Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BV2332

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
200.006.505-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Bevoegdheid tot vernietiging leaseovereenkomsten door echtgenote is verjaard: overeenkomsten kenbaar door betaling van termijnbedragen vanaf en/of-rekening. Aanvang verjaringstermijn. Stelplicht en betwisting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats], gemeente [P.],

APPELLANT,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. G.P. Roth te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 17 maart 2008 is [appellant] in hoger beroep gekomen van twee tussenvonnissen en een eindvonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, respectievelijk van 5 januari 2004, 22 augustus 2007 en 19 december 2007 en onder kenmerk 638331 CV EXPL 04-28464 (het eerste tussenvonnis), onderscheidenlijk rolnum¬mer 816450 DX EXPL 06-2811 (het tweede tussenvonnis en het eindvonnis) gewezen tussen hem als eiser in conventie, tevens verweerder in voorwaardelijke reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:

- de memorie van grieven van [appellant];

- de memorie van antwoord van Dexia;

telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbe¬horende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[appellant] heeft tegen het eindvonnis twee grieven voorge¬steld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis onder 1.1 tot en met 1.10 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 [appellant] is in september 1998 en in mei 1999 telkens twee (in totaal vier) overeen¬komsten tot effecten¬lease aangegaan met een rechtsvoor¬gangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomsten, hierna “de lease-overeenkomsten”, heeft hij geldbedragen van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [appellant] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [appellant], naar in de onderscheiden lease-overeen¬komsten is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor zijn rekening. De lease-overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. [appellant] heeft ter voldoening aan zijn verplichtingen uit de lease-over¬eenkomsten daarin genoemde bedragen aan Dexia betaald.

4.2 Bij brief van 25 maart 2004 van haar raadsman aan Dexia heeft [echtgenote](hierna: [echtgenote]) de lease-overeenkomsten buiten¬gerechtelijk ver¬nietigd. [echtgenote] heeft hiertoe aangevoerd, kort gezegd, dat zij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten de echtgenote was van [appellant], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomsten haar toestemming behoefde - omdat de lease-overeenkomsten over¬eenkomsten van koop op afbetaling inhouden - en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomsten zijn niet mede-ondertekend door [echtgenote] en zij heeft evenmin anders¬zins schriftelijk aan [appellant] haar toestemming voor het aangaan van de lease-over¬eenkomsten gegeven. [appellant] en [echtgenote] hebben Dexia voorts aange¬sproken tot terugbetaling van de bedragen die [appellant] op de voet van de lease-overeen¬komsten aan Dexia heeft betaald. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.3 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [appellant] een vordering ingesteld tegen Dexia. De vordering strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot verklaring voor recht dat de lease-overeenkomsten rechts¬geldig zijn vernietigd en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan de lease-overeenkomsten heeft betaald, met rente. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming reeds was ver¬jaard toen [echtgenote] die bevoegdheid uitoefende. Tegen dit oordeel en de daartoe leidende overwegingen richt zich het hoger beroep.

4.4 De twee grieven – die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling – strekken ten betoge dat de kanton¬rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten was verjaard toen zij deze uitoefende, zodat de onder 4.2 genoemde brief niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad en [appellant] geen recht heeft op terugbetaling van op de voet van de lease-overeenkomsten door hem aan Dexia betaalde bedragen. De grieven kunnen niet slagen. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.5 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals de lease-overeenkomsten, wegens het ontbreken van die toe¬stemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de echt¬genoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die echtgenoot de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [echtgenote] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen.

4.6 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de in beginsel tot vernietiging bevoegde partij met de overeen¬komst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd - onder meer - dat bedragen die [appellant] op grond van de lease-overeenkomsten aan Dexia was ver¬schuldigd, deels zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [appellant] en [echtgenote] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van de lease-overeenkomsten was daar¬door kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [echtgenote] waren gericht. Deze feiten wettigen de gevolg¬trekking dat [echtgenote] met ingang van de ontvangst¬datum van het oudste bank¬afschrift van de gezamenlijke rekening waarop een betaling ter zake van de lease-overeenkomsten is vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was. Gelet op de datum van het bankafschrift van de desbetreffende betaling aan Dexia op grond van de lease-overeenkomsten, was dit in of omstreeks november 2000, dus meer dan drie jaar voordat [echtgenote] heeft gepoogd de overeenkomsten te vernietigen.

