Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BT8432

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
200.013.317-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Toegelaten tot tegenbewijs van – voorshands als bewezen aangenomen – feit dat echtgenote met bestaan van lease overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1]

2. [APPELLANTE SUB 2],

beiden wonende te [woonplaats]

APPELLANTEN IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

VERWEERDERS IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [afnemer], [echtgenote] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 28 augustus 2008 zijn [afnemer] en [echtgenote] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 2 juli 2008, in deze zaak onder rolnum¬mer 817165 DX EXPL 06-3526 gewezen tussen hen als eisers in conventie, [afnemer] tevens verweerder in reconventie, en Dexia als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:

- de memorie van grieven van [afnemer] en [e

chtgenote];

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep, van Dexia;

- de memorie van antwoord in het incidenteel beroep van [afnemer] en [echtgenote];

telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbe¬horende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[afnemer] en [echtgenote] hebben in het principaal beroep twee grieven voorge¬steld en toegelicht. Dexia heeft in het incidenteel beroep één grief voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud van de grieven en de bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.7 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [afnemer] en [echtgenote] hebben door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde over¬eenkomst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebon¬den willen zijn. Uit¬gangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de zojuist bedoelde overeenkomst ten aanzien van [afnemer] en [echtgenote] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst hen niet bindt.

4.2 [afnemer] is in maart 1998 een overeen¬komst tot effecten¬lease aangegaan met een rechtsvoor¬gangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomst, hierna “de lease-overeenkomst”, heeft hij een geldbedrag van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [afnemer] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [afnemer], naar in de lease-overeen¬komst is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor zijn rekening. De lease-overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Zij is intussen geëindigd met een schuld van [afnemer] aan Dexia. Die schuld is ontstaan doordat de geleaste effecten, die bij de beëindiging van de lease-overeenkomst zijn ver¬kocht, bij verkoop minder hebben opgebracht dan het door [afnemer] op grond van de overeenkomst geleende bedrag. De verkoop¬opbrengst van de effecten is benut voor de terugbetaling van het geleende bedrag maar was hiertoe niet toereikend. [afnemer] heeft het restant (de “rest¬schuld”) onbetaald gelaten. Hij heeft tijdens de looptijd van de lease-overeenkomst wel andere, daarin genoemde bedragen aan Dexia betaald.

4.3 Bij brief van 1 maart 2003 heeft [echtgenote] aan Dexia meegedeeld niets van (de totstandkoming van) de lease-overeenkomst te hebben geweten en deze – naar blijkt uit de strekking van de brief overeenkomstig de zin die Dexia daaraan redelijkerwijs behoorde toe te kennen - buiten¬gerechtelijk te willen vernietigen. De vernietiging is herhaald en nader toegelicht bij brief van 2 september 2005 van de raads¬vrouwe van [echtgenote] aan Dexia. [echtgenote] heeft in dit verband aangevoerd, kort gezegd, dat zij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomst de echtgenote was van [afnemer], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomst haar toestemming behoefde

– omdat de lease-overeenkomst een overeenkomst van koop op afbetaling inhoudt - en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomst is niet mede-ondertekend door [echtgenote] en zij heeft evenmin anderszins schriftelijk aan [afnemer] haar toestemming voor het aangaan van de overeen¬komst gegeven. [echtgenote] heeft Dexia aangesproken tot terugbetaling van de bedragen die [afnemer] op de voet van de lease-overeenkomst aan Dexia heeft betaald, met rente. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.4 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld. De vordering van [afnemer] en [echtgenote] strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot verklaring voor recht dat de lease-overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van het¬geen [afnemer] ter voldoening aan de lease-over¬eenkomst heeft betaald, met rente, althans tot verklaring voor recht dat Dexia jegens [afnemer] onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde tot schadevergoeding gehouden is. De vordering van Dexia strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot betaling van de restschuld, met rente. De kantonrechter heeft de vordering van [afnemer] en [echtgenote] groten¬deels afgewezen en voor het overige toegewezen en die van Dexia geheel afgewezen. Tegen de eerste beslissing en de daartoe leidende over¬wegingen richt zich het principaal beroep, tegen de laatste het incidenteel beroep.

