Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BY2085

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-005960-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (tweemaal) en doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005960-09

datum uitspraak: 9 juli 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-447964-07 en 13-442567-08 (onderscheidenlijk zaak A en zaak B) tegen

[Verdachte ],

geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ],

thans gedetineerd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 april en 25 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging tenlastelegging zijn kopieën van de inleidende dagvaardingen (met de daarin vermelde tenlastelegging) en van de vordering wijziging tenlastelegging gevoegd bij dit arrest.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. In het in zaak A onder 5 ten laste gelegde leest het hof in plaats van [R. R.] : {G. R}.

De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de verdachte in hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde. Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2010 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze vrijspraak door het hof wordt bevestigd. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, de verdachte en het openbaar ministerie in zoverre niet ontvangen dienen te worden in het door hen ingestelde hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 impliciet primair, 2, 3, 6, 8, eerste gedeelte en in zaak B onder 1 en 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de vrijspraak van het in zaak A onder 1 impliciet primair ten laste gelegde zal het hof verderop in dit arrest ingaan.

Overweging bij de vrijspraak van het met betrekking tot het onder A 2 en A 3 en A6 ten laste gelegde.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 2, 3 en 6 tenlastegelegde en daarbij naar voren gebracht welke bewijsmiddelen daarvoor aanwezig zijn.

- Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en 3 tenlastegelegde in verband met het verhoor van de verdachte op 8 november 2007.

De raadsvrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik voor het bewijs van de feiten A2 (brandstichting op 26 april 1996) en A3 (poging tot doodslag, subsidiair zware mishandeling met betrekking tot [W] op 27 april 1996) van twee passages uit de verklaring van haar cliënt, zoals opgenomen in het politie proces-verbaal van het verhoor op 8 november 2007. Het gaat om het telkens als “ja” weergegeven antwoord op de vragen: “Later gaan we daar gedetailleerd op in, alleen de vraag is: heeft u brand gesticht?” en “heeft u de vrouw gewurgd?”.

Het bezwaar van de verdediging is gelegen in vermeende onduidelijkheid met betrekking tot de gang van zaken bij de vertaling van de antwoorden: in het Nederlands: “ja”, of in het Arabisch “la” (hetgeen in het Arabisch juist “neen”betekent).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier gaat om een in een ambtsedig proces-verbaal en door de verdachte na voorlezing ondertekende verklaring die daarom voor het bewijs kan worden gebruikt.

Met betrekking tot de inhoud van het in een proces verbaal van 11 bladzijden weergegeven verhoor van 8 november 2007 stelt het hof vast dat de hierboven weergegeven passages volgen na zes pagina’s weergave van vragen en antwoorden met betrekking tot het onder A1 ten laste gelegde. Het nieuwe onderwerp wordt door de verbalisanten ingeleid met een verwijzing naar de conversatie die de verdachte in het vliegtuig waarmee hij na zijn aanhouding in Spanje naar Nederland werd gebracht heeft gehad met zijn begeleiders. De verdachte reageert daarop, zeggende dat hij in het vliegtuig heeft gevraagd waarom hij naar Nederland werd gebracht en dat hij als antwoord kreeg dat hij werd verdacht van een brand, het steken van een Engelse man, de moord op een man en het wurgen van een vrouw.

De daaropvolgende twee vragen van de verbalisanten hebben evenwel weer betrekking op het onder A1 ten laste gelegde. Het verhoor wordt dan voortgezet met de vraag: “De andere feiten kloppen die wel?”, waarop de verdachte antwoordt: “Ik vertel wat de politie mij vertelt”; daarna volgen de twee eerder weergegeven vragen en antwoorden. Verder worden er geen vragen gesteld ten aanzien van deze feiten en ook door de verdachte wordt niet nader ingegaan op de brand of het wurgen.

Het hof is van oordeel dat de vragen niet alleen qua context maar ook overigens, in het bijzonder ten aanzien van de aanduiding van plaats en tijd, zodanig vaag zijn dat aan de daarop niet van verdere toelichting voorziene antwoorden onvoldoende betekenis kan worden gegeven in verband met het onder A2 en A3 ten laste gelegde.

Het hof zal daarom deze onderdelen van de verklaring van de verdachte – wat er overigens zij van de juistheid van hun vertaling - buiten beschouwing laten. Het verweer op dit punt behoeft daarom geen verdere bespreking.

- Overigens ten aanzien van zaak A onder 2 ten laste gelegde

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd als volgt.

[W] heeft tegenover de politie verklaard dat zij, nadat zij ontdekte dat er brand was in haar kamer, de verdachte daar heeft gezien en dat deze met een brandende toorts een beweging maakte richting de vloer. Verder verklaart zij dat in de kamer een afgesloten fles benzine stond en mogelijk lampenolie.

