Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BX5856

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
23-002693-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1533, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen van moord/doodslag (steken met mes in hals/halsslagader en in hoofd en afsnijden neus en slaan op hoofd). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de verklaringen van de verdachte twijfels oproepen ten aanzien van de rol van de verdachte. Zij heeft zich op haar zwijgrecht beroepen dan wel haar verklaring aangepast op het moment dat zij werd geconfronteerd met onderzoeksresultaten die om toelichting vroegen. Verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven en ook geen verklaring kunnen of willen geven voor het aantreffen van haar vingerafdruk op het in de keuken aangetroffen bebloede mes terwijl het de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat dit een voor haar zeer belastend gegeven is. Op grond van het dossier en de verklaringen van de verdachte kan weliswaar betrokkenheid van de verdachte aan het haar tenlastegelegde feit worden afgeleid, echter niet is vast te stellen wat de precieze rol van de verdachte in het geheel is geweest. Niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte aanwezig is geweest bij het gevecht dat heeft plaatsgevonden tussen de medeverdachte en slachtoffer. Ook is niet gebleken van dusdanige betrokkenheid van de verdachte voorafgaande aan, tijdens of na afloop van het gevecht tussen medeverdachte en slachtoffer dat zij kan worden beschouwd als medepleger van hetgeen aan medeverdachte ten laste is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002693-08

datum uitspraak: 24 juni 2010

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-524068-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 augustus 2007, 4 oktober 2007, 2 november 2007, 23 april 2008 en 6 mei 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 juni 2010 en 10 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 2 februari 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) een of (meer)ma(a)l(en) met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), - de hals en/of de (linker) halsslagader en/of de (linker) halsader van die [slachtoffer] doorgesneden en/of doorgestoken en/of - in het hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden en/of geprikt en/of - de neus van die [slachtoffer] afgesneden en/of - (met kracht) een of (meer)ma(a)l(en) met een of meer hard(e) en/of stomp(e) en/of zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en) op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; (artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft bij requisitoir geconcludeerd dat sprake is van medeplegen van moord nu de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] samen naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan en zij daar naar binnen zijn gegaan. Vervolgens heeft [verdachte] deelgenomen aan, althans in elk geval een begin gemaakt aan, het geweld ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Naar het oordeel van de advocaat-generaal kan uit de vingerafdruk van de verdachte en de bloedspatten van het slachtoffer op het in de keuken aangetroffen mes worden geconcludeerd dat de verdachte het mes heeft gebruikt waardoor [slachtoffer] reeds in de keuken gewond is geraakt.

Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat weliswaar niet duidelijk is waar de verdachte zich heeft bevonden tijdens het gevecht tussen [medeverdachte] en het slachtoffer maar dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte binnen moet zijn geweest toen het slachtoffer al ernstig bloedde. Zij baseert deze conclusie op het schoenspoor dat buiten bij de voordeur van het pand [de straat] nummer [nr] is aangetroffen en op het feit dat er onder het koppelingspedaal van de auto waarin verdachten zijn weggereden, bloed van het slachtoffer is aangetroffen. Ter ondersteuning van deze conclusie heeft de advocaat-generaal nog verwezen naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1 en getuige 2].

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van medeplegen van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Vrijspraak

Vast staat dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] naar de woning is gegaan om een conflict over een omgangsregeling aangaande de dochter van de verdachte en het slachtoffer te bespreken. Naar het oordeel van het hof is dit conflict de uiteindelijke aanleiding geweest voor een gevecht met fatale afloop voor [slachtoffer].

