Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BX5729

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
23-001646-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijgesproken van poging tot moord (geen "met voorbedachten rade"). Veroordeeld terzake van poging tot doodslag (steken met mes in linker zij).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001646-09

datum uitspraak: 16 juni 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-447875-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I..

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 maart 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 november 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) een mes in de (linkeronder)zij en/of de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken; (artikel 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair

hij op of omstreeks 4 november 2008 te Amsterdam aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de (linkeronder)zij), heeft toegebracht, door opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (met kracht) een mes in de (linkeronder)zij en/of de rug van die [slachtoffer] te steken; (artikel 302/303 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair

hij op of omstreeks 4 november 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) een mes in de (linkeronder)zij en/of de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken; (artikel 302/303 jo 45 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de teastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging: poging moord of poging doodslag

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een poging tot moord. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven. Gelet op de verklaring van de verdachte bij de politie, gelet op de plek waar de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken, te weten aan de linkerkant van het lichaam, aan de kant van het hart, en gelet op de getuigeverklaring van [getuige] kan voorbedachte raad bewezen worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” is nodig dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem benomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is het volgende gebleken.

Het slachtoffer heeft in haar aangifte van 4 november 2008 (blz. 01 e.v.) verklaard dat zij die middag met een collega aan het wandelen was, dat een man haar op het trottoir tegemoet kwam lopen, dat op het moment van passeren zij en de man elkaar licht aanraakten en dat zij direct daarop van achteren in haar rug een stomp of een por voelde, dat zij zich omdraaide en de man zag staan met in zijn rechterhand een mes en dat later in het ziekenhuis bleek dat zij een steekwond had.

De getuige [getuige] (blz. 21 e.v.) heeft in zijn verhoor bij de politie van 4 november 2008 verklaard dat hij die middag twee dames zag lopen op het voetpad, dat hij zag dat een man passeerde die met zijn handen in zijn zakken liep, dat de man, nadat de vrouwen hem gepasseerd waren, zijn rechterhand uit zijn zak haalde en daarmee een stekende beweging maakte in de richting van een van de twee vrouwen, dat de man een mes in zijn handen had en dat de man, nadat hij de vrouw gestoken had, zijn hand met het mes weer in zijn jaszak deed.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 6 maart 2009 (pagina 7) heeft de verdachte verklaard dat hij keihard stemmen hoorde schreeuwen, dat hij deze stemmen al 8 jaar lang hoort, dat hij daarom overvallen pleegt, dat hij de dag van het incident naar buiten is gelopen, dat hij gestoken heeft, en dat hij niet weet waarom hij stak, hij ‘stak gewoon. Ik hoorde stemmen en had een waas voor mijn ogen. Daarna heb ik nog wel gedacht:”wat doe ik nou weer”.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 heeft de verdachte verklaard dat het steekincident zijn bedoeling helemaal niet was, dat hij naar een bank wilde om deze te overvallen en dat hij het mes had meegenomen om bij die overval te kunnen dreigen.

Het hof acht boven weergegeven verklaringen van de verdachte aannemelijk en is op grond daarvan van oordeel dat de verdachte in een plotselinge gemoedsopwelling [slachtoffer], een toevallige passante, heeft gestoken. Op grond hiervan is niet komen vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Weliswaar heeft de verdachte tijdens zijn verhoor op 4 november 2008 bij de politie verklaard dat hij die ochtend aan zijn psychiater had verteld dat hij de neiging had om iemand neer te steken en verder dat hij die ochtend naar buiten is gegaan met een mes, maar deze verklaring staat geïsoleerd van zijn overige verklaringen, terwijl ook overigens uit zijn gedragingen niet valt af te leiden dat er sprake is van voorbedachte rade.