Door agenten die zich naar de brand hebben begeven is opgemerkt dat de brand een ‘plotselinge ontwikkeling’ had vertoond en dat naar hun inschatting een omgevallen kaars de brand niet kan hebben veroorzaakt. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte tegen hem zei dat hij brand had gesticht.

De verdachte heeft niet betwist dat hij op 27 april 1996 vlak vóór en ten tijde van de brand aanwezig was in het aan de [adres ] gelegen kraakpand. Evenals de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat de brand in eerste instantie is ontstaan in de kamer van [W].

Er is geen technisch onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand, in het bijzonder niet naar het gebruik van eventuele brandversnellende middelen of de mogelijkheid dat omgevallen brandende kaarsen een rol hebben gespeeld. Daarnaast staat vast dat zich een worsteling heeft afgespeeld tussen [W] en de verdachte. Noch [W], noch anderen hebben gezien dat de verdachte de brand daadwerkelijk heeft aangestoken. Het hof kan daarom niet uitsluiten dat de brand per ongeluk is ontstaan. De verklaring van [getuige] maakt dat oordeel niet anders, temeer niet omdat [getuige] later heeft weersproken dat de verdachte een dergelijke mededeling heeft gedaan.

De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 tenlastgelegde.

- Overigens ten aanzien van zaak A onder 3 ten laste gelegde

[W] heeft verklaard dat zij op 27 april 1996 zowel een metalen ketting als een nylon koord om haar nek droeg. In de hals van [W] is een tweetal rode striemen waargenomen door de verbalisanten die haar verklaring hebben opgenomen. Bovendien heeft [K] gezien dat [W] en de verdachte met elkaar in gevecht waren toen hij de kamer binnenkwam, hetgeen de aangifte inhoudelijk ondersteunt, aldus de advocaat-generaal.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat behalve de verklaring van [W], het dossier geen aanwijzingen bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem in zaak A onder 2 ten laste is gelegd. Het dossier bevat behalve de verklaring van [W] geen gegevens met betrekking tot een door haar gedragen nylonkoord en de mogelijkheid dat daarmee verwurging had kunnen plaats vinden. Een waarneming op dit punt door de politie ontbreekt en de wel waargenomen striemen in de hals van [W] kunnen zeer wel veroorzaakt zijn door het stuktrekken van de ketting waarvan [W] melding maakt in haar verklaring. Dat [K] heeft gezien dat de verdachte en [W] met elkaar aan het worstelen waren maakt dat oordeel niet anders, temeer omdat hetgeen [K] heeft waargenomen – hij zag dat de verdachte [W] bij haar buik had vastgepakt - geen aanwijzing inhoudt dat de verdachte heeft getracht [W] te verwurgen. Het hof zal de verdachte daarom ook van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde vrijspreken.

Zaak A onder 6

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de als poging tot doodslag/zware mishandeling ten laste gelegde handelingen tegen [R] op 27 april 1996. Onduidelijk is gebleven met welk voorwerp [R] tegen de benen zou zijn geslagen en het dossier bevat naast de verklaring van [R] zelf geen letselverklaring of andere waarneming van letsel dat zou zijn opgelopen. Mitsdien volgt vrijspraak van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 impliciet subsidiair, 4, 5, 7, 8, tweede gedeelte en in zaak B onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde

hij op 8 mei 1996 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een vuurwapen een kogel op het hoofd van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde

hij op 27 april 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [K] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes meermalen stekende bewegingen in de richting van het hoofd van die [K] heeft gemaakt en met dat mes in diens arm en neus heeft gestoken en/of gesneden en meermalen in het been van die [K] heeft gestoken.

ten aanzien van het in zaak A onder 5 tenlastegelegde

hij op 12 april 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [R] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal met een mes een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [R] heeft gemaakt en met dat mes in de linkerhand van die [R] heeft gestoken.

ten aanzien van het in zaak A onder 7 tenlastegelegde

hij op 27 april 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een hakmes een slaande beweging in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en met dat hakmes eenmaal tegen de arm van die [slachtoffer 2] heeft geslagen.

ten aanzien van het in zaak A onder 8, tweede gedeelte tenlastegelegde

hij op 5 mei 1996 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een stuk spiegelglas in het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en met kracht met een houten stok meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen.

