Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BY2065

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-005819-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot doodslag (schoppen en trappen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005819-09

datum uitspraak: 11 november 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-410598-09 tegen

[Verdachte ],

geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ],

adres: [woonadres ],

thans gedetineerd in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

primair:

hij op of omstreeks 26 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen zijn hoofd en/of in/op zijn gezicht en/of op/tegen zijn lichaam heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag).

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of in/op het gezicht en/of op/tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag), waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Feit 2:

primair:

hij op of omstreeks 26 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 600 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] hebben geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of die [slachtoffer] een mes op zijn keel hebben gezet en/of (dreigend) met een mes in de richting van die [slachtoffer] hebben gezwaaid en/of gestoken en/of (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "laat dat geld los" en/of "ik wil mijn geld" en/of "ik ga je slachten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een mes op de keel van die [slachtoffer] gezet en/of met een mes in de richting van die [slachtoffer] gestoken en/of gezwaaid en/of (daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "ik ga je slachten" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarbij van het van [slachtoffer] afgepakte geldbedrag van € 240,- niet overtuigend bewezen is dat dit aan een ander dan de verdachte toebehoorde, terwijl van het meerdere, € 60,-, niet overtuigend bewezen is dat dit met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is afgepakt.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair:

hij op 26 juni 2009 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader die [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam heeft geschopt en geslagen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

Feit 2 subsidiair:

hij op 26 juni 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend met een mes in de richting van die [slachtoffer] gezwaaid en daarbij die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "ik ga je slachten", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking.

Hetgeen onder 1 primair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van bewijsverweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -kort gezegd- dat niet bewezen kan worden dat verdachtes opzet was gericht op de dood van het slachtoffer, zodat vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 primair ten laste gelegde.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer toen hij op de grond lag meermalen tegen zijn hoofd heeft geschopt. Het hof is van oordeel dat de aard van die gedraging, gepleegd onder de vastgestelde omstandigheden, gelet op hetgeen de ervaring dienaangaande leert en in aanmerking genomen dat het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is, de aanmerkelijke kans in zich bergt dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Het kan niet anders zijn dan dat ook de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het bestaan van die aanmerkelijke kans. Dit zou alleen anders zijn, indien zou blijken dat de verdachte ten tijde van zijn handelen niet een zodanig inzicht had in de van zijn handelingen te verwachten gevolgen als waarover blijkens de ervaring volwassen mensen in de regel beschikken, dan wel ernstige twijfel zou rijzen of hij een zodanig inzicht had. Uit niets is het hof gebleken dat zich in het onderhavige geval een der laatstbedoelde omstandigheden zou hebben voorgedaan. Door in de gegeven omstandigheden niettemin tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen heeft de verdachte het risico dat het slachtoffer zou komen te overlijden op de koop toe genomen.

Voor zover de raadsman heeft bepleit dat geen sprake is van medeplegen overweegt het hof als volgt.

De verdachte en [mededader] zijn samen achter het wegvluchtende slachtoffer aan gerend. De verdachte heeft vervolgens gelijktijdig met [mededader] geweld op het slachtoffer uitgeoefend, terwijl bedreigingen werden geuit. De verdachte en [mededader] zijn uiteindelijk samen in de auto van de verdachte weggereden. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte nauw en bewust met [mededader] heeft samengewerkt en dat de verdachte beide feiten in vereniging met de ander heeft gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

medeplegen van poging tot doodslag.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft, subsidiair, aangevoerd dat -kort gezegd- de verdachte heeft gehandeld in noodweerexces, nu de gepleegde gewelddadigheden en de geuite bedreigingen het gevolg zijn geweest van de emoties die bij hem waren opgewekt. Op grond hiervan is de verdachte niet strafbaar en dient hij van alle rechtsvervolging te worden ontslagen, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Anders dan door de raadsman is betoogd is niet aannemelijk geworden dat het schoppen door de verdachte het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, veroorzaakt door hetgeen zich voorafgaand aan het door hem toegepaste geweld had voorgedaan. Voor het aannemen van een zodanige gemoedsbeweging biedt het dossier geen aanknopingspunten. Bovendien is uit de verklaringen van de verdachte zelf een zodanige gemoedsbeweging niet aannemelijk geworden. Door de verdachte is niet verklaard of zelfs maar gesuggereerd dat de schoppen het gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging; hij heeft slechts verklaard dat hij “zijn geld terug wilde”. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijke, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, naar aanleiding van een ruzie over geld, samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Het slachtoffer is met een mes bedreigd en, terwijl hij weerloos op straat lag, herhaaldelijk tegen het hoofd en het lichaam geschopt en geslagen. De verdachte en zijn mededader zijn er vervolgens vandoor gegaan en hebben het slachtoffer gewond en in bewegingsloze toestand op straat achtergelaten. Hierbij heeft de verdachte, die niet heeft getracht hulp in te roepen, zich klaarblijkelijk niet om het lot van het slachtoffer bekommerd.

Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Voorts kunnen bij het slachtoffer en de getuigen van dergelijk geweld gevoelens van angst en onzekerheid gedurende lange tijd blijven bestaan. Op grond hiervan is de oplegging van een gevangenisstraf de enig passende strafrechtelijke sanctie.

Het hof houdt er ten nadele van de verdachte rekening mee dat hij, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2010, eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 20 juli 2009, waarin wordt geadviseerd de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard omtrent zijn wens hulp te krijgen bij het inrichten van zijn leven en de inmiddels tijdens zijn detentie door hem gevolgde cursussen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde met behulp van deze voorwerpen is begaan, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 45, 47, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op de grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Amsterdam en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door Stichting Reclassering Nederland te Amsterdam.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Onttrekt aan het verkeer de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2.00 STK Mes (3631699).

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P.P. Hoekstra, mr. N.F. van Manen en mr. C.J.D. Waal, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 november 2010.

Mr. C.J.D. Waal is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.