Op grond van het voorgaande is het hof derhalve, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op 4 november 2008 met voorbedachten rade heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven. Naar het oordeel van het hof en in overeenstemming met hetgeen de verdediging heeft gesteld, dient de verdachte derhalve van de hem ten laste gelegde poging tot moord te worden vrijgesproken en kan het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard

in die zin dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 november 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met kracht een mes in de linkerzij van die [slachtoffer] heeft gestoken.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, gelet op de eensluidende verklaringen van de deskundigen, dat de verdachte ten aanzien van het hem ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte is in het kader van een persoonlijkheidsonderzoek door deskundigen onderzocht. Blijkens het rapport van J. Rübsaam, psychiater, van 6 februari 2009 is er bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een schizofrene stoornis van het paranoïde type, lichte zwakzinnigheid en waarschijnlijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis (blz. 10). Blijkens het rapport van R.A. Sterk, psycholoog, van 9 februari 2009 is er bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type en is er tevens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van intellectuele capaciteiten op licht zwakzinnig niveau (blz. 16). Beide deskundigen zijn van mening dat van bovengenoemde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling sprake was ten tijde van het ten laste gelegde en zij hebben beiden geadviseerd de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, ontoerekeningsvatbaar te achten. Zowel J. Rübsaam als R.A. Sterk hebben deze conclusies in hun rapporten van respectievelijk 8 maart 2010 en 11 maart 2010 herhaald.

Blijkens het rapport van T.V. van Lent, psychiater, van 12 februari 2010, is er bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis in het kader van schizofrenie, paranoïde type en van (lichte) zwakzinnigheid (blz. 23). Ook hij is, evenals de andere deskundigen, van mening dat van bovengenoemde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling sprake was ten tijde van het ten laste gelegde en heeft geadviseerd de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, ontoerekeningsvatbaar te achten.

Het hof verenigt zich met deze conclusies.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bewezen geachte de verdachte wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. De verdachte is derhalve niet strafbaar en dient ter zake van het hem bewezen geachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van een maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen geacht, heeft de verdachte ter zake daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft gelast dat hij ter beschikking zal worden gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen mes bevolen.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de primair ten laste gelegde poging tot moord bewezen zal worden geacht, dat de verdachte ter zake daarvan zal worden ontslagen van alle rechtsvervol-ging en dat terbeschikkingstelling zal worden gelast met verpleging van overheidswege. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het in beslag genomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de maatregel neemt het hof in aanmerking de inhoud van de volgende over de verdachte uitgebrachte rapportages:

- een Pro Justitia rapport van J. Rübsaam, psychiater, van 6 februari 2009;

- een Pro Justitia rapport van R.A. Sterk, psycholoog, van 9 februari 2009;

- een Pro Justitia rapport van T.V. van Lent, psychiater, van 12 februari 2010, betreffende een rapport in het kader van contra-expertise;

- een Pro Justitia rapport van J. Rübsaam, voornoemd, van 8 maart 2010;

- een Pro Justitia rapport van R.A. Sterk, voornoemd, van 11 maart 2010.

De deskundigen Rübsaam, Sterk en Van Lent zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 gehoord, evenals H.C.J. Delpeut, de behandelend psychiater van de verdachte.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 op het standpunt gesteld dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met bevel van verpleging van overheidswege en dat niet kan worden volstaan met een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hij heeft daartoe -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De deskundigen Rübsaam en Sterk gaan er van uit dat er bij de verdachte al jarenlang sprake is van een schizofrene stoornis van het paranoïde type, dat het recidivegevaar hoog is en dat er een noodzaak is voor een langdurige, intensieve, zeer gestructureerde behandeling en begeleiding om herhaling te voorkomen en dat oplegging van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging daarvoor de aangewezen maatregel is. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr. geeft volgens Rübsaam en Sterk onvoldoende zekerheid om gevaar op herhaling te voorkomen, ook als deze gevolgd zou worden door rechterlijke machtigingen. De deskundige Van Lent is ook van oordeel dat het recidivegevaar hoog is, maar tevens dat de verdachte als persoon niet als gewelddadig kan worden aangemerkt en dat zijn agressie voortkomt uit psychotische belevingen en gedachten. Als de stoornis onder controle kan worden gebracht en gehouden is het gevaar op herhaling relatief laag volgens van Lent, zodat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr., mits die gevolgd wordt door rechterlijke machtigingen, voldoende is om het gevaar af te wenden.

