Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BY2100

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-006389-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2023, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging tot doodslag (kogel in borst geschoten) en poging tot moord (afvuren kogel op slachtoffer)

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006389-09

datum uitspraak: 23 november 2010

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-467604-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 december 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 6 augustus 2010, 15 oktober 2010 en 9 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat zij het ingestelde hoger beroep tegen voornoemd vonnis wenst in te trekken. Nu ook geen appelschriftuur is ingediend is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvangen dient te worden in het door hem ingestelde hoger beroep.

Nu de verdachte eveneens hoger beroep heeft ingesteld, liggen de feiten desalniettemin in hoger beroep in volle omvang voor.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 8 mei 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met

voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet (en na kalm

beraad en rustig overleg) die [slachtoffer 1] een kogel in de borst heeft geschoten;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 8 mei 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de

Asterdwarsweg, in elk geval op een openbare weg, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van 600 XTC-pillen, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of tot het ter

beschikking stellen van gegevens, die [slachtoffer 1] een of meer vuurwapens heeft/hebben

voorgehouden/getoond en/of die [slachtoffer 1] een of meermalen (op/tegen zijn hoofd)

heeft/hebben geslagen en/of op die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten (waarbij die

[slachtoffer 1] in de borst werd geraakt) en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat

[slachtoffer 1] 2 dagen de tijd kreeg om informatie te geven over de weggenomen

XTC-pillen, in elk geval het weggenomen goed;

2. hij op of omstreeks 8 mei 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een auto (een Ford Mondeo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of

- een (gouden) ketting en/of een portemonnee en/of een mobiele telefoon, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3. hij op of omstreeks 8 mei 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer

wapens van categorie III en/of munitie van categorie III, voorhanden heeft

gehad;

4. hij op of omstreeks 13 juli 2008 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, een

of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen voorzien van

merkaanduiding CZ, model 83, kaliber 9 mm, merk Makarov, en/of munitie van

categorie III, te weten 7 kogelpatronen van het kaliber 9 mm Makarov,

voorhanden heeft gehad;

5. hij op of omstreeks 8 november 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en

met voorbedachten rade) [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet

(en na kalm beraad en rustig overleg), naar die [slachtoffer 3] is toegegaan en/of een

of meermalen met een vuurwapen een of meerdere kogel(s) op die [slachtoffer 3] heeft

afgevuurd, welke kogel(s) het lichaam van die [slachtoffer 3] is/zijn binnengedrongen

waardoor voernoemde [slachtoffer 3] een schotwond in de (linker)zijde en/of in de arm

heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat het recht van verdachte op vrij en vertrouwelijk verkeer met zijn raadsman als bedoeld in artikel 6 lid 3 sub c EVRM en artikel 14 lid 3 sub 1 IVBR in de onderhavige zaak ernstig is geschaad, waarbij tevens het consultatierecht als bedoeld in het Salduz arrest van het EHRM is gefrustreerd. Bovendien dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat er tijdens de aanhouding van de verdachte disproportioneel geweld tegen hem zou zijn gebruikt, waardoor hij een been heeft gebroken. Tenslotte wordt in dit verband aangevoerd dat de verdachte gedurende een half jaar verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] zijn onthouden en dat getuige [getuige 1] eerst ter gelegenheid van de inhoudelijke zitting van de rechtbank als getuige opgeroepen is.

Het hof verwerpt dit verweer om de volgende redenen.

Op grond van het terzake opgemaakte proces-verbaal blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende (doorgenummerde pagina’s 08 en volgende):

Met toestemming van de officier van justitie is de verdachte op 15 december 2008 buiten heterdaad met behulp van een arrestatieteam aangehouden.

Tijdens de aanhouding probeerde de verdachte diverse malen zijn handen naar zijn buik te krijgen; later bleek dat de verdachte in zijn broeksband een pistool droeg, met daarin een patroonhouder met 12 patronen. In een door de verdachte gedragen schoudertas werd nog een tweede vuurwapen aangetroffen met daarin 3 patronen.

Tevens schopte de verdachte tijdens de aanhouding van zich af, hetgeen de verbalisanten noopte verdachte’s benen te fixeren.

