Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BX5708

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
25-08-2012
Zaaknummer
23-001043-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (steken met kappersschaar door kapper waarbij slachtoffer -die eerder als klant "escalerend agressief, bedreigend en intimiderend gedrag" jegens de kapper ten toon had gespreid- een aantal steekwonden in het gezicht, armen en borst alsmede een klaplong en een gebroken onderarm opliep). Opzet op de dood wordt bewezen geacht. Beroep op noodweer wordt verworpen. Beroep noodweerexces wordt echter gehonoreerd: kapper ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001043-08

datum uitspraak: 23 februari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-437327-07 tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 februari 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman van de verdachte heeft – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vanwege het openbaar ministerie ingediende appelmemorie zo summier gemotiveerd is dat daaruit niet valt op te maken of een belangenafweging aan het instellen van het appel ten grondslag heeft gelegen.

Het hof beoordeelt hetgeen de raadsman heeft aangevoerd als volgt.

Hoewel de motivering van de appelmemorie van de officier van justitie als beperkt kan worden aangemerkt, blijkt daaruit wel tegen welke beslissing van de rechtbank het appel zich richt en welke grieven daaraan ten grondslag liggen. Hoewel een verdergaande motivering van de grieven door het openbaar ministerie wellicht was aangewezen gelet op de gedetailleerde motivering van de rechtbank, kan het enkele feit dat dit achterwege is gebleven, gegeven de daaromtrent geldende (ook door de raadsman aangestipte) jurisprudentie van de Hoge Raad, niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met die [slachtoffer] heeft gevochten en die [slachtoffer] meermalen, terwijl hij een kappersschaar in zijn hand had, heeft geslagen en die [slachtoffer] meermalen met die schaar heeft gestoken.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van de feiten en van gevoerde verweren

De verdachte is in april 2000 betrokken geweest bij een steekpartij in zijn kapperszaak waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen. De verdachte is daarvoor destijds vervolgd en, na een beroep op noodweerexces, bij vonnis van 20 april 2001 door de rechtbank te Amsterdam van alle rechtsvervolging ontslagen. Het hof merkt op dat bij de beoordeling van de thans aan de verdachte tenlastegelegde feiten en hetgeen daarover ter terechtzitting door de advocaat-generaal en de raadsman naar voren is gebracht, voornoemd vonnis niet ten nadele of ten voordele van de verdachte een rol heeft gespeeld.

De raadsman heeft met betrekking tot het gebeurde op 21 juni 2007 aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte was zich er tijdens de vechtpartij niet van bewust dat hij zijn kappersschaar nog in zijn hand had. De verdachte dient daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge van het uitgeoefende geweld zou komen te overlijden. Weliswaar heeft [slachtoffer] meerdere steekwonden opgelopen, maar zijn verwondingen waren niet van dien aard dat daardoor een aanmerkelijke kans op overlijden is ontstaan. Immers, [slachtoffer] heeft volgens het zogeheten aanvraagformulier medische indicatie van 25 juni 2007 (doorgenummerde dossierpagina pagina 79) slechts gering uitwendig bloedverlies geleden en er was geen vermoeden van inwendig bloedverlies. De verdachte dient daarom van het primair tenlasteglegde te worden vrijgesproken, aldus de verdachte.

De advocaat-generaal heeft bepleit dat het primair tenlastgelegde bewezen dient te worden verklaard. De verdachte moet hebben gemerkt dat hij zijn schaar in zijn hand had toen hij [slachtoffer] sloeg. Immers heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens het knippen de schaar met de duim en ringvinger van zijn rechterhand vasthoudt. Nu de verdachte [slachtoffer] meermalen met zijn rechterhand heeft geslagen, moet hij - tenminste na het maken van de eerste beweging richting de verdachte - bemerkt hebben dat hij de schaar nog steeds vast had.

Het hof overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende de feiten .

Op 21 juni 2007 is de verdachte in zijn kapperszaak aan de Albert Cuypstraat te Amsterdam in gevecht geraakt met [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft daarbij een aantal steekwonden in het gezicht, armen en borst alsmede een klaplong en een gebroken onderarm opgelopen.

