belang heeft zich te voegen aan de zijde van [appellant]. Voor zover mocht blijken dat [appellant] het gemeenschappelijk belang niet (voldoende) ondersteunt, wenst zij tussen te komen.

2.2

De gemeente heeft zich tegen voeging en tussenkomst verzet. Zij heeft aangevoerd dat de beweerde rechten van [eiseres] haar niet bekend waren en behoefden te zijn. Zij meent verder dat [eiseres] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welke rechten zij dreigt te worden benadeeld. Bovendien is volgens de gemeente niet nodig dat [eiseres] als partij in deze procedure optreedt, omdat zij met [appellant] afspraken kan maken over de procesvoering.

2.3 [

appellant] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

3 Beoordeling

3.1

Bij voeging of tussenkomst bestaat voldoende belang indien een uitkomst van de procedure tussen de gemeente en [appellant] die ongunstig is voor [appellant], de rechtspositie van [eiseres] ongunstig kan beïnvloeden. Gelet op de aanspraken die [eiseres] stelt te hebben ten aanzien van het perceel, althans de opbrengst daarvan, is daarvan sprake.

Niet doorslaggevend is dat die aanspraken in rechte (nog) niet vaststaan of naar de mening van de gemeente nog niet voldoende duidelijk zijn. De omstandigheid dat [eiseres] er ook voor zou kunnen kiezen afspraken met [appellant] te maken over de procesvoering, maakt het voorgaande niet anders. Ook voor het overige is niets aangevoerd dat aan voeging of tussenkomst in de weg staat.

3.2

Niet is gebleken dat [appellant] en [eiseres] in deze zaak een uiteenlopend belang hebben of een andere uitkomst van het geding beogen. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt echter dat zij een zelfstandig verweer tegen de vorderingen van de gemeente wenst te voeren en een zelfstandige grondslag heeft voor toewijzing van de reconventionele vorderingen van [appellant], te weten de door haar ingeroepen vernietiging van de tussen [appellant] en de gemeente gesloten koopovereenkomst. Daarbij komt dat niet is uit te sluiten dat op enig moment de belangen van [appellant] en [eiseres] uiteen zullen gaan lopen. Dat brengt mee dat er reden is de subsidiaire vordering tot tussenkomst toe te wijzen.

3.3

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot tussenkomst worden toegewezen.

Het hof zal de beslissing over proceskosten in het incident aanhouden tot de einduitspraak.

De kosten worden voor alle partijen begroot op € 894,- voor salaris van de advocaat.

4 Beslissing

Het hof:

4.1

in het incident

- staat [eiseres] toe tussen te komen in het geding;

- houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak;

- begroot die kosten tot heden voor alle partijen op € 894,- voor salaris van de advocaat;

4.2

in de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rol van 27 september 2011 voor memories van grieven aan de zijde van [appellant] en [eiseres];

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.H. Huijzer en W.J. van den Bergh en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 16 augustus 2011.