4.7 In zijn toelichting op de grieven heeft [appellant] het bovenstaande allereerst getracht te weerleggen met de stelling dat [echtgenote] geen kennis heeft genomen van de betrokken bankafschriften, omdat – naar het hof mede begrijpt uit de verwijzing naar de bij de memorie van grieven overgelegde productie - [appellant] in het door [appellant] en [echtgenote] gevoerde huishouden de financiële zaken regelde en omdat [echtgenote] niet in staat was om Nederlandse bankafschriften te begrijpen, aangezien zij afkomstig is uit Polen en destijds de Nederlandse taal niet machtig was. Verder heeft [appellant] in zijn toelichting op de grieven de bedoelde bekendheid van [echtgenote] in of omstreeks november 2000 getracht te weerleggen met de stelling dat de eerstvolgende betalingen aan Dexia vanaf de gezamenlijke bankrekening zijn verricht in juni 2001 en dat [echtgenote] niet uit een enkele afschrijving in november 2000 met de omschrijving op het desbetreffende rekeningafschrift “LEGIO LEASE BV” hoefde te begrijpen dat sprake was van lease-overeenkomsten met zodanige verstrekkende financiële gevolgen als waarvan hier sprake is. [appellant] stelt dat [echtgenote] pas eind 2002 (toen hij in financiële moeilijkheden kwam) door een inlichting van hem bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toe¬stemming, op het tijdstip van de onder 4.2 genoemde brief nog niet was verjaard.

4.8 Dat [echtgenote] vanaf de totstandkoming van de lease-over¬eenkomsten in september 1998 en mei 1999 tot eind 2002 geen kennis heeft genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [appellant] en haarzelf waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, is, nu die rekening op beider naam was gesteld en die afschriften mede aan [echtgenote] waren gericht, evenwel dusdanig weinig geloof¬waardig dat [appellant] hiermee onvoldoende heeft betwist dat [echtgenote] door het oudste van de betrokken bankafschriften met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend is geworden. Dit wordt niet anders door de stelling van [appellant] dat hij in hun huishouden de financiële zaken regelde, omdat deze stelling, ook indien juist, onverlet laat dat bank¬afschriften waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, mede aan [echtgenote] waren gericht en dat weinig geloofwaardig is dat zij hiervan geen kennis heeft genomen. Dit wordt evenmin anders door de stelling van [appellant] dat [echtgenote] niet in staat was om de betrokken bankafschriften te begrijpen, omdat zij destijds de Nederlandse taal niet machtig was, aangezien ook die stelling ongeloofwaardig is. Op de eerste plaats is [echtgenote] – naar blijkt uit de door [appellant] in eerste aanleg overgelegde huwelijksakte – in 1987 in Nederland met [appellant] in het huwelijk getreden, ruim dertien jaar voor de datum van het oudste bankafschrift van de gezamenlijke rekening waarop een betaling ter zake van de lease-overeenkomsten is vermeld. Op de tweede plaats waren de afschriften van die rekening dusdanig ingericht dat zij ook voor iemand met een beperkte beheersing van het Nederlands, betrekkelijk eenvoudig waren te begrijpen. Onder deze omstandigheden valt – mede bij gebrek aan een verklaring waaruit anders kan volgen – niet in te zien dat [echtgenote] buiten staat was door kennisname van de bankafschriften met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend te worden

4.9 Het vorenstaande brengt mee dat het ervoor moet worden gehouden dat [echtgenote] vanaf november 2000 met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend is geweest. Niet valt in te zien dat – zoals [appellant] heeft aangevoerd – het feit dat de eerstvolgende betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten vanaf de gezamenlijk bankrekening in juni 2001 zijn verricht, afbreuk doet aan de in november 2000 door [echtgenote] verworven bekendheid met die lease-overeenkomsten. Evenmin kan worden gezegd - zoals [appellant] kennelijk heeft willen betogen – dat de onbekendheid van [echtgenote] met de concrete financiële gevolgen en risico’s van de lease-overeenkomsten, van betekenis is voor haar bekendheid met het bestaan van de lease-overeenkomsten in november 2000. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn betwisting van de gestelde bekendheid geen concrete nadere omstan¬digheden aangewezen waaruit kan volgen dat [echtgenote], in weerwil van het voorgaande, niet met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Als vaststaand moet derhalve worden aangenomen dat zij daarmee toen al wel bekend was en, dus, dat haar bevoegdheid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen door de onder 4.2 genoemde brief. Voor bewijs¬levering zoals door [appellant] aangeboden is dan geen plaats meer.

4.10 Hetgeen partijen in dit hoger beroep verder nog hebben aangevoerd, kan niet leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven en behoeft derhalve, bij gebrek aan belang, geen bespreking. Evenmin zijn door een partij

– voldoende concrete - feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot andere oordelen zouden leiden. Voor zover een partij bewijs heeft aange¬boden, komt aan haar des¬betreffende aanbod daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat [appellant] in het hoger beroep tegen de twee tussenvonnissen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij tegen die vonnissen geen grieven heeft geformuleerd, en dat de grieven tegen het eindvonnis tevergeefs zijn voorgesteld, zodat dat vonnis, bij gebreke van een grond voor vernietiging, moet worden bekrachtigd.

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de bestreden tussenvonnissen;

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep;

verwijst [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 254,- aan vast recht en op € 894,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en C.C. Meijer en in het openbaar uitge¬sproken op dinsdag 25 mei 2010 door de rolraadsheer.