In verband met daarbij opgelopen beenletsel is de verdachte door een verpleegkundige onderzocht. Deze heeft geconstateerd dat de verdachte mogelijk een gebroken been had opgelopen. Vervolgens is de verdachte naar het ziekenhuis gebracht, alwaar het linkerbeen in het gips is gezet.

De wijze waarop en de omstandigheden waaronder de toenmalig raadsman vervolgens zijn eerste contact met de verdachte heeft gehad – op de gang door het luikje van de deur van verdachte’s cel – is naar het oordeel van het hof verre van ideaal. De veiligheidsmaatregelen zijn evenwel ingegeven door de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden en het hof acht deze – gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven – niet ongerechtvaardigd dan wel disproportioneel. Er was overduidelijk sprake van een uitzonderlijke situatie waarin de verdachte zich gewelddadig tegenover de verbalisanten heeft gedragen. Het hof heeft er begrip voor dat op dat moment prioriteit is gegeven aan orde en veiligheid in het cellencomplex, in plaats van aan het geheel onbelemmerde vrije verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman. Naderhand, zo heeft het hof vastgesteld, zijn de hier bedoelde rechten van de verdachte alsnog gerespecteerd.

Dat de verdachte bij zijn aanhouding beenletsel heeft opgelopen, acht het hof betreurenswaardig. Door zijn obstructief gedrag tijdens de aanhouding heeft de verdachte dat letsel evenwel aan zichzelf te wijten en niet aannemelijk is geworden dat er door de verbalisanten disproportioneel geweld is gepleegd.

Ook overigens kan in hetgeen van de zijde van de verdachte is aangevoerd geen aanknopingspunt worden gevonden voor het feit dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad dan wel dat sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen.

Voor zover de raadsvrouw met betrekking tot de verklaringen van de verdachte nog een zogenaamd Salduz verweer heeft beoogd te voeren, wijst het hof dat van de hand om dezelfde reden als hiervoor gegeven met betrekking tot het recht op vrij verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman, nog daargelaten dat dat (Salduz-)verweer naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd is en de verdachte zich bij de politie en overigens gedurende de gehele gang van het strafproces voornamelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, leiden naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook overigens ziet het hof in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid te verklaren.

Het hof achter het openbaar ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Nu geen sprake is geweest van verzuimen kan voorts geen sprake zijn van de (subsidiair) bepleite verdiscontering in de strafmaat.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van de gevoerde verweren

feit 1, 2 en 3

De raadsvrouw heeft betoogd dat de getuigenverklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) en het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) niet voor de beoordeling van het bewijs gebruikt kunnen worden, nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn en die verklaringen in samenhang met de overige afgelegde verklaringen in deze zaak niet tot de overtuiging kunnen leiden dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het hof is, met de raadsvrouw, van oordeel dat [slachtoffer 1] niet in alle opzichten steeds consistent heeft verklaard. Anders dan de raadsvrouw is het hof evenwel van oordeel dat [slachtoffer 1] op hoofdlijnen wel consistent heeft verklaard, in het bijzonder over de samenwerking tussen de twee mannen die hem in de auto vanuit Leiden naar een afgelegen industrieterrein in Amsterdam-Noord hebben meegenomen, hem hebben beschoten en ter plaatse hebben achter gelaten. De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden bovendien steun in andere bewijsmiddelen.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door ene [R.} (naar later blijkt [medeverdachte]), die hij kende uit café La Rocka in Leiden, is benaderd om hem naar Amsterdam te brengen om iets op te halen. [medeverdachte] wilde niet met zijn eigen auto rijden, omdat hiervan de uitlaat kapot was (getuigenverhoor rechter-commissaris, 20 april 2009). [medeverdachte] bestuurde de auto van [slachtoffer 1], een Ford Mondeo die op naam was gesteld van de vriendin van [slachtoffer 1] ([slachtoffer 2]). [slachtoffer 1] zat rechts voorin op de passagierstoel en achterin zat een Jamaicaan, die hij eerder in La Rocka had gezien. [slachtoffer 1] beschrijft die Jamaicaan als een Engelssprekende, korte jongen, met donkere huidskleur en een fors postuur, met een gebroken voortand in zijn bovenkaak (proces-verbaal van aangifte van 12 mei 2008, dossier pagina’s 10-13 en proces-verbaal van aangifte van 13 mei 2008, dossier pagina’s 19-22). [slachtoffer 1] herkent deze Jamaicaan later van een foto als één van de verdachten (proces-verbaal verhoor getuige, dossier pagina 382 en foto op dossier pagina’s 383 en 417).

