Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BX5704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
25-08-2012
Zaaknummer
23-000967-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4393, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord (schieten van kogel door hoofd van vriend van ex-vriendin)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000967-08

datum uitspraak: 18 januari 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-740107-07 van het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte ],

geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ],

thans verblijvende in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 24 januari 2008 en 31 januari 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 31 augustus 2009, 3 september 2009, 14 oktober 2009 en 4 januari 2010.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 september 2006 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoeken

Mr. J.S. Spijkerman, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft als raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bij gelegenheid van zijn pleidooi het hof andermaal verzocht de advocaat-generaal te bevelen onderzoek te verrichten naar “de personen genoemd door de CIE-informant”. Bedoeld zijn twee personen die in een proces-verbaal inzake bij de Criminele Inlichtingen Eenheid ingekomen informatie worden aangeduid als “black” en “kleine”. Deze personen zouden volgens bedoelde informatie voornemens zijn geweest een zekere [S.] te liquideren in verband met betrokkenheid van die [S.] bij een ripdeal van cocaïne (map 1, pagina 96). Naar de mening van de raadsman zou uit het onderzoek kunnen volgen dat degene die op 18 september 2006 [slachtoffer] heeft doodgeschoten, het niet op [slachtoffer] maar op deze [S.] had voorzien en dat het niet de verdachte was die het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof wijst het verzoek af. Blijkens het dossier is in deze zaak in ruime mate onderzocht of het neerschieten van [slachtoffer] in een andere context dan die van jaloezie in de relationele sfeer moest worden geplaatst en of anderen dan de verdachte als dader zouden kunnen worden aangemerkt. Dit onderzoek heeft geen houvast opgeleverd voor de veronderstelling dat één of meer personen op 18 september 2006 en in de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode voornemens waren eerdergenoemde [S.] te liquideren en bij vergissing [slachtoffer] hebben doodgeschoten. Uit de door [S.] in het onderhavig onderzoek afgelegde verklaringen (map 8, pagina’s 816-823) volgt geenszins dat [S.] zich destijds in verband met een eerder plaatsgevonden ripdeal bedreigd voelde. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd, is ook overigens geen grond te vinden voor het oordeel dat een onderzoek als door de raadsman voorgestaan alsnog noodzakelijk is gebleken.

Ten tweede heeft de raadsman, eveneens bij pleidooi in hoger beroep, verzocht, mocht het hof de verklaringen van de getuige [getuige 1] bruikbaar achten voor het bewijs, een getuige-deskundige te benoemen, die uitsluitsel kan geven over de geloofwaardigheid van die verklaringen.

Het hof wijst dit verzoek af. Behoudens in het geval van bijzondere omstandigheden, die zijn gesteld noch gebleken, is het bij uitstek de taak van de rechter de geloofwaardigheid van in een strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen te beoordelen. Naar ’s hofs oordeel had het de voorkeur verdiend dat de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep was gehoord. Dat dit laatste niet is gebeurd, brengt echter niet mee dat het hof de geloofwaardigheid van de verklaringen van die getuige niet naar behoren kan beoordelen. De stukken die zich in het dossier bevinden - waaronder mede de diverse door de getuige tegenover de politie, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen -, alsmede het (verder) ter terechtzitting verhandelde stellen het hof genoegzaam in staat de door die [getuige 1] afgelegde verklaringen op hun geloofwaardigheid te beoordelen. De noodzaak van het benoemen van een getuige-deskundige tot het door de raadsman voorgestane doel is derhalve niet gebleken.

Ten slotte heeft de raadsman, opnieuw bij pleidooi in hoger beroep, verzocht, mocht het hof de verklaring van de getuige [getuige 2] van 20 april 2007 tot het bewijs willen bezigen, de verbalisanten te horen die deze getuige op die datum hebben gehoord (map 8, pagina 747 e.v.).

Het hof wijst ook dit verzoek af. De getuige [getuige 2] is ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, zodat het hof reeds daarom in staat is de bruikbaarheid van hetgeen als diens mededelingen in het proces-verbaal van bevindingen van 20 april 2007 is opgenomen, genoegzaam te beoordelen. De noodzaak van het horen van de verbalisanten is niet gebleken.

Verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. De verdediging heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat het verhaal van [getuige 1], inhoudende dat de verdachte hem de tenlastegelegde moord heeft bekend en hem heeft verteld hoe het een en ander er is toegegaan, op nader door de raadsman genoemde en hierna te bespreken punten in strijd is met de feiten en/of met de verklaringen van andere getuigen dan wel aantoonbaar afkomstig is uit het dossier van de verdachte dat door [getuige 1] zou zijn gelezen, zodat de verklaring van [getuige 1] geen daderwetenschap bevat die alleen door de verdachte aan [getuige 1] kan zijn verteld. De raadsman heeft ter onderbouwing van deze laatste stelling met name verwezen naar de door de getuige [getuige 3] op 11 mei 2009 tegenover de raadsheer-commissaris in hoger beroep afgelegde verklaring, kort samengevat inhoudend dat deze [getuige 3] hetgeen waarvan [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte het hem had bekend en verteld, samen met [getuige 1] heeft verzonnen met het oog op de in deze strafzaak uitgeloofde beloning van € 15.000.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe, grotendeels overeenkomstig de overwegingen van de rechtbank, als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de door [getuige 1] afgelegde verklaringen over hetgeen de verdachte hem heeft bekend en hem heeft verteld over (de feiten en omstandigheden rondom) de gepleegde moord en de gang van zaken daarna, voldoende consistent en gedetailleerd en daarmee voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd.

Uitgangspunt kan daarbij blijkens het dossier zijn dat [getuige 1] en de verdachte vanaf 1 december 2006 in dezelfde afdeling van het huis van bewaring te Zwaag waren geplaatst en van 15 december 2006 tot 25 januari 2007 in dat huis van bewaring een cel deelden en alleen tot 25 januari 2007 met elkaar hebben gesproken, dat [getuige 1] op 25 januari 2007 naar de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein is overgeplaatst en dat hij van daaruit op 29 of 30 januari 2007 voor het eerst, via de telefoon, contact heeft opgenomen met de politie Zaanstreek-Waterland.

[getuige 1] heeft steeds verklaard (map 8, pagina 609 e.v. en 627 e.v.) dat de verdachte hem

- zeker drie keer en op verschillende tijdstippen - heeft verteld dat hij zelf het slachtoffer

[slachtoffer] een kogel door zijn hoofd heeft geschoten.

De verklaringen van [getuige 1] vinden op onderdelen bevestiging in verklaringen van andere getuigen, in andere stukken van het dossier (zoals bevindingen van het observatieteam en afgeluisterde telefoongesprekken) en in verklaringen van de verdachte. Met de rechtbank acht het hof in dit verband in het bijzonder het navolgende van belang.

[getuige 1] heeft over de voorbereiding van de moord door middel van onder meer ‘het posten bij de flat’ verklaard (op 12 februari 2007, map 8, pagina 609 e.v., op 1 maart 2007, map 8, pagina 627 e.v. en tegenover de rechter-commissaris op 28 november 2007) dat de verdachte hem heeft verteld dat hij [slachtoffer] al een tijd lang vóór de moord had geobserveerd bij het flatgebouw waarin [slachtoffer] woonde en dat hij daarbij zijn brommer altijd aan liet staan, maar op de standaard zette.

Dit onderdeel van de verklaringen van [getuige 1] vindt steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 4] (map 6, pagina 378 e.v. en map 7, pagina 440 e.v.), [getuige 5] (map 6, pagina 323 e.v. en map 7, pagina 461 e.v.), [getuige 6] (map 6, pagina 328 e.v.) en [getuige 7] (map 6, pagina 340 e.v. en 344 e.v.). Deze getuigen hebben verklaard dat zij in de dagen voorafgaand aan 18 september 2006 rondom het tijdstip van de moord meermalen een man met een brommer (op de standaard) hebben zien staan bij de onderdoorgang naar de straat Poelenburg. [getuige 6] heeft daarbij verklaard dat zij een brommer stationair heeft horen draaien.