ten aanzien van het in zaak B onder 2, subsidiair tenlastegelegde

hij op 2 april 2008 te Haarlem opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] meermalen met een zak met daarin een DVD-speler tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen in zaak A onder 1 impliciet subsidiair, 4, 5, 7, 8, tweede gedeelte en in zaak B onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Evenals in eerste aanleg staat in hoger beroep ter discussie of in het dossier opgenomen verklaringen van de verdachte, afgelegd tegenover begeleiders van de Koninklijke Marechaussee, tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Ten eerste hebben zowel de verdediging als de advocaat-generaal zich uitgelaten over de toelaatbaarheid van de verklaringen die de verdachte op 7 november 2007 heeft afgelegd tegenover Opperwachtmeester [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, die hem begeleidde tijdens zijn overlevering van Spanje aan Nederland.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat al hetgeen zich tussen de verdachte en zijn begeleiders heeft afgespeeld dient te worden gekwalificeerd als een verhoor ex artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat de verdachte mitsdien de cautie had moeten worden gegeven, hetgeen niet is gebeurd. Een en ander dient ertoe te leiden dat deze verklaringen van de verdachte van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft geoordeeld dat hetgeen de verdachte bij de overdracht van de verdachte door de Spaanse politie aan [verbalisant] op de luchthaven van Palma de Mallorca ongevraagd en spontaan heeft verklaard en in gebaren heeft getoond kan bijdragen tot het bewijs en dat het gedeelte dat volgde op gerichte vragen van [verbalisant] daarvan dient te worden uitgesloten wegens het ontbreken van de cautie.

Het hof oordeelt dienaangaande als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 2 oktober 1979 geoordeeld dat als een verhoor in de zin van artikel 29 Sv beschouwd dient te worden “alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit”. Naar het oordeel van het hof kan daaronder redelijkerwijs niet begrepen te worden de ‘spontane’ verklaring die de verdachte op 7 november 2007 heeft afgelegd op het vliegveld van Palma de Mallorca. Toen [verbalisant] de verdachte mededeelde dat hij en zijn collega’s de verdachte zouden escorteren naar Nederland, onderbrak de verdachte hem en verklaarde hij dat hij wist dat hij ervan werd verdacht iemand in Amsterdam te hebben doodgeschoten, waarbij hij gebaren maakte die door [verbalisant] zijn geïnterpreteerd als het doorladen van een denkbeeldig vuurwapen en het vervolgens door de verdachte afvuren van dat wapen.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hetgeen de verdachte tijdens de vlucht van Barcelona naar Amsterdam heeft geantwoord op vragen van [verbalisant] dient te worden uitgesloten van het bewijs. [verbalisant] heeft de verdachte immers vragen gesteld die specifiek betrekking hadden op de strafbare feiten waarvoor de verdachte aan Nederland werd overgeleverd, zodat die verklaring geacht wordt te zijn afgelegd in een verhoorsituatie als bedoeld in artikel 29 Sv, terwijl de verdachte daarvoor niet de cautie was gegegeven. Het hof zal dat deel van het relaas van de verdachte van het bewijs uitsluiten.

Met betrekking tot hetgeen door de verdachte in Palma de Mallorca is gezegd overweegt het hof dat – gelet op de omstandigheden waaronder het gesprek tussen de verdachte en [verbalisant] heeft plaatsgevonden en de twijfel die het hof heeft met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal door de verdachte – aan deze mededelingen en gebaren in bewijstechnische zin onvoldoende betekenis kan worden gegegeven.

Zaak A onder 1

Met betrekking tot het in zaak A onder 1 tenlasteglegde feit heeft de verdediging – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte weliswaar ter plekke was toen [slachtoffer] dodelijk getroffen werd door een kogel uit een vuurwapen, maar dat hij niet de schutter is geweest, zoals hem is tenlastegelegd en door de rechtbank in eerste aanleg bewezen is verklaard.

Ter toelichting heeft de raadsvrouw, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. De verdachte verbleef destijds illegaal in Nederland en voorzag in zijn bestaan met de handel in harddrugs, die hij kocht in café Tavla van onder meer de in het dossier genoemde [dealers]. Hij betaalde de drugs niet altijd met geld, maar soms ook met wapens.

Op 8 mei 1996, zo verklaarde de verdachte op 8 november 2007 tegenover de politie, was hij in het café aanwezig en in het bezit van een pistool. [dealer] heeft toen te kennen gegeven dat hij het wapen wilde kopen en dat de transactie buiten het café moest plaatsvinden. De verdachte, [dealer] en twee of drie anderen zijn vervolgens naar buiten gegaan, de verdachte heeft het magazijn uit het pistool gehaald en het pistool aan [dealer] gegeven. Nadat [dealer] het pistool ter hand had genomen klonk een schot en viel een persoon, [slachtoffer], neer. De verdachte heeft als mogelijke verklaring geopperd dat in de kamer van het pistool nog een patroon aanwezig is geweest en dat [dealer], die geen verstand van vuurwapens had, het wapen per ongeluk liet afgaan.