Anders dan de raadsvrouw acht het hof deze zogenaamde enkelvoudig foto confrontatie in dit geval te billijken, nu [slachtoffer 1] de verdachte reeds eerder had gezien in café La Rocka en zij geen onbekenden voor elkaar waren.

[medeverdachte] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij (naar het hof begrijpt: op 8 mei 2008) samen met [slachtoffer 1] en de verdachte naar Amsterdam is gereden, waarbij de verdachte achter hem in de auto zat.

[vriendin] (de vriendin van [slachtoffer 1], hierna: [vriendin]) en haar vriendin [vriendin 2] (hierna: [vriendin 2]) hebben verklaard dat [vriendin 2] in de namiddag van 8 mei 2008 is gebeld door [medeverdachte], met de mededeling dat hij op zoek was naar spullen die [slachtoffer 1] zou hebben gestolen en die mogelijk in het huis van [vriendin] zouden liggen. Bij de zoektocht daarnaar is niets aangetroffen (proces-verbaal van verhoor [vriendin 2], dossier pagina’s 159-167 en proces-verbaal van verhoor [vriendin], dossier pagina’s 154-158).

Hoewel de beschrijving door [slachtoffer 1] van “de Jamaicaan” die met hem in de auto reed niet in alle details consistent is, is zij dat wel, waar het de kern van [slachtoffer 1]’s waarnemingen betreft. Mede gelet op de vier geregistreerde telefonische contacten tussen de verdachte en [medeverdachte] aan het begin van de middag van 8 mei 2008 (proces verbaal van bevindingen, dossier pagina 446), acht het hof voldoende duidelijk dat met de “Jamaicaan” over wie zowel [slachtoffer 1] als [medeverdachte] het hebben, steeds de verdachte wordt bedoeld.

Met betrekking tot de verklaring van [slachtoffer 1] over hetgeen zich heeft afgespeeld in de auto op het industrieterrein in Amsterdam-Noord overweegt het hof het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de herinneringen van iemand aan stressvolle gebeurtenissen niet altijd even accuraat zijn. In dat verband bestaat bij het hof gerede twijfel over de juistheid van de aanduiding door [slachtoffer 1] van de persoon die op hem heeft geschoten. Vast staat evenwel dat hij is beschoten en dat hij is geraakt in zijn borst, terwijl hierbij uitsluitend twee personen, te weten de verdachte en [medeverdachte], aanwezig waren. Die verklaring van [slachtoffer 1] wordt immers gedragen door andere bewijsmiddelen (proces verbaal van bevindingen, dossier pagina’s 139-149 en letselverklaring, dossier pagina 133). In het bijzonder wordt [slachtoffer 1]’s lezing dat sprake was van een schietpartij niet alleen ondersteund door de verklaring van [medeverdachte], maar ook uit munitieonderzoek nadien (proces-verbaal, dossier pagina’s 376-379).

Het hof leidt verder uit het dossier af dat de verdachte en [medeverdachte] vóór de autorit enkele malen telefonisch contact met elkaar hebben gehad en tijdens de rit informatie hebben uitgewisseld met betrekking tot de plaats van bestemming, te weten een industrieterrein in Amsterdam-Noord waar de schietpartij heeft plaatsgevonden (aangifte [slachtoffer 1] dossierpagina 11).

Uit de verklaring van [slachtoffer 1], die, zoals hierboven vermeld, op dit punt consistent wordt geacht, leidt het hof verder af dat verdachte en [medeverdachte], die zich ten tijde van het schieten in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer bevonden, gezamenlijk zijn opgetrokken en dat geen van beiden zich van enige actie van de ander heeft gedistantieerd of die heeft proberen te voorkomen.

Dit leidt het hof ook af uit de omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte], nadat [slachtoffer 1] was beschoten, deze op het industrieterrein hebben achtergelaten en met de auto, daarover als heer en meester beschikkend, zijn weggereden, waarna de verdachte in Amsterdam uit de auto is gestapt, en [medeverdachte] de auto heeft geparkeerd en achtergelaten (proces-verbaal van bevindingen dossierpagina’s 136-137).