Over ‘de grijze trui’ heeft [getuige 1] verklaard op 8 februari 2007 (map 8, pagina 605 e.v.), op 12 februari 2007 (map 8, pagina 609 e.v.), op 1 maart 2007 (map 8, pagina 627 e.v.) en tegenover de rechter-commissaris op 28 november 2007. Hij heeft daarbij verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij met een grijze trui onder een brug had gestaan, dat hij die trui had willen dumpen omdat er kruitsporen op zaten, maar dat hij een auto had gehoord en de trui weer had meegenomen, waarbij er een druppelspoor op de grond was ontstaan. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat de verdachte hem om advies had gevraagd over wat hij bij zijn verhoor moest zeggen over wat hij daar bij het water deed en hem had gezegd dat hij goede antwoorden wilde geven maar geen goed antwoord had.

Dit onderdeel van de verklaring van de getuige [getuige 1] vindt steun allereerst in het proces-verbaal van het observatieteam van 18 september 2006 (map 12, pagina 36 e.v.), waarin wordt gerelateerd dat het observatieteam op die datum rond 10.10 uur waarneemt dat de verdachte met een grijs opgerold voorwerp voor zijn buik naar de waterkant van de Buiksloterbreek loopt en na wat heen en weer lopen terugloopt naar zijn auto, waarbij hij een grijs kledingstuk dat nat lijkt te zijn, met zich meedraagt, en er een waterspoor loopt vanaf de bovenkant van de trap bij het talud richting de plek waar de auto van de verdachte heeft gestaan.

In dit verband kan ook gewezen worden op de verklaringen van de getuigen [getuige 5] (map 6, pagina 323 e.v.) en [getuige 8] (map 6, pagina 62 e.v.) die spreken over een (vermoedelijke) dader met een grijze trui/jas, en de verklaringen die door de verdachte omtrent zijn handelingen bij de waterkant zijn afgelegd, alsmede het proces-verbaal van bevindingen betreffende het bezoek van de politie met de verdachte aan de desbetreffende locatie aan de waterkant op 19 december 2006 (map 3, pagina 700 e.v.). De verdachte zegt in zijn verhoren aanvankelijk dat hij zich niet weet te herinneren dat hij bij het water is geweest (map 18, pagina 475, en map 10, pagina 171), terwijl hij zich zijn overige bezigheden van 18 september 2006 goed weet te herinneren. Later, op 28 november 2006, oppert de verdachte dat hij mogelijk misselijk was of heeft staan plassen (map 18, pagina 580) en nog weer later, op 12 en 19 december 2006, dat hij wellicht de eendjes heeft gevoerd (map 19, pagina 712, en map 3, pagina 700 e.v.). Ten slotte verklaart de verdachte, voor het eerst op 29 mei 2007, (map 19, pagina 1200 e.v.) dat hij een grijs T-shirt heeft willen laten verdwijnen dat hem als verdachte aan zou kunnen wijzen voor een poging inbraak in augustus (2006) bij een gokkastenbedrijf in de buurt van Den Bosch. Door de Infodesk van de regiopolitiekorpsen Brabant-Noord en Brabant-Zuidoost is echter meegedeeld dat aldaar in de voorhanden zijnde politiesystemen geen melding dan wel aangifte is gevonden van een dergelijke (poging tot) inbraak in de maanden juni, juli of augustus 2006 (map 17, pagina 10). Al met al heeft de verdachte naar ’s hofs oordeel geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn bezigheden op 18 september 2006 aan de waterkant van de Buiksloterbreek. Tevens volgt uit de inhoud van zijn diverse verklaringen dat hij in elk geval in de periode van 28 november tot en met 19 december 2006 zocht naar een “goede” verklaring voor zijn aanwezigheid en bezigheden aan die waterkant op 18 september 2006. In zoverre bevestigen ook de verklaringen van de verdachte de verklaring van [getuige 1] op dit punt.

Over ‘de witte sportschoenen’ heeft [getuige 1] verklaard op 8 en 12 februari 2007 (map 8, pagina 605 e.v en 609 e.v.) en ten overstaan van de rechter-commissaris op 28 november 2007. Hij heeft daarbij verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij ten tijde van het plegen van de moord witte schoenen aan had en dat daar bloedspetters op waren gekomen. De verdachte heeft hem verteld dat hij zijn witte sportschoenen bij zijn ex-vrouw en zijn dochter had achtergelaten, nadat hij de schoenen op hoge temperatuur had gewassen. De verdachte heeft tegen de getuige gezegd: “ik ben dom geweest, ik gaf ze aan mijn dochter” en dat hij haar had gevraagd of zij iets verkeerds had gezegd tegen de politie. De verdachte heeft daarop aan de getuige gevraagd wat hij de politie zou vertellen over het achterlaten van de schoenen bij zijn dochter. Het zat de verdachte dwars, aldus de getuige, dat de verdachte op vragen daaromtrent geen antwoord kon geven.