4.5 Met grief 1 in het principaal beroep betogen [afnemer] en [echtgenote] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomst was verjaard toen zij deze uitoefende, zodat de onder 4.3 genoemde brieven niet het beoogde rechtsgevolg hebben gehad en [afnemer] en [echtgenote] geen recht hebben op volledige terug¬betaling van op de voet van de lease-overeenkomst door [afnemer] aan Dexia betaalde bedragen. Het hof overweegt hierover als volgt.

4.6 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals de lease-overeenkomst, wegens het ontbreken van die toe¬stemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de echt¬genoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die echtgenoot de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [echtgenote] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomst die zij heeft bedoeld te vernietigen.

4.7 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeen¬komst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd - onder meer - dat de bedragen die [afnemer] op grond van de lease-overeenkomst aan Dexia was ver¬schuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [afnemer] en [echtgenote] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van de lease-overeenkomst was daar¬door kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [echtgenote] waren gericht. Gelet op de datum waarop de eerste betaling aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst heeft plaats¬gevonden, leidt Dexia hieruit af dat [echtgenote] reeds in maart 1998 met het bestaan van de overeenkomst bekend was, dus meer dan drie jaar voordat zij (voor het eerst) heeft gepoogd de lease-overeenkomst te ver¬nietigen.

4.8 In hun toelichting op de grief hebben [afnemer] en [echtgenote] daartegenover aangevoerd dat in het door [afnemer] en [echtgenote] gevoerde huishouden meerdere bankrekeningen werden gebruikt, dat [echtgenote] haar loon ontving op een andere bankrekening dan de rekening vanaf welke de aan Dexia verschuldigde bedragen werden betaald, dat zij laatstbedoelde rekening feitelijk niet zelf gebruikte, dat [afnemer] in het huishouden van [echtgenote] en [afnemer] “alle bankzaken” verzorgde en dat [echtgenote] – naar het hof begrijpt uit de verwijzing naar de bij de memorie van grieven overgelegde productie - pas in 2003 bekend is geworden met het bestaan van de lease-over¬eenkomst door een mededeling daarover van [afnemer]. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomst wegens het ontbreken van haar toe¬stemming, op de data van de onder 4.3 genoemde brieven nog niet was verjaard. Met hun zojuist weergegeven stel¬lingen, tezamen en in onderlinge samenhang, hebben [afnemer] en [echtgenote] voldoende betwist dat [echtgenote] meer dan drie jaar voordat zij (voor het eerst) heeft gepoogd de lease-overeenkomst te vernietigen, met het bestaan van de overeenkomst bekend was. Op Dexia rust daarom de last die bekendheid te bewijzen.

4.9 De tussen partijen vaststaande feiten dat de betalingen aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening van [afnemer] en [echtgenote], dat het bestaan van de lease-overeenkomst daardoor kenbaar was uit bankafschriften van de betrokken rekening en dat de afschriften van die rekening mede aan [echtgenote] waren gericht, maken het dusdanig aannemelijk dat [echtgenote] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake van de lease-overeenkomst is vermeld met het bestaan van de overeenkomst bekend was, derhalve in of omstreeks maart 1998, dat voorshands – behoudens door [afnemer] en [echtgenote] te leveren tegenbewijs - moet worden geoordeeld dat Dexia is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [echtgenote] meer dan drie jaar voordat zij (voor het eerst) heeft gepoogd de lease-over¬eenkomst te vernietigen, met het bestaan daarvan bekend was. Hetgeen [afnemer] en [echtgenote] tot betwisting van deze bekendheid hebben aangevoerd, waar¬onder de stelling dat [echtgenote] de rekening vanaf welke de betalingen aan Dexia werden gedaan niet zelf gebruikte en dat [afnemer] in hun huishouden “alle bankzaken” verzorgde, leidt voors¬hands niet tot een ander oordeel: een en ander laat immers onverlet dat de betalingen aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening, dat de overeenkomst kenbaar was uit bank¬afschriften van die rekening en dat die afschriften mede aan [echtgenote] waren gericht, zodat aannemelijk is dat laatstgenoemde door kennisneming van de betrokken afschriften met het bestaan van de lease-overeenkomst bekend is geraakt, vanaf het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake daarvan is vermeld. Het is daarom aan [afnemer] en [echtgenote] om tegenbewijs te leveren van de gestelde bekendheid. Het hof zal hun hiertoe gelegen¬heid geven zoals onder 5 te melden.