Verdachte noch [medeverdachte] heeft de politie of iemand anders op de hoogte gebracht van de plaats waar of de toestand waarin het slachtoffer [slachtoffer 1] is achtergelaten.

Het hof zal derhalve wel acht slaan op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [medeverdachte] en verwerpt het verweer van de raadsvrouw op dat punt

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de volgende vaststelling.

In de avond van 8 mei 2008 hebben de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 1] vanuit Leiden naar een industrieterrein in Amsterdam-Noord gebracht.

Nadat [slachtoffer 1] op dat industrieterrein in de auto is bedreigd, is door de verdachte of [medeverdachte] een vuurwapen tevoorschijn gehaald waarmee [slachtoffer 1] in de borst is geschoten. Vervolgens is [slachtoffer 1] uit de auto getrokken en achter gelaten. Na het schieten is de verdachte met [medeverdachte] in de auto weggereden, daarover als heer en meester beschikkend, waarna de verdachte in Amsterdam uit de auto is gestapt en [medeverdachte] de auto daarna heeft achtergelaten (proces verbaal bevindingen, dossier pagina’s 136-137).

Verdachte noch [medeverdachte] heeft de politie of iemand anders op de hoogte gebracht van de plaats waar of de toestand waarin het slachtoffer [slachtoffer 1] is achtergelaten.

Uit hetgeen hiervoor is vastgesteld leidt het hof af, dat sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij de rit van Leiden naar Amsterdam en het schieten op [slachtoffer 1].

Daarbij is het antwoord op de vraag wie van beiden heeft geschoten niet van belang voor de bewezenverklaring. Bij medeplegen zijn de afzonderlijke daders immers gezamenlijk verantwoordelijk voor de gedragingen van ieder van hen alsmede de gevolgen daarvan.

Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw gevoerde verweer, dat de verdachte niet degene was die heeft geschoten en hij zich simpelweg niet kon distantiëren van de handelingen van [medeverdachte] wordt door het hof om de hiervoor genoemde reden verworpen.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] nu is geschoten is op het bovenlichaam van [slachtoffer 1]. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] dodelijk door de kogel zou worden geraakt.

feit 4

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de bevindingen van de verbalisanten rechtstreeks voortvloeien uit onrechtmatig handelen van de politie en als verboden vruchten dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu geen toestemming tot doorzoeking van de auto is gegeven door de verdachte of zijn medepassagier.

De raadsvrouw heeft evenwel naar het oordeel van het hof geen enkel concreet aanknopingspunt gegeven voor die stelling. Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte geen toestemming tot de doorzoeking van de auto heeft gegeven, gaat de raadsvrouw eraan voorbij dat de verdachte wegrende voor hem iets kon worden gevraagd en bovendien dat de auto toebehoorde aan verdachte’s medepassagier, [medepassagier], die mondeling toestemming heeft gegeven aan de verbalisanten om haar auto te doorzoeken. Zij heeft daarbij verklaard, dat kort voor de auto tot stilstand kwam door verdachte een wapen in haar schoot was gegooid (proces-verbaal van verhoor van 13 juli 2008, proces-verbaalnummer 2008235995-14). Bij gebreke van enige nadere onderbouwing verwerpt het hof dit verweer.

feit 5

De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven - betoogd, dat de verklaringen van het slachtoffer (hierna: [slachtoffer 3]) en diens partner (hierna: [partner]) voor de beoordeling van het bewijs geen rol mogen spelen, omdat zij afkomstig zijn van personen, die “aan dezelfde kant staan” en bovendien veel tegenstrijdigheden bevatten, zodat aan de betrouwbaarheid van die verklaringen moet worden getwijfeld.

Tevens heeft de raadsvrouw gesteld, dat aan een enkelvoudige foto-confrontatie geen waarde mag worden toegekend.