Dit onderdeel van de verklaringen van de getuige vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen van het observatieteam (map 12, pagina 36 e.v.) waarin wordt gerelateerd dat de verdachte op 18 september 2006 omstreeks 09.09 uur bij zijn woning aankomt en witte sportschoenen draagt, en het proces-verbaal van relaas (map 1, pagina 44) waarin is opgenomen het telefoongesprek tussen de verdachte en zijn dochter [dochter ] van 7 november 2006. In dit gesprek vraagt de dochter de verdachte of hij de schoenen nog moet hebben die in haar kast staan, waarop de verdachte haar opdraagt deze te laten staan. Deze schoenen worden vervolgens op 8 november 2006 door de politie in die kast aangetroffen en in beslag genomen (map 10, pagina 76). De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de inbeslaggenomen schoenen van hem zijn.

In dit verband kan ook gewezen worden op de verklaring van de dochter, [dochter], (map 7, pagina 551 e.v.) dat zij de schoenen voor haar vader moest bewaren en dat dit de eerste keer was dat zij iets voor hem moest bewaren, alsmede de verklaring van de ex-vriendin van de verdachte, [ex-vriendin], (map 7, pagina 521 e.v. en 548 e.v.) dat zij niets wist van de schoenen. Ook kan gewezen worden op het telefoongesprek van 2 december 2006 tussen de verdachte en zijn dochter, waarin hij haar – direct nadat hij uit de beperkingen is – kennelijk instrueert omtrent de kwestie met de schoenen (map 13, pagina 626 e.v.).

Over het ‘telefoongesprek van 2 december 2006’ tussen de verdachte en zijn ex-vriendin

[ex vriendin ] heeft [getuige 1] verklaard op 8 en 12 februari 2007 (map 8, pagina 605 e.v en pagina 609 e.v.). Hij heeft daarbij verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij alles aan zijn ex-vriendin, niet zijnde [getuige 8], had verteld. Ook had de verdachte hem verteld dat de verdachte getapt was en dat de verdachte, toen hij uit de beperkingen kwam, een foutje had gemaakt door tegen zijn ex-vriendin te zeggen dat ze niets moest zeggen als er politie kwam.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het hier kennelijk gaat om het hiervóór genoemde telefoongesprek van 2 december 2006 dat de verdachte, direct nadat de hem opgelegde beperkingen waren opgeheven, met zijn ex-vriendin [ex vriendin ] heeft gevoerd (map 13, pagina 552 e.v. en bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2009) en waarin hij zegt dat hij ‘het’ alleen tegen deze [ex vriendin ] heeft gezegd en dat zij niet verplicht is te praten, kennelijk: te praten tegen de politie. Het ‘foutje’ waarover [getuige 1] heeft verklaard, is derhalve niet anders te interpreteren dan dat de verdachte zich op dit punt heeft versproken. De bewering van de verdachte dat de mededeling dat hij ‘het’ tegen niemand anders had gezegd, zag op het feit dat hij anderen dan deze ex-vriendin (in het bijzonder zijn moeder) niet had gezegd dat hij verdacht werd van moord en dat dezen dat ook niet mochten weten, acht het hof met de rechtbank, gelet op het verband en de samenhang met de overige bewijsmiddelen, niet aannemelijk. Te meer niet daar, zoals de verdachte eerder heeft verklaard en uit de stukken van het dossier volgt, reeds korte tijd na de moord binnen een grote kring van personen bekend was dat hij verdacht werd van de onderhavige moord. In de nieuwsuitzending van AT5 van 18 september 2006 omstreeks 18.25 uur werd ook reeds gezegd dat in de buurt het verhaal de ronde deed dat het slachtoffer zou zijn doodgeschoten door de ex-vriend van de vriendin van het slachtoffer (map 3, pagina 486).