4.10 Met grief 2 in het principaal beroep betogen [afnemer] en [echtgenote] dat de kantonrechter ten onrechte is voor¬bijgegaan aan hun beroep op de vernietigbaarheid van de lease-overeenkomst wegens het ontbreken van de toestemming van [echtgenote], voor zover dit beroep strekt ter afwering van de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld. Zij voeren aan dat hun een dergelijk verweer toekomt ongeacht het antwoord op de vraag of de bevoegd¬heid tot vernietiging van de overeenkomst was verjaard toen [echtgenote] deze uitoefende, aangezien artikel 3:51, derde lid, BW bepaalt dat een beroep in rechte op een vernietigingsgrond te allen tijde kan worden gedaan ter afwering van een op de betrokken rechts¬handeling – de lease-overeenkomst – steu¬nende vordering. De grief is uitsluitend van belang voor het geval dat [afnemer] en [echtgenote] niet slagen in het hierboven bedoelde tegenbewijs. Slagen zij daarin wel, dan staat immers vast dat de bevoegdheid van [echtgenote] tot vernietiging van de lease-overeenkomst op het tijdstip van de onder 4.3 genoemde brieven niet was verjaard. In dit geval is de overeenkomst rechtsgeldig vernietigd. Uitsluitend voor het geval [afnemer] en [echtgenote] niet slagen in het van hen verlangde tegenbewijs en dus als vaststaand moet worden aangenomen dat [echtgenote] met het bestaan van de lease-overeenkomst bekend was meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen, zodat haar bevoegd¬heid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen, overweegt het hof als volgt.

4.11 De grief miskent dat een beroep in rechte zoals bedoeld in artikel 3:51, derde lid, BW op een vernietigingsgrond ter afwering van een op de betrokken rechtshandeling – de lease-overeenkomst - steunende vordering, uitsluitend kan worden gedaan door degene (i) tegen wie de vordering is ingesteld en (ii) aan wie krachtens de wet een beroep op de vernietigingsgrond toekomt. Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. Dit is noch wat [afnemer], noch wat [echtgenote] betreft het geval. Uit artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van de lease-overeenkomst wegens het ontbreken van de toestemming van [echtgenote] niet toekomt aan [afnemer]. Hij kan de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld dus niet met een beroep op het ontbreken van die toestemming afweren. [echtgenote] is, als de echtgenote van wie de toestemming voor de lease-overeen¬komst ontbreekt, in beginsel wel bevoegd de overeenkomst te vernietigen, maar de vordering van Dexia is niet tegen haar – want alleen tegen [afnemer] - ingesteld. Tegen [echtgenote] is der¬halve geen, aan de lease-overeenkomst ontleende, vorde¬ring inge¬steld die zij met een beroep op de vernietig¬baarheid van de overeenkomst wegens het ontbreken van haar toe¬stemming zou kunnen afweren. [echtgenote] kan niet met een beroep in rechte op de vernietigings¬grond de tegen [afnemer] in¬gestelde vordering afweren: een zodanig beroep kan immers alleen worden gedaan door degene tegen wie de vordering is ingesteld, [afnemer], mits hem een beroep op de vernieti¬gingsgrond toekomt en dit laatste is zoals gezegd niet het geval. Uit het voor¬gaande volgt dat de grief tevergeefs is voor¬gesteld.

4.12 Met haar grief in het incidenteel appel betoogt Dexia, kort gezegd, dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij is gehouden tot schadevergoeding aan [afnemer] in de mate zoals in het bestreden vonnis bepaald, wegens de niet-nakoming door Dexia van haar zorgplicht bij de totstandkoming van de lease-overeenkomst. Het betoog sluit in dat de kantonrechter eveneens ten onrechte de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld - in haar geheel - heeft afgewezen in verband met (de omvang van) de in het bestreden vonnis aangenomen schadevergoedings¬plicht. De grief behoeft pas bespreking als [afnemer] en [echtgenote] niet slagen in het onder 4.9 bedoelde tegenbewijs, omdat alleen in dat geval moet worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre Dexia tot schadevergoeding en [afnemer] tot betaling van de restschuld is gehouden. Met het oog op de mogelijke beoordeling hiervan overweegt het hof thans als volgt.