De verdachte was bezig met een klant toen [slachtoffer] vlak bij hem kwam staan. De verdachte heeft toen – met zijn kappersschaar nog in de hand – een slaande beweging gemaakt naar [slachtoffer] en deze daarbij in de borststreek geraakt. Daarna zijn de verdachte en [slachtoffer] verder in gevecht geraakt, waarbij de verdachte nog steeds de schaar vast had en heeft verdachte opnieuw slaande bewegingen in de richting van het lichaam van [slachtoffer] gemaakt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte, toen hij een slaande beweging naar [slachtoffer] maakte en daarna verder met hem in gevecht raakte zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij een schaar in zijn handen had. Hij was immers aan het knippen toen [slachtoffer] vlak bij hem kwam staan. Daaraan doet niet af dat de verdachte zich op dat moment bedreigd voelde. Juist in een bedreigende situatie, waarbij de bedreiger zich zeer dicht bij de verdachte bevond en de verdachte zeer op zijn hoede was, moet hij hebben geweten dat hij de schaar nog in zijn hand hield. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat toen hij met [slachtoffer] in gevecht raakte hij niet wist dat hij een schaar vast had niet geloofwaardig. Het hof verwerpt daarom het beroep op ontbreken van opzet.

Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk letsel zou toebrengen, overweegt het hof als volgt.

Steekverwondingen in de borststreek of de hals kunnen, naar algemeen bekend is, dodelijk zijn. Door met een schaar in de hand slaande bewegingen te maken in de richting van het bovenlichaam en het hoofd van [slachtoffer], zoals hiervoor weergegeven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk zou verwonden. De gedragingen van de verdachte zoals beschreven zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte willens en wetens deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Het hof acht daarom voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] bewezen. Dat leidt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Het hof komt daarmee niet meer toe aan het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat het handelen van de verdachte gericht geweest is tegen een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft, aldus de raadsman, langere tijd schreeuwend en scheldend de verdachte bedreigd en is op een gegeven moment zeer dicht bij de verdachte gaan staan, waarop hij de verdachte tegen zijn borst heeft geslagen. De verdachte kon volgens de raadsman redelijkerwijs niet anders op die aanranding reageren dan door de tegenaanval te kiezen. De verdachte had [slachtoffer] meermalen, op een rustige toon verzocht de zaak te verlaten, aan welke verzoeken door [slachtoffer] geen gevolg werd gegeven. [slachtoffer] stond zeer dicht op de verdachte – volgens de verdachte stonden zij met de gezichten bijna tegen elkaar - en de kapperszaak was klein en stond vol met kappersstoelen, kaptafels, spiegels, droogkappen en andere voorwerpen. In de zaak waren ook andere personen aanwezig. De mogelijkheden voor de verdachte om zich aan het geweld te onttrekken, waren zeer beperkt, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat onder de gegeven omstandigheden niet van de verdachte verwacht mocht worden dat hij het door [slachtoffer] uitgeoefende geweld zou ontvluchten. De verdachte bevond zich in zijn eigen kapperszaak en hij droeg behalve de zorg voor zijn bedrijf ook verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn medewerkers en klanten.

Tot slot heeft de raadsman benadrukt dat de verdachte zich er niet of nauwelijks van bewust is geweest dat hij de schaar nog in zijn hand had tijdens de vechtpartij en dat hij bovendien geen tijd heeft gehad om zich van de schaar te ontdoen. De confrontatie met [slachtoffer] ontspon zich razendsnel en de verdachte heeft de slagen van [slachtoffer] beantwoord door meteen terug te slaan.

De verdachte dient mitsdien ontslagen te worden van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir bestreden dat sprake was van een noodweersituatie.