Bij het uitvoeren van het door Independent Forensic Services (hierna: IFS) verzorgde onderzoek naar de schootsafstand heeft de onderzoeker zich, aldus de raadsvrouw, laten leiden door de conclusie van een rapport van het Nederlands Forensisch Insitituut (hierna: NFI) van 29 februari 2008 die later is herroepen. Daarnaast is het onderzoek verricht aan de hand van een klein aantal foto’s van slechte kwaliteit, die volgens de onderzoeker met de nodige voorzichtigheid dienen te worden beoordeeld. De conclusies van dit rapport kunnen dan ook niet tot bewijs worden gebezigd, aldus de raadsvrouw.

Het door het NFI uitgebrachte rapport van 5 februari 2009 is wél betrouwbaar en de conclusie dat de schootsafstand tussen de 0 en de 50 centimeter heeft bedragen strookt met de verklaring van de verdachte dat de onderlinge afstand tussen de aanwezigen klein was.

De verklaring van de verdachte wordt naar het oordeel van de raadsvrouw bovendien bevestigd door de waarneming van de getuige [getuige 2] die vanaf het balkon van haar woning heeft gezien dat een viertal mannen ter hoogte van de rijbaan in een groepje bij elkaar stond en ogenschijnlijk ruzie met elkaar aan het maken was. Op een gegegeven moment hoorde [getuige 2] een knal en zag zij dat een van de mannen van het groepje op de grond viel. Een andere man rende vervolgens weg, stapte in een auto en reed met hoge snelheid weg. Aan de verklaring van [getuige 2] dient bijzondere bewijswaarde te worden toegekend omdat zij geen van de betrokkenen kende en zij vrij snel na de schietpartij haar verklaring heeft afgelegd, aldus de raadsvrouw.

Naar haar oordeel zijn de verklaringen van de getuigen [dealer], [getuigen 3,4 en5] inconsistent en onbetrouwbaar, ondermeer omdat deze getuigen onderlinge banden hebben en zij de inhoud van hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd om hun eigen rol te minimaliseren en om [dealer] of zichzelf te ontlasten en de verdachte te belasten. Hun verklaringen sluiten ook niet aan op die van [getuige 2], nu [dealer] en [dealer 2] hebben verklaard dat zij niet bij de dader en het slachtoffer stonden toen het schot viel. Dat de getuigen hun verklaringen onderling hebben afgestemd wordt geschraagd door de verklaring van [getuige], die op 9 mei 1996 heeft verklaard dat hij op 8 mei 1996 in het café was en dat daar eveneens aanwezig waren [dealer], alsmede [aanwezigen ], die geen getuige zijn geweest van de schietpartij. Er werd in aanwezigheid van [getuige] gesproken over hetgeen zich volgens hen in de vroege ochtend van 8 mei 1996 had afgespeeld. Een en ander duidt er volgens de raadsvrouw op dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat de politie tijdens het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] te eenzijdig de aandacht heeft gericht op de verdachte en onvoldoende (technisch) onderzoek heeft verricht naar de mogelijke betrokkenheid als verdachte van andere aanwezigen, meer in het bijzonder [dealer]. De politie heeft zich daarbij vooringenomen ten opzichte van de verdachte opgesteld en zich laten leiden door een ‘tunnelvisie’, die slechts erop gericht was belastend bewijs tegen de verdachte te verzamelen.

Het hof overweegt met betrekking tot hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd als volgt.

- Door het NFI (schotrestenonderzoek door Ing R.C. Roepnarain, rapport van 29 januari 2008 en verbeterd rapport van 5 februari 2009) en IFS (Drs S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, arts en forensisch medisch onderzoeker, rapport van 6 juli 2009 en aanvullend rapport van 14 juli 2009) zijn onderzoeken uitgevoerd in verband met de schotverwonding die [slachtoffer] op 8 mei 1996 heeft opgelopen, met als doel vast te stellen op welke afstand de loop van het pistool zich bevond ten opzichte van het hoofd van het slachtoffer toen het schot viel. Het NFI heeft dat onderzoek verricht aan de hand van folie waarmee de schotverwonding was bemonsterd en sporen op het door het slachtoffer gedragen honkbalpetje. Op beide voorwerpen zijn volgens het NFI schotresten aangetroffen in de vorm van metaalresten en chemische restanten. Omdat in deze zaak slechts de kogel is aangetroffen en niet het wapen waarmee geschoten is, is een vergelijking gemaakt met de resultaten van een dertiental proefschotenseries met het zelfde kaliber patroon. De aangetroffen sporen wijzen, aldus het NFI in het verbeterd rapport van 5 februari 2009, op een schootsafstand van maximaal 25 centimeter, maar, omdat het NFI niet kon beschikken over het wapen en de munitie waarmee geschoten is, luidt de conclusie dat de schootsafstand tussen de 0 en 50 centimeter bedroeg.