Gelet op de aard, de ernst en de blijvendheid van de psychische problematiek van de verdachte en gelet op de onberekenbaarheid van zijn gedrag bij psychotische ontregeling moet voor zo groot mogelijke zekerheid worden gekozen in de zin van waarborgen voor de veiligheid van de samenleving. Die zekerheid kan het beste worden geboden door TBS met verpleging, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 op het standpunt gesteld dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr. de aangewezen maatregel is voor de verdachte. Hij heeft daartoe –kort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft acht jaar lang zonder problemen in de psychiatrische woonvoorziening “De Aak” verbleven. Het steekincident is een gevolg van de overplaatsing van de verdachte naar een andere woonvoorziening en vervolgens zijn terugplaatsing naar zijn oude woonvoorziening, hetgeen door zijn grote gevoeligheid voor veranderingen een psychotische ontregeling heeft veroorzaakt De verdachte is lijdende aan schizofrenie en diverse aandoeningen, die bij de oplegging van een TBS-maatregel zouden kunnen leiden tot een uiteindelijk verblijf in een longstay-afdeling van een TBS-kliniek. De uiterste consequentie van levenslange opsluiting doet geen recht aan de persoonlijkheid van de verdachte, zoals die wordt geschetst door psychiater Van Lent, namelijk dat de verdachte als persoon niet als gewelddadig kan worden aangemerkt. Nu er geen sprake van is dat de verdachte niet zou kunnen worden begeleid of behandeld, dient de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr. te worden bevolen, aldus de raadsman.

Samenvatting van de bevindingen en de gegeven toelichting ter terechtzitting

J. Rübsaam heeft in zijn rapport van 6 februari 2009 onder meer verklaard:

Onderzochte lijdt aan een schizofrene stoornis van het paranoïde type, aan lichte zwakzinnigheid en waarschijnlijk aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Voldoende aannemelijk is geworden dat onderzochte het hem ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd onder invloed van psychotische belevingen voortvloeiend uit zijn schizofrene stoornis. Het handelen van onderzochte werd ten tijde van het ten laste gelegde volledig door deze psychotische belevingen bepaald. Wanneer iemand op grond van psychotische belevingen tot gewelddadig gedrag is gekomen, is de kans op herhaling, bij voortduring of opnieuw optreden van de psychose, groot. De schizofrene stoornis bij onderzochte is tot op heden niet afdoende behandelbaar gebleken. De kans op herhaling moet daarom als groot worden aangemerkt. De beperkte begaafdheid en de gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid beperken onderzochte in aanzienlijke mate bij het vormen van omgangsstrategieën voor de levenstaken van alledag. De frustratie en onzekerheid die van bovengenoemde beperkingen in het vormen van omgangsstrategieën het gevolg zijn, zijn in het verleden herhaaldelijk aanleiding geweest voor het verergeren van de psychose en zullen, zonder nauwgezette begeleiding, dat in de toekomst opnieuw doen. Dit gegeven vergroot de kans op recidive verder. Onderzochte zal in een gesloten behandelinstelling intensief behandeld moeten worden om te pogen de psychose meer structureel te bestrijden. Daarna zal onderzochte aangewezen zijn op een residentiële voorziening. Welke bewegingsvrijheid onderzochte daarbij te zijner tijd kan worden toegestaan zal steeds moeten worden getoetst met behulp van een zorgvuldige risicotaxatie vanuit forensisch psychiatrisch perspectief. Om dit te kunnen realiseren adviseert de onderzoeker de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen.

In zijn rapport van 8 maart 2010 verklaart Rübsaam dat zijn bevindingen in het aanvullende onderzoek hem geen aanleiding geven zijn beschouwingen in zijn rapport van 6 februari 2009 ten aanzien van de oplegging van de maatregel van TBS met verpleging te wijzigen. Voorts verklaart hij onder meer als volgt:

Een plaatsing in een kader van artikel 37 Sr. is ook overwogen. De psychiatrische voorgeschiedenis van onderzochte maakt het evenwel onwaarschijnlijk dat binnen de periode van een jaar een zodanige verbetering in de toestand van onderzochte is opgetreden dat voldoende zeker is vast te stellen dat de kans op recidive aanvaardbaar verminderd is. Een plaatsing in het kader van artikel 37 draagt, door de duur van maximaal een jaar, het risico in zich dat daarna aan onderzochte bewegingsvrijheid wordt verleend zonder dat een systematische risicotaxatie heeft plaatsgevonden. Een eventueel voortzetten van verblijf in een instelling in het kader van een BOPZ-maatregel heeft onvoldoende garanties dat bij het bepalen van het beleid ten aanzien van bewegingsvrijheid het forensisch-psychiatrisch perspectief voldoende aandacht zal krijgen. Dit overziend meent de onderzoeker dat plaatsing in het kader van artikel 37 ontoereikend is en handhaaft hij zijn advies, indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, de maatregel van TBS met verpleging op te leggen. Indien deze maatregel wordt opgelegd, kan bezien worden waar hij in het kader van deze maatregel kan worden geplaatst zodat de aangewezen intensieve behandeling kan plaatsvinden. Daarbij kan ook gedacht worden aan een Forensich Psychiatrische Kliniek.

R.A. Sterk heeft in zijn rapport van 9 februari 2009 onder meer verklaard:

Betrokkene lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type en is ondanks medicatiegebruik niet psychosevrij. Voorts is er sprake van beperkte intellectuele capaciteiten op licht zwakzinnig niveau. Tezamen brengt dit voor betrokkene met zich mee dat hij weinig draagkrachtig is en slechts in zeer geringe mate spanning verdraagt. Bij oplopende spanning bestaat al snel de kans dat betrokkene psychotisch decompenseert. Voor het behandelteam was zijn gedrag ten tijde van het ten laste gelegde niet te voorzien. Dit maakt betrokkene, wanneer het ziektebeeld waaraan hij lijdt opleeft, onberekenbaar. Deze onberekenbaarheid in combinatie met de ernst van het ten laste gelegde brengt een verhoogd risico op gevaarlijk gedrag met zich mee, dat dus door deskundigen niet kan worden voorzien. De kans op herhaling wordt als duidelijk verhoogd ingeschat. In een GGZ-instelling ligt de nadruk op vermindering van de symptomen en niet zozeer op het gevaar dat de psychische problematiek van betrokkene oplevert. Om het risicomanagement te optimaliseren en de kans op herhaling te minimaliseren is een kader nodig waarin betrokkene een goed gestructureerde psychiatrische setting krijgt aangeboden, waarin hij goed op medicatie wordt ingesteld en waarbij het verhoogde risico op gevaarlijk gedrag bij veranderingen in het behandelplan zwaar wegen. Een dergelijke behandelsetting kan alleen worden gewaarborgd binnen het kader van de maatregel TBS met dwangverpleging.

Een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr is overwogen, maar biedt onvoldoende waarborgen om de verhoogde kans op gevaarlijk gedrag die de ziekte waar betrokkene aan lijdt met zich meebrengt, ook voor de langere termijn adequaat te beheersen.

In zijn rapport van 11 maart 2010 verklaart Sterk dat ten aanzien van het interventieadvies en –condities het advies uit het voorgaande rapport van 9 februari 2009 nog onverminderd van toepassing is.

T.V. van Lent heeft in zijn rapport van 12 februari 2010 onder meer verklaard:

Er is sprake van een psychotische stoornis in het kader van schizofrenie, paranoïde type. Daarnaast is er sprake van een (lichte) zwakzinnigheid. Het gedrag van de onderzochte ten tijde van het ten laste gelegde is volledig vanuit de psychose in combinatie met de zwakzinnigheid te verklaren. Het delictrecidiverisico is zeer sterk gerelateerd aan het risico van het opflakkeren van een paranoïde psychose. Dit risico zal stijgen bij een psychotische decompensatie. Onderzochte kan als persoon niet als gewelddadig worden aangemerkt. Het betreft met name agressie die voortkomt uit psychotische belevingen en gedachten. Het risico op agressief gedrag wordt bij psychotische ontregeling en onvoldoende structuur en veiligheid als hoog ingeschat, in de zin van zeer gevaarlijk en in zekere mate onberekenbaar. Het risico op gewelddadig gedrag in het geval van adequate behandeling, begeleiding, structuur en monitoring van de symptomen en het mogelijk gevaar, wordt als relatief laag ingeschat.