Ten eerste was geen sprake van een (dreigende) onmiddellijke wederechtelijke aanranding door [slachtoffer]. De advocaat-generaal voert hiertoe aan dat zij geen uitspraken kent waarin een duw wordt aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding. De verschillende getuigen verklaren weliswaar dat [slachtoffer] bedreigend overkwam door zijn geschreeuw en gescheld, maar die situatie gaf kennelijk voor de aanwezigen geen aanleiding de verdachte te hulp te schieten, de politie te bellen of zich uit de voeten te maken, zodat het met die dreiging moet zijn meegevallen, aldus de advocaat-generaal.

Voorts stonden de verdachte andere opties open dan de tegenaanval te kiezen. Het enkele feit dat de verdachte [slachtoffer] meerdere malen heeft gevraagd de kapperszaak te verlaten, doet niet af aan zijn verplichting andere oplossingen te zoeken De verdachte heeft niemand gevraagd om hem te hulp te komen of de politie te bellen. Volgens de getuigen [getuigen] heeft de verdachte bovendien [slachtoffer] in het nauw gedreven en was de verdachte [slachtoffer] de baas . De handelingen van de verdachte waren niet noodzakelijk tot zijn verdediging, aldus de advocaat-generaal.

Het hof beoordeelt hetgeen de raadsman en de advocaat-generaal hebben aangevoerd als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten .

Een drietal weken vóór 21 juni 2007 was [slachtoffer] ook in de kapsalon van de verdachte. Hij had zich toen agressief gedragen en klanten lastig gevallen. Kort na het verlaten van de kapsalon was [slachtoffer] toen door de politie aangehouden in een nabijgelegen café. Een paar dagen na dit gebeurde was [slachtoffer] weer naar de kapsalon gekomen om een zonnebril die hij was kwijtgeraakt te zoeken. Ook toen gedroeg hij zich agressief en onheus. De verdachte heeft [slachtoffer] laten kijken in een bakje met gevonden voorwerpen maar de bril zat er niet bij.

Op 21 juni 2007 is [slachtoffer] tegen het begin van de avond de kapperszaak binnengegaan met de wens geschoren te worden. Nadat de verdachte hem had geschoren heeft [slachtoffer] een zonnebril gepakt die bij een spiegel lag en gezegd dat hij de bril zou houden. De verdachte heeft hem dat verboden, omdat de bril van een ander was. [slachtoffer] heeft de bril vervolgens weer teruggelegd en geweigerd te betalen voor het scheren. De verdachte heeft [slachtoffer] meermalen verzocht toch te betalen, hetgeen [slachtoffer] telkens weigerde . De verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] gevraagd de zaak zonder betaling te verlaten (“Praat niet verder, ga maar naar buiten”) en niet meer terug te komen. De verdachte reageerde op het oog kalm en rustig terwijl hij intussen het haar van de volgende klant, zijn dochter, aan het knippen was.

Tijdens de woordenwisseling over de zonnebril en de betaling voor het scheren, heeft [slachtoffer] bedreigingen geuit aan het adres van de verdachte, in elk geval in die zin dat [slachtoffer] met anderen zou terugkomen om de zaak kapot te slaan. Toen de verdachte [slachtoffer] vroeg het pand te verlaten heeft deze op agressieve en bedreigende wijze gezegd: “Ik kom hier gewoon, wie ben jij?” en “Wie ben jij om dat te zeggen?”.

Vervolgens is [slachtoffer] op de verdachte afgelopen en bijna tegen hem aan gaan staan. Verdachte heeft toen een hand op de schouder van [slachtoffer] gelegd geprobeerd hem met zachte hand te bewegen de salon te verlaten. Daarop duwde [slachtoffer] met beide handen tegen de borst van de verdachte. Toen volgde het handgemeen zoals hiervoor in de rubriek het bewezenverklaarde is weergegeven.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op het hiervoor geschetste escalerende agressieve, bedreigende en intimiderende gedrag van [slachtoffer] jegens de verdachte en zijn omgeving, sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

Naar het oordeel van het hof stonden voor de verdachte geen zinvolle alternatieven open en kon niet van hem gevergd worden dat hij zou vluchten. De verdachte was werkzaam in zijn eigen kapperszaak waar klanten en personeelsleden aanwezig waren. [slachtoffer] had zich kort voordien tweemaal eerder in woord en gebaar misdragen in de kapperszaak en was met de politie in aanraking geweest, hetgeen bij de verdachte bekend was. De verdachte had [slachtoffer] meermalen vergeefs verzocht het pand te verlaten. [slachtoffer] stond bijna tegen de verdachte aan op het moment dat hij de verdachte bedreigde. Daarna is [slachtoffer] overgegaan tot fysiek geweld en heeft hij verdachte tegen de borst geduwd.