- IFS heeft een forsensisch medische analyse met betrekking tot de schotwond uitgevoerd en daarbij een vergelijking gemaakt tussen hetgeen in het algemeen over schotwonden bekend is in de literatuur en de kenmerken van de schotwond van het slachtoffer zoals die zijn beschreven in het sectierapport en zijn vastgelegd op de foto’s die tijdens de sectie zijn gemaakt. De deskundige stelt, in het rapport van 6 juli 2009, dat de bevindingen zeer waarschijnlijk zijn als het gaat om een zogeheten contactschot en zeer onwaarschijnlijk indien het om een schootsafstand van méér dan 1 centimeter.

In het aanvullend IFS-rapport, dat is opgemaakt na lezing van de NFI-rapportage over de schootsafstand, komt de deskundige tot de conclusie dat de onderzoeken door NFI en IFS aanzienlijke steun verlenen aan de hypothese dat de schootsafstand 0 tot maximaal 1 centimeter heeft bedragen en dat forensisch medisch gezien er aanwijzingen zijn dat het schot een opgelegd schot betreft.

- Met betrekking tot de waardering van de conclusies van genoemde rapporten oordeelt het hof ten eerste dat zij elkaar niet uitsluiten of onderling tegenstrijdig zijn. Voorts is het hof van oordeel dat de door IFS opgestelde rapportage, die is gebaseerd op een vergelijking van de schotwond in het hoofd van [slachtoffer] met soortgelijke letsels – zijnde een andere, minder abstracte methode dan door het NFI is gehanteerd – voldoende duidelijk maakt dat de loop van het pistool tijdens het afvuren van het schot van een zeer korte afstand – tussen de 1 en 0 centimeter - op het hoofd van [slachtoffer] gericht is geweest. Mitsdien dient naar het oordeel van het hof de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over hetgeen zich op 8 mei 1996 heeft afgespeeld – te weten het per ongeluk afgaan van het pistool toen [dealer] het vasthield en bekeek - reeds daarom als niet aannemelijk terzijde te worden gesteld. Evenmin is er reden om dat scenario verder (technisch) te onderzoeken.

De stelling van de raadsvrouw dat de onderzoeker van IFS zich bij het verrichten van het onderzoek heeft laten leiden door een eerder onderzoek van het NFI van 29 januari 2008, is feitelijk onjuist; in het aanvullend rapport van IFS is weergegeven dat pas na de voltooiing van het medisch-forensisch onderzoek is kennisgenomen van de resultaten van het NFI-onderzoek. Hetgeen de raadsvrouw overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de rapportage van IFS – onder meer dat de kogel vanuit het jukbeen schuin naar boven is gedreven - is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, geen aanleiding de conclusie van die rapportage uit te sluiten van het bewijs.

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen overweegt het hof als volgt.

Vast staat dat de verdachte op 8 mei 1996 in café Tavla, gelegen aan de [straat ] te Amsterdam aanwezig was en in het bezit was van een geladen pistool. Voorts waren onder meer aanwezig het latere slachtoffer, [slachtoffer], en [dealer], [dealer 2] en [getuigen ]. Na sluitingstijd van het cafë zijn de verdachte, [slachtoffer], [dealer] en [dealer 2] en anderen naar buiten gegaan. [Getuige ] is in het café achtergebleven.

Met de raadsvrouw constateert het hof dat de afgelegde getuigenverklaringen op onderdelen niet overeenkomen dan wel elkaar uitsluiten, in het bijzonder voor zover het hun eigen positie en die van andere personen op of in de buurt van de plaats van het misdrijf betreft. Het hof heeft bij zijn beoordeling van de getuigenverklaringen deze in onderlinge samenhang bezien en daarbij in acht genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat waarnemingen van getuigen van een feit als het onderhavige nogal eens van elkaar verschillen zonder dat daarbij boos opzet – hetgeen verder overigens in het geheel niet aannemelijk is geworden - in het spel is. De enkele omstandigheid dat getuigen bekenden van elkaar zijn en dat zij nadien over het gebeurde gesproken hebben is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verklaringen op elkaar zijn gestemd, zeker niet in een situatie waarin ook uit de verklaringen zelf – door hun onderlinge verschillen – niet naar voren komt dat zij op elkaar zijn afgestemd. Daarnaast speelt een rol dat de verdachte – anders dan de andere aanwezigen die meteen of binnen enkele dagen na gebeurde zijn gehoord - eerst zeer geruime tijd na het feit kon worden gehoord.

Het hof laat de verklaringen die door [dealer] en [dealer 2] bij de rechter-commissaris zijn afgelegd in 2008 buiten beschouwing omdat na een tijdsverloop van 12 jaar niet verwacht mag worden dat verklaringen op detailniveau voldoende accuraat zijn om tot het bewijs te worden gebezigd. Bovendien hebben beide getuigen te kennen gegeven dat zij in hoofdzaak bij hun eerder afgelegde verklaring blijven.