Nu er anders dan de verklaringen van [slachtoffer 3] en [partner] geen enkel direct bewijs is dat de verdachte daadwerkelijk ter plekke is geweest, verzoekt zij het hof de verdachte vrij te spreken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 8 november 2008 bevindt [slachtoffer 3] zich samen met [partner] in hun etagewoning aan de [adres] te Amsterdam. Hij wordt wakker gemaakt doordat er hard wordt gebeld. [partner] stapt uit bed en gaat kijken. [slachtoffer 3] hoort haar tegen iemand praten. [partner] spreekt door het raam met een persoon die zij kent als “[B.]”. [B.] zegt tegen haar dat hij met haar wil praten en zegt ‘I know your husband is dead already. I warn what I’m going to do with this one’. [B.] zegt dat hij twee pistolen en een kogelwerend vest heeft. De dochter van [partner] zegt tegen [slachtoffer 3] dat [B.] voor de deur staat. [slachtoffer 3] loopt daarop, met een mes in handen en gevolgd door zijn partner naar de voordeur beneden om [B.] te woord te staan. [slachtoffer 3] staat aan de binnenkant van de gesloten deur, [B.] aan de buitenkant. [B.] schreeuwt door de deur heen tegen [slachtoffer 3] en forceert de deur. [slachtoffer 3] ziet de deur open vliegen. Hij ziet dat [B.] een vuurwapen in zijn hand heeft en het op hem richt. [partner] hoort twee knallen, kort achter elkaar. Zij ziet [slachtoffer 3] naar de linkerzijde van zijn borst grijpen (proces-verbaal, dossier pagina’s 47-52, een proces-verbaal van verhoor van [partner] door de rechter-commissaris van 27 april 2009 en een proces-verbaal, dossier pagina’s 39-42).

De politie krijgt de melding om naar de [adres] te Amsterdam te gaan. Daar aangekomen zien verbalisanten een man – [slachtoffer 3] – op zijn rug liggen in het portiek van de woning. Zij zien dat er bloeddruppels op de tegels voor de deur en bloed ter hoogte van de linkerknie van het slachtoffer. Tevens zien zij een schotwond in de linkerzij ter hoogte van de onderkant van de ribbenkast (proces-verbaal, dossier pagina’s 1-3).

[partner] verklaart dat [slachtoffer 3] is neergeschoten door een man die zij kent als [B.]. Op

8 november 2008 wordt haar een foto getoond van verdachte. Zij verklaart dat zij verdachte herkent als zijnde de man die zij als [B.] kent (proces-verbaal, dossier pagina’s 31-32).

Ook [slachtoffer 3] herkent [B.] van een foto van de verdachte die hem wordt getoond. (proces-verbaal, dossier pagina’s 44-46).

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de herkenning door [partner] en [slachtoffer 3] van de verdachte via een zogenaamde enkelvoudige foto confrontatie in dit geval voldoende, nu beide getuigen de verdachte reeds tevoren kenden, zoals uit het dossier blijkt.

Gelet op genoemde verklaringen van [slachtoffer 3] en [partner] constateert het hof dat hun verklaringen over de toedracht op belangrijke punten overeen komen met de verklaring van onder meer de getuige [getuige 2] bij de politie (dossier pagina 002 en 003 en 056 t/m 58).

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [partner] en [slachtoffer 3] ook onderling consistent en er is geen enkele reden om aan te nemen dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn, ongeacht het feit dat [partner] de partner van het slachtoffer [slachtoffer 3] is.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw op dit punt.

De raadsvrouw heeft daarnaast nog aangevoerd dat er in elk geval van voorbedachte rade geen sprake is.

Ook dit verweer wordt verworpen op grond van het volgende.

De verdachte is voorzien van een vuurwapen naar de woning van [slachtoffer 3] gegaan. Aldaar roept hij tegen [partner] dat hij weet dat zij al één dode echtgenoot heeft en hij waarschuwt haar voor wat hij met haar nieuwe partner gaat doen. Vervolgens schiet hij, zodra hij de buitendeur heeft weten te openen tweemaal van korte afstand op [slachtoffer 3] waarbij hij hem in de borststreek raakt. Naar het oordeel van de hof volgt hieruit dat de verdachte met het vooropgezette plan om op [slachtoffer 3] te schieten naar diens woning is gekomen en bewust een confrontatie met [slachtoffer 3] is aangegaan. Daarbij heeft hij enige tijd voor een dichte deur staan schreeuwen, gedurende welke periode hij zich rekenschap heeft kunnen geven van de mogelijke gevolgen van zijn voorgenomen daad en een voor een alternatieve oplossing had kunnen kiezen. Evenwel, gelet op het feit, dat hij onmiddellijk nadat hij de deur had weten open te krijgen van korte afstand tweemaal op [slachtoffer 3] heeft geschoten heeft de verdachte naar het oordeel van het hof ook werkelijk de bedoeling gehad om zijn voorgenomen plan om [slachtoffer 3] om het leven te brengen uit te voeren.