Het verweer van de raadsman, voor zover inhoudende dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] geen daderwetenschap bevatten, in die zin dat de getuige zijn wetenschap heeft vergaard door het lezen van de processtukken in de zaak van de verdachte gedurende de periode (van 15 december 2006 tot 25 januari 2007) dat hij met de verdachte in het Huis van Bewaring een cel deelde, faalt.

De enkele omstandigheid dat een groot deel van de door [getuige 1] verschafte informatie is terug te vinden in het dossier van de verdachte, maakt de door [getuige 1] afgelegde verklaringen nog niet onbetrouwbaar. [getuige 1] heeft in hoger beroep tegenover de raadsheer-commissaris op 9 december 2009 nader verklaard over de wijze waarop de verdachte zijn informatie aan [getuige 1] heeft verstrekt, namelijk door hem af en toe stukjes uit het dossier te laten lezen en door hem om advies te vragen. Hij heeft daarbij op niet ongeloofwaardige wijze ontkend het gehele dossier te hebben gelezen. Het hof wordt gesterkt in dit oordeel door de omstandigheid dat blijkens het dossier de verdachte voor het eerst met de hiervóór besproken telefoongesprekken van 2 december 2006 is geconfronteerd in zijn 16e verhoor op 18 januari 2007 (map 10, pagina 228 e.v.). De uitwerking van die telefoongesprekken, alsmede de uitwerking van het verhoor van 18 januari 2007 zijn eerst op 26 januari 2007 aan de verdediging verstrekt. [getuige 1] heeft met de verdachte een cel gedeeld van 15 november 2006 tot 25 januari 2007, op welke laatste datum [getuige 1] is overgeplaatst naar een ander huis van bewaring (map 1, pagina 56). Hieruit volgt dat [getuige 1] deze informatie niet kan hebben gelezen in de processtukken die de verdachte van zijn zaak in zijn cel had, zodat het niet anders kan dan dat [getuige 1] hetgeen hij over deze telefoongesprekken heeft verklaard, rechtstreeks van de verdachte heeft gehoord.

Mede gelet op het vorenoverwogene hecht het hof voorts geen geloof aan de verklaring van de getuige [getuige 3], op 11 mei 2009 afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris, waarop de raadsman en de verdachte zich beroepen. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat deze getuige samen met [getuige 1], zoals hij heeft verklaard, de inhoud van de uitgebreide en gedetailleerde verklaringen die [getuige 1] op 8 februari 2007 heeft afgelegd, in een periode van slechts twee weken gezamenlijk hebben bedacht. Beiden zijn immers weliswaar in de penitentiaire inrichting te Nieuwegein gedetineerd geweest, maar dat betrof een periode die niet – zoals [getuige 3] beweert – “ongeveer Kerst 2006” maar pas op 25 januari 2007 begon en daar deelden zij – volgens de verklaring van [getuige 3] – niet een cel maar ontmoetten zij elkaar slechts in de wandelgangen en bij het luchten, waarbij het vertrouwen tussen hen langzaam groeide.

Wat betreft het motief van [getuige 1] om de politie in te lichten over de door de verdachte aan hem bekende moord, heeft hij op 12 februari, 1 maart en 28 november 2007 verklaard (map 8, pagina 609 e.v. en 627 e.v. en het proces-verbaal van het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris van 28 november 2007) - zakelijk weergegeven - dat hij niet goed kon slapen en functioneren doordat hij de afschuwelijke informatie van de verdachte had gekregen, dat hij de verdachte daarin geloofde en dat hij zich hierover wilde uiten. Gezien de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat [getuige 1] vóór 8 februari 2007 al bekend was met de in deze strafzaak uitgeloofde beloning, en de omstandigheid dat evenmin aannemelijk is geworden dat hij tot nu toe aanspraak heeft gemaakt op die beloning, is niet aannemelijk geworden dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, [getuige 1] de voor de verdachte belastende verklaringen slechts heeft afgelegd met het oog op die beloning.