Het hof ziet – anders dan de advocaat-generaal – in de betrekkelijke inactiviteit van de overige aanwezigen geen reden om aan te nemen dat de situatie minder bedreigend was dan door de verdachte is geschetst. Getuigen hebben bevestigd dat [slachtoffer] dreigende taal uitte, druk gesticuleerde en dat hij zeer dicht bij de verdachte stond. Het is een feit van algemene bekendheid dat omstanders zich afzijdig plegen te houden bij geweldsincidenten.

Dat de afloop van het gevecht in het voordeel van de verdachte is beslecht, sluit geenszins uit dat dat gevecht is voortgekomen uit een in eerste instantie wederrechtelijk handelen van het latere slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof doet de visie van het openbaar ministerie, dat de reactie van de verdachte op de aanval van [slachtoffer] opdeelt in een aantal te onderscheiden en afzonderlijk van elkaar te beoordelen fasen, geen recht aan het plotse en explosieve karakter dat geweldsuitbarstingen als de onderhavige kenschetst. Evenmin wordt voldoende rekening gehouden met het aspect van handhaving van de orde, dat aan noodweer verbonden is. Ter beoordeling van een beroep op noodweer dient niet slechts acht te worden geslagen op de situatie vlak voor aanvang van de verdediging, maar dient ook hetgeen aan de aanranding vooraf is gegaan ook in aanmerking te worden genomen.

De wijze waarop de verdachte invulling heeft gegeven aan zijn verdediging tegen de steeds verder opdringende en agressieve [slachtoffer] staat naar het oordeel van het hof echter onvoldoende in verhouding tot de aard en het uit de aanranding voortkomende gevaar. De vereiste, hoge reactiesnelheid op de aanranding, had de verdachte niet mogen beletten alternatieve middelen te beproeven.

[slachtoffer] gebruikte geen wapen toen hij de verdachte aanviel en die omstandigheid is ook niet aannemelijk geworden. [slachtoffer] bediende zich van zijn handen en vuisten, waartegenover de verdachte een schaar stelde, die praktisch gezien niet onderdoet voor een scherp steekwapen als een mes of een dolk. De verdachte had zich naar het oordeel van het hof op een minder vergaande manier teweer kunnen en moeten stellen tegen de aanval van [slachtoffer].

De verdachte heeft mitsdien het naar het oordeel van het hof de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

Het beroep op noodweer dient om die reden te worden afgewezen.

Er zijn overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair bepleit dat het handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd als noodweerexces. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden ten gevolge van een hevige, door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het beroep op noodweerexces. Het gedrag van [slachtoffer] kan niet de oorzaak zijn geweest van het handelen van de verdachte, omdat de situatie niet voldoende bedreigend was, aldus de advocaat-generaal.

Daarnaast heeft de verdachte heeft volgens getuigen [getuigen] welbewust naar de buikstreek van de verdachte gestoken, hetgeen erop duidt dat de verdachte een weloverwogen aanval op [slachtoffer] heeft gepleegd.

In de door J.M. Oudejans opgestelde rapportage van 18 september 2007 is voorts neergelegd dat de verdachte een kalm persoon is die niet zomaar van zijn stuk te brengen is. Deze passage duidt er eerder op dat de verdachte weloverwogen heeft gehandeld dan dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt ten aanzien van het door de raadsman en advocaat-generaal aangevoerde als volgt.