Moord of doodslag?

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De verdachte had immers in de nacht van 7 op 8 mei 1996 een pistool bij zich en hij toonde dat aan andere bezoekers van het door hem en door [slachtoffer] bezochte café. Na een woordenwisseling op straat met [slachtoffer] heeft de verdachte het wapen gepakt, doorgeladen en daarmee van een zeer korte afstand [slachtoffer] door het hoofd geschoten. Omdat hij het wapen moest doorladen alvorens hij het schot kon lossen had hij, aldus de advocaat-generaal, voldoende gelegenheid om zich te beraden op zijn voorgenomen misdrijf.

Daarnaast is volgens de advocaat-generaal de loop van het vuurwapen (zo goed als) tegen het hoofd van het slachtoffer gezet hetgeen lijkt op een executie en dat verdraagt zich niet met een situatie waarin de dader in een opwelling op het slachtoffer schiet. De uiterlijke kenmerken van het handelen van de verdachte leiden tot de conclusie dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt dienaangaand als volgt.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is nodig dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Er dient sprake te zijn geweest van kalm beraad en rustig overleg aan de kant van de verdachte.

De verdachte heeft ontkend te hebben geschoten. Het hof zal daarom de vraag of het of er sprake is van moord of doodslag slechts kunnen beantwoorden aan de hand van de waargenomen gedragingen van de verdachte en andere omstandigheden die met het feit verband houden.

Uit niets blijkt dat de verdachte op 8 mei 1996 naar café Tavla is gegaan om [slachtoffer] om het leven te brengen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting maakt het hof op dat [slachtoffer] in het café de verdachte er op heeft aangesproken toen die met een pistool aan het spelen was. Datzelfde is buiten het café opnieuw gebeurd. Voor zover daar al een motief aan kan worden ontleend voor de verdachte om [slachtoffer] om het leven te brengen, levert dit gegeven, naar het oordeel van het hof, op zichzelf nog geen aanwijzing op dat de verdachte heeft gehandeld na een tevoren genomen besluit en kalm beraad en rustig overleg.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit evenmin uit de uiterlijke kenmerken van het handelen van de verdachte kan worden afgeleid. Geen der aanwezigen verklaart dat het wapen – dat overigens niet is aangetroffen - door de verdachte werd doorgeladen. Ook de omstandigheid dat de loop van het wapen zich toen het schot afging tegen of vlak bij het hoofd van [slachtoffer] bevond is naar het oordeel van het hof op zich en in verband met het voorgaande onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van voorbedachte raad.

De uiterlijke kenmerken sluiten naar het oordeel van het hof geenszins uit dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld, hetgeen past bij de ruzieachtige sfeer binnen het groepje mannen, zoals waargenomen door de getuige [getuige 2] en het lichtgeraakte gedrag van de verdachte zoals dat ook naar voren komt uit de andere feiten waarover het hof te oordelen heeft. Het hof zal de verdachte mitsdien vrijspreken van het daarop betrekking hebbende bestanddeel van het in zaak A onder 1 impliciet primair ten laste gelegde en het bewezenverklaarde kwalificeren als doodslag.

Zaak A onder 4 en 7

[K] heeft verklaard dat de verdachte hem op 27 april 1996 met een mes te lijf is gegaan en dat de verdachte met dat mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt richting zijn hals, die hij met zijn armen heeft moeten afweren. [K] is daarop een trap opgevlucht, de verdachte heeft hem achtervolgd en [K] daarbij een aantal keren diep met het mes in zijn benen gestoken.

De verdachte heeft op dezelfde datum met een hakmes [slachtoffer 2] aangevallen. Zowel [slachtoffer 2] zelf als getuige [getuige ] hebben verklaard dat de verdachte met een hakmes een hakkende beweging heeft gemaakt naar het hoofd van [slachtoffer 2] en dat deze slechts door het opheffen van zijn arm kon voorkomen dat zijn hoofd werd geraakt.

Door met een dergelijk wapen slaande en hakkende bewegingen te maken in de richting van het hoofd van respectievelijk [K] en [slachtoffer 2], zoals hiervoor weergegeven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hen dodelijk zou verwonden. De gedragingen van de verdachte zoals beschreven zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte willens en wetens telkens deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Het hof acht daarom het opzet – in voorwaardelijke zin – op de dood van [K] en [slachtoffer 2] bewezen.

Zaak A onder 5

Door [R] met een met mes te benaderen en met kracht een zwaaiende beweging in de richting van diens borst te maken heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [R] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. [R] heeft dit weten te voorkomen door het mes beet te pakken, waarna hij een verwonding aan die hand opliep.

