Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BY2036

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-004755-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag (afvuren van kogels op lichaam slachtoffer)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004755-08

datum uitspraak: 15 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 9 september 2008 in de strafzaak onder de parketnummers 15-740479-08 en 15-630403-05 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[Verdachte ],

geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ],

adres: [woonadres ],

thans verblijvende in PI

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 augustus 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 september 2009, 6 oktober 2009, 24 november 2009 en 1 februari 2010.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 10 mei 2008 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels uit een vuurwapen heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 10 mei 2008 te Purmerend een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of III, te weten een (scherpe) patroon (Geco 7.65 mm Browning), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging.

Bespreking van ter zitting gevoerde verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en derhalve moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag/moord. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft gezien dat [slachtoffer] een wapen uit een auto heeft gehaald en dat hij dit in zijn zak stak. [slachtoffer] is vervolgens met zijn hand in de zak waarin het wapen zat op de verdachte afgelopen en heeft hem bedreigd. Hierop heeft de verdachte het slachtoffer neergeslagen, zijn wapen getrokken en dit doorgeladen. De verdachte wilde dat [slachtoffer] zijn handen zou laten zien. Toen [slachtoffer] overeind kwam en begon te rennen is de verdachte met het wapen achter [slachtoffer] aangerend om te zien wat hij van plan was. Tijdens het rennen meende de verdachte te zien dat [slachtoffer] zich omdraaide om op hem te schieten. Hierop heeft de verdachte zich gebukt en is het wapen per ongeluk afgegaan. Van een doelbewuste handeling is nimmer sprake geweest. De voor de verdachte belastende verklaringen van de getuigen [slachtoffer], [getuige 2] en de gebroeders [getuigen 3 en 4] zijn onbetrouwbaar en kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebezigd.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de stukken van het dossier is het volgende komen vast te staan.

De verdachte gaat op 10 mei 2008 in de late avond naar coffeeshop Cupido te Purmerend.

Hij voelt zich naar eigen zeggen al enige tijd bedreigd door [betrokkene] en [slachtoffer] en draagt daarom een vuurwapen op zak. Die avond heeft hij volgens zijn eigen verklaring het wapen voorzien van een magazijn met daarin kogels. Vóór de coffeeshop, op de openbare weg, komt het tot een confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer]. [slachtoffer] loopt naar de verdachte toe en vraagt: “Zoek je mij?” De verdachte slaat [slachtoffer] vrijwel direct tegen het gezicht waardoor [slachtoffer] valt. De verdachte trekt hierop zijn wapen en laadt het door. [slachtoffer] rent weg, de verdachte rent achter hem aan. Op enig moment gaat het wapen van de verdachte af (verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 februari 2010). [slachtoffer] wordt in de rug getroffen. De kogel verlaat het lichaam aan de buikzijde. Er worden geen vitale onderdelen geraakt (geneeskundige verklaring d.d. 16 mei 2008, politiedossier, p. 31).

De getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] een klap in het gezicht gaf nadat deze op [slachtoffer] af kwam lopen en hem vroeg: ‘Zocht je mij?’. [getuigen 3] heeft voorts verklaard dat hij daarna heeft gezien dat [slachtoffer] is weggerend en dat de verdachte achter hem aan is gerend en dat de verdachte vervolgens op de rijbaan stond, door zijn knieën is gegaan, en gericht op [slachtoffer] heeft geschoten (proces-verbaal van verhoor d.d. 13 mei 2008, politiedossier p. 157-159).

De getuige [getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] op de verdachte af kwam lopen en dat hij hem hoorde vragen: ‘Zoek je mij?’. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] meteen tegen diens gezicht sloeg, dat [slachtoffer] hierdoor achterover viel en dat de verdachte een pistool pakte toen [slachtoffer] overeind kwam. De getuige heeft verklaard dat [slachtoffer] hierop begon te rennen en dat de verdachte achter hem aan is gegaan. De getuige heeft voorts gezien dat de verdachte voor de geparkeerde auto waarmee [slachtoffer] was gekomen stond en een schiethouding aannam. De getuige heeft gezien dat de verdachte even bleef staan, het pistool in zijn rechterhand hield, dit op [slachtoffer] richtte terwijl hij met zijn linkerhand de rechterhand ondersteunde, en dat hij op [slachtoffer] schoot (proces-verbaal van verhoor d.d. 12 mei 2008, politiedossier p. 128-131).

De getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij buiten voor de Zonnestudio stond te bellen en dat hij heeft gezien en gehoord dat [slachtoffer] en andere personen naar elkaar schreeuwden. De getuige heeft voorts verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] op een gegeven moment wegrende en dat de verdachte een wapen trok en ook aan het rennen was. De getuige heeft verklaard dat hij zag dat de dader ter hoogte van BCC stopte met rennen, het pistool vasthield met zijn rechterhand, dat hij met zijn linkerhand het wapen ondersteunde, dat hij over het wapen heen keek en dat hij op [slachtoffer] mikte en vervolgens één of twee keer schoot (proces-verbaal van verhoor d.d. 11 mei 2008, politiedossier p. 113-116).

Op grond van de waarnemingen van voornoemde getuigen, in onderlinge samenhang beschouwd, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte bewust en gericht heeft geschoten op het lichaam van [slachtoffer]. Dat de getuigen in latere verhoren op een aantal punten anders hebben verklaard maakt dit - mede gelet op het tijdsverloop tussen de verklaringen - niet anders.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door de getuigen afgelegde verklaringen merkt het hof nog het volgende op.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gebroeders [getuigen 3 en 4] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Het hof acht hiervoor redengevend dat de verklaringen van beide broers op hoofdlijnen overeenkomen, doch op detailniveau van elkaar verschillen en voorts het feit dat hun verklaringen op wezenlijke punten overeenkomen met die van de getuige [getuige 2].

Om dezelfde reden ziet het hof geen objectieve omstandigheden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige [getuige 2]. Enige afstemming van diens verklaring met die van de getuigen [getuigen 3 en 4] is niet aannemelijk geworden.

Het feit dat door de politie niet nader is onderzocht hoe het zicht van de getuigen is geweest ten tijde van de schietpartij en of zij dus hebben kunnen waarnemen wat zij verklaard hebben te hebben waargenomen, maakt dit oordeel niet anders.

Het hof merkt tenslotte op dat de lezing van de verdachte omtrent de gebeurtenissen te minder aannemelijk is geworden nu de verdachte bij de politie aanvankelijk niet heeft verklaard dat hij een wapen bij [slachtoffer] heeft gezien. In zijn eerste verhoor op 13 mei 2009 bij de politie verklaart de verdachte: ”(...) ik was bang dat hij een pistool had, het kon voor mij bijna niet anders.” In het tweede verhoor antwoordt verdachte op de vraag of hij een wapen bij het slachtoffer heeft gezien: “Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik dat gezien zou hebben. (...) Ik heb geen wapen gezien.” Pas tijdens zijn laatste verhoor bij de politie op 20 mei 2009 verklaart de verdachte:

“Ik heb de achterkant van een vuurwapen gezien op het moment dat hij dat uit zijn auto haalde. (...) hij pakte iets onder de bijrijdersstoel vandaan en stopte dat voorwerp in zijn zak.”

Verdachte heeft geen goede verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat hij niet eerder met deze verklaring naar buiten is getreden.

Daarnaast merkt het hof in dit verband nog op dat geen van de getuigen een wapen in de handen van [slachtoffer] heeft gezien.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van de getuigen [getuigen 3 en 4], en [getuige 2] voldoende betrouwbaar. Zij kunnen mitsdien – anders dan de raadsvrouw heeft bepleit – voor het bewijs worden gebezigd.

Partiële vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van poging tot moord. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdachte voelde zich bedreigd door [betrokkene ] en [slachtoffer] en droeg daarom een vuurwapen op zak. Het magazijn was op de bewuste avond reeds door de verdachte in het wapen geplaatst omdat het donker was en het zicht dus slecht. Hoewel de verdachte dit ontkent, lijkt het erop - afgaande op de verklaringen van diverse getuigen en de camerabeelden in de coffeeshop Cupido van 9 mei 2008 en 10 mei 2008 - dat de verdachte [slachtoffer] heeft staan opwachten voor eerdergenoemde coffeeshop.

Als de verdachte door [slachtoffer] wordt aangesproken, slaat de verdachte hem neer. Nog voordat [slachtoffer] hierop kan reageren trekt de verdachte zijn wapen en laadt dit door. Van enig geweld of bedreiging met geweld van de zijde van [slachtoffer] is op dat moment geen sprake. [slachtoffer] rent weg en wordt achtervolgd door de verdachte, die na een paar meters stil gaat staan, een schiethouding aanneemt en gericht een schot lost op het lichaam van [slachtoffer].

Uit het feit dat de verdachte zijn wapen vrijwel direct heeft doorgeladen valt af te leiden dat hij nog voordat hij achter [slachtoffer] aan ging heeft besloten dit wapen tegen hem te gebruiken. Uit het geheel van voornoemde gedragingen van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte na het schot terug is gelopen naar zijn fiets, dat hij daarmee in de richting van [slachtoffer] is gegaan, [slachtoffer] heeft bedreigd en vervolgens rustig is weggefietst, kan worden afgeleid dat de verdachte welbewust heeft gehandeld. Vastgesteld kan worden dat de verdachte enige gelegenheid heeft gehad voor rustig beraad en kalm overleg.