Een succesvol een beroep op noodweerexces vooronderstelt ten eerste een voorafgaande noodweersituatie. De aanwezigheid daarvan is door het hof vastgesteld. Voorts dient de verdachte de grenzen van de noodzakelijk verdediging te hebben overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Het hof zal bij de beoordeling van een beroep op noodweerexces zich zowel moeten laten leiden door de verklaringen van de verdachte over zijn gemoedstoestand, als door de uiterlijk waarneembare en feitelijk vast te stellen omstandigheden waaronder het geweld heeft plaatsgevonden. Het hof heeft daarbij het volgende van belang geacht.

De verdachte heeft op 21 juni 2007 tegenover de politie verkaard dat hij door [slachtoffer] werd geslagen en dat hij “in een reflex” heeft teruggeslagen en dat hij niet weet hoe lang de vechtpartij heeft geduurd. Hij verklaarde dat hij boos was en zich probeerde te verdedigen. De verdachte heeft verklaard [slachtoffer] hard te hebben geslagen en dat hij niet heeft opgelet waar hij hem sloeg. Hij was zich er niet van bewust dat hij stekende bewegingen heeft gemaakt. [slachtoffer] had gedreigd hem te vermoorden.

Op 20 juli 2007 heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij “voor zijn leven” vocht en dat hij bang was voor [slachtoffer]. Hij was zich niet meer bewust van wat er gebeurde en dacht dat [slachtoffer] hem wilde vermoorden. Het was de verdachte “zwart voor ogen”

Ter terechtzitting in hoger beroep op 9 februari 2010 heeft de verdachte verklaard dat hij ogenschijnlijk rustig was, terwijl hij ‘van binnen’ angstig was en zich afvroeg wat [slachtoffer] hem zou kunnen aandoen.

De verklaring dat hij op dat moment in een heftige gemoedstoestand kwam te verkeren, wordt bevestigd door de getuige [getuige], die heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte boos werd en dat zijn ogen “vuurrood” werden.

Over de persoonlijkheid van de verdachte is door J.M. Oudejans, psycholoog, een Pro Jusititia rapportage uitgebracht. Hierin is de volgende passage opgenomen met betrekking op de persoonlijkheid van de verdachte.

“Er zijn geen aanwijzingen voor een fragiel zelfgevoel of een wisselende zelfwaardering. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een verhoogde krenkbaarheid of agressieve prikkelbaarheid. Betrokkene’s impulsreactie is ongestoord, evenals zijn agressiehuishouding. Hetzelfde geldt voor de gewetensfuncties”. Voorts is geconcludeerd dat de verdachte beschikt over “een goed ontwikkeld vermogen om zijn boosheid en woede te reguleren en te controleren, en dat er nogal wat moet gebeuren om betrokkene op dit terrein te ontregelen.

Gegeven de hierboven en de eerder weergegeven omstandigheden en de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte gehandeld heeft onder invloed van een hevige gemoedsbeweging.

Deze gemoedsbeweging werd veroorzaakt door het directe gevaar dat de verdachte voelde voor zijn lijf, volgende uit de bedreigingen en handelingen van [slachtoffer], die in plaats van gevolg te geven aan de op deëscalatie van de zaak gerichte aanpak van de verdachte, (“je hoeft niet te betalen, ga weg nu”), doorging met het uiten van dreigementen, zich tegen de verdachte opdrong (“borst tegen borst”) en op een beweging van de verdachte om hem – met een hand op de schouder naar buiten te geleiden, reageerde door verdachte te duwen en zich zo te verzetten.

De verdachte verkeerde onder een grote geestelijke druk toen hij tot handelen werd gedwongen door [slachtoffer]. Dat de verdachte zich onder die druk heeft verweerd op de wijze zoals bewezen is verklaard, kan hem niet worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof is het blijven steken richting [slachtoffer] toen deze al op de grond lag, eveneens uit bedoelde gemoedsbeweging te verklaren.

De verdachte is niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte voor het primair bewezen verklaarde evenwel niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Kortenhorst, mr. J.P. Splint en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van mr. W. Blaak, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2010.