Zaak A onder 8, tweede deel

Door [slachtoffer 2] in het gezicht te steken en deze meermalen zo hard met een stok op het lichaam te slaan dat daarbij twee ribben braken heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij uit noodweer heeft gehandeld toen hij door [B] en [R] werd aangevallen en hij zich tegen deze aanval moest verweren

Het hof verwerpt het beroep op noodweer omdat de omstandigheden van het geval daaraan in de weg staan.

Zowel [R] als [B] hebben verklaard dat de verdachte met een mes in zijn hand in op zoek was naar [W] en dat hij niet reageerde op hun dringende verzoeken het pand te verlaten. Dat [R] de verdachte met een stok heeft geslagen doet aan dat oordeel niet af omdat de verdachte daarna achter [R], die de kamer van [W] in vluchtte, is aangelopen en hem in die kamer zwaaiend met een mes te lijf is gegaan. Uit voormelde omstandigheden leidt het hof af dat verdachte de confrontatie met [R] heeft gezocht, althans niet uit de weg is gegaan, terwijl de verdachte ook voor dat laatste voldoende gelegenheid heeft gehad. De gebodenheid van de zelfverdediging is daarmee niet vast komen te staan en de rechtbank zal om die reden het beroep op noodweer verwerpen.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde

doodslag.

ten aanzien van het in zaak A onder 4 bewezen verklaarde

poging tot doodslag.

ten aanzien van het in zaak A onder 5 bewezen verklaarde

poging tot zware mishandeling.

ten aanzien van het in zaak A onder 7 bewezen verklaarde

poging tot doodslag.

ten aanzien van het in zaak A onder 8, twee gedeelte bewezen verklaarde

poging tot zware mishandeling.

ten aanzien van het in zaak B onder 2, subsidiair bewezen verklaarde

mishandeling.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 subsidiair ten laste gelegde:

mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1, 4, 5, 7, 8, tweede gedeeldte en in zaak B onder 2, subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8, tweede gedeelte en in zaak B onder 2, subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich binnen een periode van minder dan één maand schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige geweldsmisdrijven, waarbij hij één persoon opzettelijk van het leven heeft beroofd. Tijdens het onderzoek door de politie en ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is niet duidelijk geworden wat de verdachte heeft bewogen [slachtoffer] dood te schieten. Het slachtoffer stond in zijn omgeving goed bekend. Met zijn dood is [slachtoffer] het meest fundamentele recht, te weten het recht te leven, ontnomen. Door de handelwijze van de verdacht hebben zijn echtgenote en hun kinderen bovendien een echtgenoot en vader verloren en is hen onherstelbaar leed aangericht. Dergelijke misdrijven dragen bovendien een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en zij brengen bij omstanders en andere betrokkenen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Naast de bewezenverklaarde doodslag heeft de verdachte op 27 april 1996 gepoogd twee medebewoners van het kraakpand waarin zijn vriendin [W] destijds verbleef om het leven te brengen. Eerst heeft de verdachte [K] - toen deze reageerde op hulpgeroep van [W] - met een mes aangevallen, hem achtervolgd en meerdere malen met een mes gestoken totdat [K] zich in veiligheid wist te brengen. Vervolgens heeft de verdachte zich gekeerd tegen [slachtoffer 2] door hem in zijn kamer aan te vallen met een hakmes en daarbij een hakkende beweging richting diens hoofd te maken.

Het is telkens geenszins aan het handelen van de verdachte te danken geweest dat die dag geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Zowel [slachtoffer 2] als [K] moeten die avond doodsangsten hebben uitgestaan en het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke schending van de lichamelijke integriteit langdurige psychische gevolgen met zich meebrengen.

De verdachte heeft voorts op 5 mei 1996 wederom [slachtoffer 2] aangevallen en heeft daarbij getracht hem zwaar lichamelijk letstel toe te brengen door hem met een stuk glas en een stok te lijf te gaan. Op 12 april 1996 heeft de verdachte een andere bewoner van het kraakpand, [R], met een mes aangevallen en hem daarbij in zijn hand gestoken. Ook dit misdrijf is door het hof als zware mishandeling gekwalificeerd.

Tot slot heeft de verdachte zich tegen een medewerker van een penitentiaire inrichting gekeerd door hem met een dvd speler op het hoofd te slaan, waardoor deze persoon letsel en pijn heeft ondervonden.

De door de verdachte gepleegde delicten roepen het beeld op van een excessief gewelddadige en agressieve persoon, die niet duldt dat anderen hem aanspreken op zijn gedrag.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van een door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie opgemaakt rapport ten aanzien van – kort gezegd – verdachte’s geestelijke gezondheid in relatie tot de aan hem tenlastegelegde feiten. Aan het daarvoor noodzakelijke psychologisch en psychiatrisch onderzoek heeft de verdachte niet mee willen werken. Daarom heeft een volledig gedragskundig onderzoek van de verdachte niet kunnen plaatsvinden.