4.13 Na de aanvang van het geding in hoger beroep zijn door de Hoge Raad en door dit hof verschillende arresten uitgesproken in zaken naar aanleiding van effectenlease-overeen¬komsten, waarin de vragen of en zo ja, in welke mate Dexia gehouden is tot schadevergoeding wegens tekort¬komingen in de nakoming van haar zorgplicht bij de tot¬standkoming van effectenlease-overeenkomsten uitvoerig aan de orde zijn geweest. Het gaat daarbij om vragen die ook in het huidige geding beantwoording kunnen behoeven. Het hof wijst op de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (RvdW 2009, 683, 684 en 685) alsmede op de arresten van dit hof van 9 december 2008, LJN BG6261 en LJN BG6263 (NJF 2009, 18, JOR 2009, 41), 10 februari 2009, LJN BH2362 (JOR 2009, 323), en 1 december 2009, LJN BK4978 (NJF 2010, 12, JOR 2010, 66), LJN BK4981, LJN BK4982 en LJN BK4983. Het hof vertrouwt (de raadslieden van) partijen met deze arresten - die alle (mede) zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl - bekend.

4.14 Afhankelijk van het oordeel van het hof over de gestelde vernietiging van de lease-overeenkomst zijn de uitgangs¬punten en het beoordelingskader die uit de over¬wegingen en de beslissingen van de Hoge Raad en van dit hof in de zojuist bedoelde arresten blijken, mogelijkerwijs ook voor de beslissing van de thans voor¬liggende zaak van belang. Het hof vindt hierin aanleiding om partijen na de onder 4.9 bedoelde (tegen)bewijslevering gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de mogelijke betekenis van hetgeen in de hierboven genoemde arresten is overwogen en beslist voor de standpunten die zij in dit geding hebben betrokken. Daarbij kunnen zij hun stellingen, in het bijzonder het¬geen zij aan hun vorderingen en verweren ten gronde hebben gelegd, desgewenst aanpassen, een en ander binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep zoals door de reeds ingediende processtukken bepaald.

4.15 [afnemer] en [echtgenote] zullen hiertoe eerst een akte mogen nemen, waarin zij zich tevens kunnen uitlaten over het bijgebrachte (tegen)bewijs, waarna Dexia een overeen¬komstige gelegenheid zal worden gegeven. Het hof wijst erop dat indien [afnemer] en [echtgenote] zich op het standpunt willen stellen dat de financiële verplichtingen die voor [afnemer] zijn voortgevloeid uit de lease-overeenkomst, naar redelijke verwachting een onaan¬vaard¬baar zware last op hem legden (uitgaande van het tijdstip van de totstand¬koming daarvan), zodat het op de weg van Dexia had gelegen hem het aangaan van de overeenkomst te ontraden, het aan [afnemer] en [echtgenote] is die stelling met feiten en (een) daaraan ontleende concrete berekening(en) te onder¬bouwen. Zij zullen in dit geval tevens – op de voet van artikel 22 Rv – bescheiden dienen over te leggen die hun stelling kunnen staven. [afnemer] en [echtgenote] kunnen zich bij het voorgaande laten leiden door hetgeen het hof in zijn onder 4.13 genoemde arresten van 1 december 2009 heeft overwogen en beslist. Ook voor het overige wordt van partijen verwacht dat zij door hen gestelde financiële aanspraken onderbouwen met concrete, door bescheiden ondersteunde berekeningen, die de omvang en de opbouw van die aanspraken inzichtelijk maken.

4.16 Iedere verdere beslissing zal thans worden aangehouden.

5. Beslissing

Het hof:

laat [afnemer] en [echtgenote] toe tot het leveren van tegenbewijs van het – voorshands als bewezen aangenomen – feit dat [echtgenote] met het bestaan van de lease-overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen;

bepaalt dat indien [afnemer] en [echtgenote] dit tegenbewijs wensen te leveren door getuigen, de getuigen zullen worden gehoord door mr. M.P. van Achterberg, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, in een van de zalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op woensdag 1 december 2010 te 13.30 uur;

bepaalt dat partijen tot twee weken na de uitspraakdatum van dit arrest schriftelijk aan het enquêtebureau van de griffie van het hof kunnen meedelen dat zij of de getuigen op dat tijdstip verhinderd zijn te verschijnen, onder opgave van de verhinderdagen van beide partijen en de getuigen in de komende drie maanden, in welk geval met inachtneming van die verhinderdagen een nieuw tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.P. van Achterberg en S. Clement en in het openbaar uitge¬sproken op dinsdag 9 november 2010 door de rolraadsheer.