Ondergetekende deelt de mening met de gedragsdeskundigen Rübsaam en Sterk dat bij onderzochte naast de noodzaak van een adequate (intensieve) zorg een goed forensisch psychiatrische risicomanagement plan én uitvoering noodzakelijk is om het gevaar voor de veiligheid goed te kunnen inschatten. Ondergetekende deelt echter niet de mening dat daarom een terbeschikkingstelling (TBS) opgelegd dient te worden. In een GGZ instelling is zeer veel expertise aanwezig op dit gebied, zeker bij patiënten met psychotische stoornissen zoals onderzochte. Binnen de GGZ instellingen zijn vaak ook afdelingen of klinieken gespecialiseerd op forensisch psychiatrisch gebied. Deze klinieken en afdelingen bieden zowel gespecialiseerd forensisch psychiatrische zorg als ook beveiliging. Ondergetekende adviseert een klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of eventueel in een Forensich Psychiatrische Afdeling in het kader van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr. gedurende één jaar. Deze maatregel dient te worden gevolgd door een civiel rechterlijke maatregel en afhankelijk van de psychiatrische toestand en beveiligingsnoodzaak zal onderzochte binnen een GGZ instelling worden verpleegd en begeleid, zo nodig op een gesloten afdeling en zo nodig uit veiligheidsoverwegingen met dwang behandeld.

Oordeel van het hof

Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2010 hebben de deskundigen Rübsaam, Sterk en Van Lent hun adviezen gehandhaafd. Ook de behandelend psychiater van de verdachte, H.C.J. Delpeut, heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd.

Delpeut heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard – kort en zakelijk weergegeven- dat in de loop der jaren bij de verdachte zich wel vaker dreigende decompensaties voordeden, dat daar een stappenplan voor was, dat dit regelmatig werd toegepast en onder meer bestond uit het zoeken van contact met de verdachte, dat de verdachte voorafgaand aan het steekincident was overgeplaatst naar een vestiging in IJburg, dat de verdachte toen een steen door een ruit heeft gegooid bij een bank, dat toen is besloten de verdachte weer terug te plaatsen naar zijn oude woonvoorziening, dat er vervolgens adequaat contact was tussen de verdachte en zijn begeleiders, dat hij op de ochtend van het incident zijn medicatie ingenomen had en dat tot verbazing en volslagen verrassing van zijn vaste begeleiders het steekincident heeft plaatsgevonden. Delpeut heeft voorts nog verklaard dat er bij de verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake is geweest van een impulsdoorbraak en dat hij, Delpeut, er ook achteraf geen verklaring voor heeft dat de impuls zo sterk is geweest.

Van Lent heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat zich ook psychotische decompensaties kunnen voordoen zónder aanwijsbare oorzaak en dat hij er geen verklaring voor heeft dat de verdachte in een uur tijd van niet-psychotische toestand naar een floride psychotische toestand is gegaan. Voorts heeft Van Lent verklaard dat 98% van zijn ten aanzien van de verdachte gedane bevindingen overeenstemmen met de bevindingen van Rübsaam en Sterk, maar dat alleen de uitkomst anders is.

Rübsaam heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard – kort en zakelijk weergegeven - dat het gevaar, gelet op het ten laste gelegde feit, er wel degelijk was, maar kennelijk niet zichtbaar voor de vaste begeleiders van de verdachte, dat hij blijft bij zijn advies tot oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging, dat het daarbij de voorkeur verdient dat de verdachte in een behandelsetting geplaatst wordt, bij voorkeur in een forensisch psychiatrische kliniek (b.v. De Meren) of op een forensisch psychiatrische afdeling.

Voorts hebben zowel Rubsaam als Sterk ter zitting aangegeven dat zij van oordeel zijn dat de oplegging van een TBS-maatregel niet moet leiden tot een uiteindelijk verblijf in een longstay-afdeling van een TBS-kliniek.