Voor zover het onderzoek wel informatie heeft opgeleverd zijn de deskundigen van oordeel dat die niet zodanig van aard was dat op grond daarvan een stoornis bij de verdachte kon worden vastgesteld.

Op basis van observaties en de beschikbare informatie geen aanwijzingen gevonden voor psychotische symptomen en naar het oordeel van de deskundigen heeft de verdachte zijn medewerking niet op pathologische gronden geweigerd. Noch is er geen sprake van dat de verdachte het onderzoek niet zou kunnen hebben begrijpen door grove psychopathologie, zoals een te gebrekkige intelligentie of een verwardheidstoestand.

Door de weigering van de verdachte zijn medewerking te verlenen is geen advies uitgebracht over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van de TBS-maatregel. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft één van de rapporteurs, J.M. Oudejans, de bevindingen in het rapport bevestigd en heeft hij verklaard dat op grond van de beschikbare observaties en (dossier)informatie geen stoornis bij de verdachte kan worden vastgesteld. Evenals de rechtbank ziet het hof daarom geen redenen om over te gaan tot het opleggen van de TBS-maatregel.

Aan de verdachte moet wel ter vergelding van de inbreuken op de rechtsorde en het leed dat de verdachten – in het bijzonder aan de nabestaanden van [slachtoffer] - heeft aangedaan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Deze straf zal lager zijn dan die door de advocaat-generaal gevorderd omdat het hof komt tot een andere beoordeling van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde en de vrijspraken in die zaak onder 2, 3 en 6.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 april 2010 is de verdachte éénmaal eerder ter zake van wapenbezit veroordeeld. Voorts is de verdachte – blijkens diens mededeling ter terechtzitting - in Spanje langdurig gedetineerd geweest in verband met een geweldsdelict .

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de 26 maanden die de verdachte heeft doorgebracht in de Landelijke Afdeling Beheersgevaarlijke Gedetineerden ertoe dient te leiden dat aan hem een gevangenisstraf van kortere duur wordt opgelegd dan onder andere, lichtere detentieomstandigheden als passend en geboden geïndiceerd zou zijn.

Het hof verwerpt dit beroep op strafvermindering nu dit niet is onderbouwd.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte het in zaak A onder 1 ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet gevoegd.

De verdachte heeft de vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat bij ontstentenis van enige onderbouwing door de benadeelde partij, deze vordering onvoldoende is gestaafd en dat de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Nota’s of bankafschriften onderbreken, zodat niet kan worden vastgesteld of deze kosten daadwerkelijk gemaakt zijn en of [slachtoffer] ook daadwerkelijk in Marokko begraven.

Het hof oordeelt dienaangaand als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat naar Nederland geëmigreerden die oorspronkelijk afkomstig zijn uit Marokko, zoals [slachtoffer] - al dan niet in verband met aldaar nog woonachtige familieleden - begraven wensen te worden in hun geboorteland. Voorts stelt het hof vast dat de echtgenote van [slachtoffer] en hun kinderen een aantal maanden voor [slachtoffer]’ overlijden waren teruggegaan naar Marokko met het voornemen zich daar blijvend te vestigen. Voornoemde feiten maken naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat [slachtoffer] daadwerkelijk in Marokko is begraven.

De kosten die zijn gemaakt voor de begrafenis, bestaande uit algemene begrafeniskosten, verzorging en bewassing van het stoffelijk overschot, rituele bewassingsbenodigdheden, de huur van het mortuarium, de kosten voor de grafsteen en het vervoer van het stoffelijk overschot, zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd door de daarop betrekking hebbende, aan het voegingsformulier gehechte bijlagen, om voor toewijzing in aanmerking te komen.

Met betrekking tot de vliegkosten van in totaal circa tienduizend euro, overweegt het hof dat deze kennelijk zijn gemaakt in verband met het overlijden van [slachtoffer] in Nederland en diens begrafenis in Marokko. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat die kosten redelijkerwijs voor een vergoeding ten bedrage van € 4.000,- in aanmerking komen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 impliciet primair, 2, 3, 6, 8, eerste gedeelte en in zaak B onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 impliciet subsidiair, 4, 5, 7, 8, tweede gedeelte en in zaak B onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1imliciet subsidiair, 4, 5, 7, 8, tweede gedeelte en in zaak B onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te Amsterdam, een bedrag van EUR 7.596,18 (zevenduizend vijfhonderdzesennegentig euro en achttien cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 7.596,18 (zevenduizend vijfhonderdzesennegentig euro en achttien cent), zulks ten behoeve van [benadeelde partij].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van de hiervoor vermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Kortenhorst, mr. H.A. Holthuis en mr. C.J.D. Waal, in tegenwoordigheid van mr. W. Blaak, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2010.

Mrs. Holthuis en Waal zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.