Daarmee acht het hof de voorbedachte raad bewezen.

Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1 primair), het medeplegen van diefstal (feit 2), het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3), het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 4) en poging tot moord op [slachtoffer 3] (feit 5).

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit:

op 8 mei 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet die [slachtoffer 1] een kogel in de borst heeft geschoten;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit:

op 8 mei 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, een Ford Mondeo, toebehorende aan [slachtoffer 2];

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit:

op 8 mei 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van

categorie III en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit:

op 13 juli 2008 te Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen voorzien van merkaanduiding CZ, model 83, kaliber 9 mm, merk Makarov, en munitie van categorie III, te weten 7 kogelpatronen van het kaliber 9 mm Makarov, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit:

op 8 november 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg naar die [slachtoffer 3] is toegegaan en meermalen met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 3] heeft afgevuurd, welke kogels het lichaam van die [slachtoffer 3] zijn binnengedrongen

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

medeplegen van poging tot doodslag;

ten aanzien van het 2 bewezen verklaarde

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het 3 bewezen verklaarde

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot tien jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van EUR 4.000,-, en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toegewezen tot een bedrag van EUR 4.000,-, telkens onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36 f Sr, en bepaald dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vordering zijn.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van een auto en het medeplegen van poging tot doodslag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtredingen van de Wet wapens en munitie en een poging tot moord. Verdachte is met een medeverdachte en het latere slachtoffer, vergezeld van een vuurwapen, in een auto naar een industrieterrein gereden. Daar hebben verdachte of zijn medeverdachte het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer is vervolgens uit de auto getrokken en achtergelaten, waarna verdachte samen met zijn mededader ook de auto heeft meegenomen. Het is geenszins aan het gedrag van de verdachte en zijn mededader te danken dat het slachtoffer niet het leven heeft gelaten.

Daarnaast is verdachte naar de woning van [slachtoffer 3] gegaan met het vooropgezette plan om hem op hem te schieten. Hij heeft dit vervolgens ook gedaan en [slachtoffer 3] zonder pardon in de borst geschoten.

Het mag een wonder heten, dat het slachtoffer de moordaanslag heeft overleefd.

De verdachte schrikt niet terug voor het gewelddadige gebruik van vuurwapens om conflicten die hij met anderen meent te hebben op te lossen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten zeer traumatisch zijn voor de slachtoffers, die daarvan in de regel nog lange tijd de psychische gevolgen ondervinden. Delicten als de onderhavige dragen voorts een voor de rechtsorde schokkend en ontwrichtend karakter en brengen hevige gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee voor burgers, in het bijzonder diegenen die rechtstreeks met dergelijke schietpartijen worden geconfronteerd.

Door zijn gedragingen heeft de verdachte bovendien een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 oktober 2010 is de verdachte eerder ter zake van een overtreding van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287, 289 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 9791,35, zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat een bedrag van EUR 4111,75 (te weten de met een factuur onderbouwde kosten van opname in het ziekenhuis ad EUR 111,75 vermeerderd met een bedrag voor immateriële schadevergoeding ad EUR 4.000) van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade tot een bedrag ad EUR 4.000 als gevolg van het aan verdachte onder 4 en 5 ten laste gelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voor zover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te Leiden, een bedrag van EUR 4.111,75 (vierduizend honderdelf euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voor zover aan de zijde van de verdachte gevallen, op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 4.111,75 (vierduizend honderdelf euro en vijfenzeventig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 51 (eenenvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 5 bewezenverklaarde en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3], wonende te Amsterdam, een bedrag van EUR 4.000,00 (vierduizend euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 4.000,00 (vierduizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 3].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. P.C. Kortenhorst en mr. H.A. Holthuis, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2010.