Het hof volgt de advocaat-generaal hierin niet en overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzittingen in beide instanties is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte op 10 mei 2008 naar de coffeeshop Cupido is gegaan teneinde [slachtoffer] doelbewust op te wachten.

Uit de verklaringen van [getuigen 3 en 4] en [getuige 2] blijkt voorts dat het slachtoffer de verdachte voorafgaande aan de schietpartij zelf heeft benaderd en hem heeft gevraagd: “Zoek je mij?”. De verdachte heeft hierop het slachtoffer neergeslagen. Toen het slachtoffer overeind kwam heeft de verdachte zijn vuurwapen gepakt en dit doorgeladen. Vervolgens is de verdachte achter het wegrennende slachtoffer aangerend. Op een zeker moment is de verdachte gestopt met rennen en heeft hij gericht op het lichaam van [slachtoffer] geschoten. Bedoelde gebeurtenissen hebben zich binnen een zeer kort tijdsbestek in een dynamische situatie voorgedaan. Daarbij is niet onaannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, die mede zijn grondslag vond in de plotselinge ontmoeting met [slachtoffer] voor wie hij volgens zijn eigen verklaring bang was. Het hof is, het vorenstaande in aanmerking genomen niet gebleken dat de verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden over het besluit gericht te schieten en dat voor hem de gelegenheid heeft bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Dat de verdachte ten tijde van de schietpartij een wapen bij zich droeg maakt dit niet anders nu uit deze omstandigheid op zichzelf nog niet kan worden afgeleid dat verdachte het plan had opgevat op [slachtoffer] te schieten en voor een dergelijk voornemen ook overigens in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden.

Waarbij nog wordt opgemerkt dat de door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheid dat de verdachte nadat hij had geschoten is teruggelopen naar zijn fiets, zich in de richting van [slachtoffer] heeft begeven en vervolgens rustig is weggefietst, in de onderhavige situatie niet redengevend kan worden geacht voor de conclusie dat voor het schieten sprake was van voorbedachte raad.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot moord.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 10 mei 2008 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel uit een vuurwapen heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 10 mei 2008 te Purmerend een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, en munitie van categorie III, te weten een patroon Geco 7.65 mm Browning, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

poging tot doodslag.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 19 mei 2006, parketnummer 15-630403-05 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot moord) en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de rechtbank Haarlem van 19 mei 2006, parketnummer 15-630403-05, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken met aftrek van voorarrest gevorderd. Tenslotte heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in de avond van 10 mei 2008 op de openbare weg opzettelijk met een vuurwapen geschoten op de hem bekende [slachtoffer]. De verdachte heeft [slachtoffer] éénmaal in zijn rug geraakt. Dat er geen vitale organen zijn geraakt en [slachtoffer] het er levend vanaf heeft gebracht, lijkt gelet op het feit dat de verdachte doelbewust op hem heeft gericht alvorens de trekker over te halen, slechts toeval. Als strafrechtelijke reactie op een dergelijk ernstig delict komt slechts een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking. De verdachte heeft door zijn handelen pijn en leed toegebracht aan het slachtoffer. Op het moment dat de verdachte schoot bevond zich een aantal mensen in de onmiddellijke omgeving die allen ongewild met deze daad werden geconfronteerd. Misdrijven als deze, zeker als ze worden begaan in het openbaar, worden als zeer bedreigend ervaren en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het zonder machtiging voorhanden hebben van een pistool en bijpassende scherpe munitie.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 januari 2010 is verdachte eerder voor strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven, veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De straf is mede doordat de verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot moord lager dan door de advocaat-generaal geëist.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter te Haarlem van 19 mei 2006, parketnummer 15-630403-05, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Nu niet is gebleken dat de benadeelde partij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep wederom als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, bedraagt de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep maximaal EUR 3.000,-.

De raadsvrouw van de verdachte heeft deze vordering betwist, door primair te stellen dat de verdachte zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten, subsidiair dat de benadeelde partij zich niet opnieuw heeft gevoegd in hoger beroep en daardoor kennelijk geen belang meer heeft bij zijn vordering.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 19 mei 2006, met parketnummer 15-630403-05, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het onder 1 bewezenverklaarde en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Purmerend, een bedrag van EUR 3.000,00 (drieduizend euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.000,00 (drieduizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. E.C.M. Bouman, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2010.

Mr. Bouman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.