De door de raadsman genoemde discrepanties op onderdelen tussen de verklaringen van [getuige 1] enerzijds en de verklaringen van andere getuigen anderzijds - zoals onder meer omtrent de kleur van de brommer, de muts en de handschoenen van de dader - en de omstandigheid dat de observanten vlak nadat de moord was gepleegd geen bloedspatten op de witte gymschoenen van de verdachte hebben waargenomen, zijn naar het oordeel van het hof van zodanig ondergeschikte betekenis, dat zij geen afbreuk doen aan de overtuigingskracht van de door deze getuige afgelegde verklaringen.

Het verweer ten slotte dat er ingevolge het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering onvoldoende bewijs aanwezig is, nu de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 9] zijn te herleiden tot slechts één bron, en wel de verdachte, wordt verworpen. Het geval van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering doet zich hier niet voor omdat de omstandigheid dat de drie getuigen hun wetenschap ontlenen aan wat zij van de verdachte hebben vernomen en wat zij daarbij hebben waargenomen, niet meebrengt dat het ervoor moet worden gehouden dat het hier om de verklaring van slechts één getuige gaat. Bovendien bezigt het hof ook andere bewijsmiddelen, die voldoende steun geven aan de verklaringen van de drie bedoelde getuigen.

De overige door de raadsman gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dan wel in de door het hof zonodig gegeven overwegingen in de aanvulling op dit arrest.

Het voorgaande brengt mee dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het bewezenverklaarde.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 september 2006 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, alsmede op de hiervoor in reactie op de gevoerde verweren weergegeven nadere overwegingen omtrent het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot 12 jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 15 jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op een koelbloedige en brute wijze, midden in een woonwijk, [slachtoffer], toen deze zijn woning ’s morgens vroeg nietsvermoedend verliet om met een collega naar zijn werk te gaan, van dichtbij door het hoofd geschoten en daarmee vermoord.

Van de achtergrond van de moord heeft de verdachte geen geheim gemaakt, namelijk dat hij er grote moeite mee had dat zijn ex-vriendin was gaan wonen bij [slachtoffer]. De verdachte heeft de moord zorgvuldig voorbereid. Zo heeft hij voorafgaand aan de moord enkele dagen in de vroege morgen bij de flat van het slachtoffer gepost en heeft hij zich voorzien van een vuurwapen. Na de moord heeft hij gepoogd alle sporen uit te wissen.

Aldus heeft de verdachte, kennelijk louter handelend vanuit jaloezie dan wel wraakgevoelens, niet alleen het slachtoffer het recht op leven, het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt, ontnomen, maar ook de nabestaanden onherstelbaar en groot leed toegebracht.

Door deze daad, welke in de wet met de zwaarst mogelijke straf wordt bedreigd, en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgehad, is de rechtsorde ernstig geschokt, nu deze moord grote beroering in de gemeente waarin zowel het slachtoffer als de verdachte woonachtig waren, heeft teweeg gebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 december 2009 is de verdachte eerder ter zake van onder meer gewelds- en vermogensdelicten veroordeeld.

Voorts neemt het hof ten nadele van de verdachte in aanmerking dat de verdachte tot op heden geen blijk heeft gegeven van enig schuldbesef dan wel van enig medeleven jegens de telkens in de zittingszaal aanwezige nabestaanden van het slachtoffer.

Bij een dergelijk feit is slechts een langdurige vrijheidsstraf op haar plaats. Het hof acht, alles afwegende en anders dan de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals door de rechtbank opgelegd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering en volgens haar mededeling ter terechtzitting in hoger beroep zij zich niet op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces wenst te voegen, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de nabestaanden/erfgenamen van het slachtoffer [slachtoffer] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een rugzak, merk Biracci, kleur zwart;

- een UWV-enveloppe, bevattende notities;

- een blanco enveloppe, bevattende notities;

- een post-memo;

- een zwarte schrijfmap;

- een stuk briefpapier van Nuon;

- een visitekaartje;

- een krant 'Telegraaf';

- twee tijdschriften 'Kampioen';

- een flipover fotoalbum;

- een adresboek, kleur wit;

- drie enveloppen, kleur wit met naw-gegevens op de achterzijde;

- een fotomapje, merk Hema, bevattende foto's van de begrafenis;

- een brief;

- een ansichtkaart;

- een portemonnee, kleur zwart.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.M.J. Chorus, mr. J.L. Bruinsma en mr. R.P. IJland-van Veen, in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2010.

Mr. R.P. IJland-van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.