Het hof is op grond van al hetgeen hiervoor is weergegeven, waaronder de verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep van Rübsaam en Sterk, dat het gevaar kennelijk niet zichtbaar was voor de vaste begeleiders van de verdachte, en van Delpeut, dat het incident tot verbazing en volslagen verrassing van zijn vaste begeleiders heeft plaatsgevonden en dat er sprake is geweest van een impulsdoorbraak, waarbij hij er ook achteraf geen verklaring voor heeft dat de impuls zo sterk is geweest, van oordeel dat plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr. onvoldoende waarborgen biedt om de verhoogde kans op gevaarlijk gedrag die de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling waaraan de verdachte lijdt, met zich meebrengen, adequaat te beheersen. Weliswaar heeft Van Lent ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het risico op herhaling als gevolg van veranderingen in het leven van de verdachte met voldoende structuur en veiligheid beperkt kan worden gehouden, maar hieromtrent is het hof van oordeel dat, zo al aangenomen zou mogen worden dat het steekincident een gevolg is van de in het leven van de verdachte opgetreden veranderingen in verband met de verhuizing, het risico op herhaling bij plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr. onvoldoende kan worden beperkt, mede gelet op de verklaring van Van Lent dat zich ook psychotische decompensaties kunnen voordoen zónder aanwijsbare oorzaak.

Het hof acht de behandeling in een klinische setting, hoewel naar verwachting intensief en langdurig, noodzakelijk uit een oogpunt van veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. In een psychiatrisch ziekenhuis ligt veeleer de nadruk op het welbevinden van de verdachte en niet zozeer op het beteugelen van het gevaar dat de psychiatrische problematiek van de verdachte voor zichzelf en de samenleving oplevert. Om de risico’s zoveel mogelijk te beperken en de kans op herhaling te minimaliseren is een kader nodig waarin de verdachte een goed gestructureerde psychiatrische setting krijgt aangeboden en waarin hij goed op medicatie wordt ingesteld, waarbij tevens met behulp van een zorgvuldige risicotaxatie vanuit forensisch psychiatrisch perspectief wordt getoetst welke bewegingsvrijheid de verdachte tezijnertijd kan worden toegestaan. Een dergelijke behandelsetting kan naar het oordeel van het hof alleen worden gewaarborgd binnen het kader van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het hof sluit zich daarbij aan bij hetgeen Rübsaam ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, te weten dat het de voorkeur verdient dat de verdachte (zo snel mogelijk) wordt geplaatst in een forensisch psychiatrische kliniek of op een forensisch psychiatrische afdeling en dat de oplegging van een TBS-maatregel niet moet leiden tot een uiteindelijk verblijf in een longstay-afdeling van een TBS-kliniek.

Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen mogelijk is nu

1? het bewezenverklaarde feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en

2? de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist.

Onttrekking aan het verkeer

Het hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerp, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het primair bewezen verklaarde met behulp van dit voorwerp is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte primair ten laste gelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3669,00 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering erkend.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het voormeld bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade, tot na te melden bedrag, heeft geleden. Het hof waardeert deze op een bedrag van € 3.344,00 (drieduizend driehonderdvierenveertig euro). De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde posten kunnen worden toegewezen in nagenoemde zin:

* kleding € 220,00;

* telefoonkosten € 100,00;

* reiskosten € 24,00;

* parkeergelden € 50,00;

* inkomsten Hiswa € 300,00;

* eigen risico zorgverzekeraar € 150,00;

* betaald collegegeld € 1.500,00;

* smartengeld € 1.000,00.

Totaal € 3.344,00.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, zijnde de posten kaart concertavond, de eigen bijdrage psycholoog en de kosten voor rechtsbijstand zijn, gelet op de omstandigheid dat de post kaart concertavond niet nader is onderbouwd, de post eigen bijdrage psycholoog gelet op het voegingsformulier een schatting betreft en de post kosten rechtsbijstand nog niet gemaakte kosten betreft, niet van zo eenvoudige aard dat die zich lenen voor behandeling in deze strafzaak. Deze kosten kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het primair bewezen verklaarde evenwel niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Keukenartikel, Vleesmes.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het primair bewezenverklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Amsterdam, een bedrag van EUR 3.344,00 (drieduizend driehonderdvierenveertig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij ter zake van het primair bewezen verklaarde voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. M.M.H.P. Houben en mr. M.J. Diemer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juni 2010.