De voor medeplegen noodzakelijke betrokkenheid van de verdachte blijkt volgens de advocaat-generaal uit het feit dat er in de keuken een mes is aangetroffen met daarop bloed van het slachtoffer en een vingerafdruk van de verdachte. Het hof is van oordeel dat vaststaat dat de verdachte dit mes in ieder geval heeft aangeraakt. Na het aantreffen van het slachtoffer door de politie bevond het mes zich in een keukenlade die open stond terwijl er enkele voorwerpen op de grond lagen die vermoedelijk uit de lade afkomstig waren. In de keuken zijn voorts meerdere bloedsporen van het slachtoffer aangetroffen. Het voorgaande gegeven vraagt in ieder geval om een verklaring van de verdachte, welke zij niet heeft gegeven. Hoewel de getuige-deskundige M.J.P. Eversdijk ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft verklaard dat het gevecht in de hal de bloedsporen in de keuken niet kan hebben veroorzaakt, bevindt zich in het dossier geen enkel bewijsmiddel dat de conclusie kan dragen dat het bloed op het mes is ontstaan door gebruik van het mes door verdachte richting het slachtoffer. Niet uitgesloten kan worden dat het bloed op een andere wijze daar terecht is gekomen.

Ook de conclusie van de advocaat-generaal dat de verdachte binnen moet zijn geweest toen het slachtoffer al ernstig bloedde deelt het hof niet.

Vast staat dat de verdachte na het gevecht de auto heeft bestuurd en dat er bloed van het slachtoffer is aangetroffen onder het koppelingspedaal van de auto. De verklaring van [medeverdachte] dat hij eerst op de bestuurdersplaats is gaan zitten, waarna hij weer is uitgestapt om de verdachte te laten rijden, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk, zeker nu [medeverdachte] pas met deze verklaring komt nadat hem bekend is geworden dat er bloed van het slachtoffer onder het pedaal is aangetroffen.

Het aantreffen van bloed van het slachtoffer onder het koppelingspedaal leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de verdachte betrokken is geweest dan wel aanwezig is geweest bij het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer].

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het bloed op meerdere manieren onder het pedaal terecht gekomen kan zijn. Als mogelijkheid noemt de raadsman van de verdachte dat [medeverdachte] bloed van het slachtoffer op straat heeft gedrupt, waarna de verdachte hierin is gaan staan en zo het bloed via haar schoen onder het pedaal in de auto terecht is gekomen. Het hof is het met de raadsman van de verdachte eens dat deze mogelijkheid niet is uit te sluiten.

Wat het schoenspoor net buiten de voordeur van het pand [de straat] nummer [nr] betreft is niet met zekerheid vastgesteld dat dit schoenspoor afkomstig is van de schoen van de verdachte. Gelet op het feit dat er in de nabijheid van de woning diverse bloeddruppels zijn aangetroffen en het feit dat er na het vertrek van de verdachte en de medeverdachte en de komst van de politie enige tijd is verstreken, is niet uit te sluiten dat het schoenspoor door iemand anders dan de verdachte is gezet.

Naar het oordeel van het hof zijn het bloedspoor onder het pedaal en het aangetroffen schoenspoor geen wettig en overtuigend bewijs voor aanwezigheid van de verdachte tijdens het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer].

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de verklaringen van de verdachte twijfels oproepen ten aanzien van de rol van de verdachte. Zij heeft zich op haar zwijgrecht beroepen dan wel haar verklaring aangepast op het moment dat zij werd geconfronteerd met onderzoeksresultaten die om toelichting vroegen. Verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven en ook geen verklaring kunnen of willen geven voor het aantreffen van haar vingerafdruk op het in de keuken aangetroffen bebloede mes terwijl het de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat dit een voor haar zeer belastend gegeven is.

Op grond van het dossier en de verklaringen van de verdachte kan weliswaar betrokkenheid van de verdachte aan het haar tenlastegelegde feit worden afgeleid, echter niet is vast te stellen wat de precieze rol van de verdachte in het geheel is geweest. Niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte aanwezig is geweest bij het gevecht dat heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte] en [slachtoffer]. Ook is niet gebleken van dusdanige betrokkenheid van de verdachte voorafgaande aan, tijdens of na afloop van het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] dat zij kan worden beschouwd als medepleger van hetgeen aan [medeverdachte] ten laste is gelegd. Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van moord dan wel doodslag op [slachtoffer].

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 8.323,92.

Nu verdachte van het haar ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, zal het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. J.A.M. de Wit en

mr. R.H.J. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Winkels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2010.