Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BR3042

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
200.064.794-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot gezamenlijk gezag van de vader die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 26 oktober 2010 in de zaak met zaaknummer 200.064.794/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. R.G. Funcke te Diemen,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.E.M. de Vries te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de vader genoemd.

1.2. De moeder is op 6 mei 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van

17 februari 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 397765/FA RK 08 3599.

1.3. De vader heeft op 30 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De moeder heeft op 5 juli 2010 en 14 juli 2010 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 20 september 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw M. ten Hoedt namens Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: de gezinsvoogd);

- mevrouw F.L.M. Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi- en Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 2003. De vader heeft [het kind] erkend. [het kind] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder, bij wie zij sedert eind juni 2010 ook feitelijk verblijft.

2.2. Ingevolge de beschikking van 15 oktober 2008 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft de Raad – onder meer – onderzoek verricht naar de door de vader verzochte gezagswijziging en op 10 juli 2009 een rapport uitgebracht. Daarin heeft de Raad – onder meer – geadviseerd het primaire verzoek van de vader om hem alleen met het gezag over [het kind] te belasten af te wijzen en zijn subsidiaire verzoek om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten toe te wijzen.

2.3. Bij beschikking van de rechtbank van 23 september 2009 is, voor zover thans van belang, het primaire verzoek van de vader om hem alleen met het gezag over [het kind] te belasten afgewezen en is de beslissing op zijn subsidiaire verzoek om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten aangehouden.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat partijen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [het kind] worden belast. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [het kind] te belasten.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen.

3.3. De vader verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, indien de moeder daar niet mee instemt, slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het belang van [het kind] zich verzet tegen uitoefening van het gezamenlijk gezag. De moeder stelt dat de verstandhouding en de communicatie tussen partijen thans nog zodanig is verstoord dat invulling van het gezamenlijk gezag, althans thans, niet tot de mogelijkheden behoort. Zij stelt voorts dat alvorens tot het gezamenlijk gezag kan worden beslist de man er daadwerkelijk blijk van dient te hebben gegeven dat hij gedurende ten minste één jaar, althans een redelijke periode, met goed gevolg invulling dient te hebben gegeven aan de begeleiding door Spirit dan wel de Raad. Zij acht daarom een nader onderzoek door de Raad aangewezen naar de vraag of begeleiding van de vader door Spirit heeft plaatsgevonden en/of deze begeleiding in het kader van het gezag heilzaam is geweest. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder toegelicht dat zij zich primair op het standpunt stelt dat het inleidend verzoek van de vader alsnog dient te worden afgewezen en subsidiair dat de beslissing op haar verzoek in hoger beroep dient te worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het door haar verzochte raadsonderzoek en de begeleiding door Spirit. De vader heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

4.3. De Raad heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat nader onderzoek door de Raad zoals door de moeder verzocht niet is aangewezen, maar heeft daarentegen geadviseerd de beslissing op het verzoek van de moeder aan te houden ten behoeve van omgangsbemiddeling van partijen door Spirit.

4.4. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is niet gebleken dat er een onaanvaardbaar risico is dat [het kind] klem of verloren zal raken tussen de ouders, dan wel dat het alsnog afwijzen van het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag te belasten anderszins in het belang van [het kind] noodzakelijk is.

Weliswaar is gebleken dat er tussen partijen strijd is geweest over de uitvoering van de omgangsregeling, waaronder de verdeling van de zomervakantie, en dat de communicatie tussen partijen nog steeds is verstoord, doch dit brengt niet zonder meer mee dat in het belang van [het kind] het verzoek van de vader om gezamenlijke gezagsuitoefening dient te worden afgewezen.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder zich niet verzet tegen omgang tussen [het kind] en de vader en dat de bij de bestreden beschikking vastgestelde en hier niet in geding zijnde omgangsregeling, inhoudende dat de vader, met bemiddeling van Spirit, eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school omgang met [het kind] zal hebben, alsmede met ingang van de meivakantie 2010 gedurende de helft van de schoolvakanties en de helft van de feestdagen, in onderling overleg te bepalen tussen partijen, wordt nagekomen. Gelet op het voorgaande acht het hof evenwel met de Raad van belang dat partijen, ten einde onderlinge strijd over de uitvoering daarvan te voorkomen, deze omgangregeling strikt dienen na te leven en daarin geen wijzigingen dienen aan te brengen. Voor zover de moeder stelt dat er ook overigens strijd is tussen partijen, acht het hof deze stelling, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de vader, niet aannemelijk geworden. Evenmin heeft de moeder aannemelijk gemaakt dat de vader niet meewerkt aan hulpverlening, nu de vader onweersproken heeft gesteld dat hij verscheidene gesprekken met Spirit heeft gehad.

Het hof acht voorts van belang dat, naar de moeder ter zitting te kennen heeft gegeven, het thans goed gaat met [het kind], dat [het kind] op school rustiger gedrag vertoont en dat de moeder en [het kind] prettig met elkaar omgaan. Dat [het kind] volgens de gezinsvoogd en de Raad last heeft van de slechte communicatie tussen partijen, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat zij klem of verloren zou raken tussen partijen. Bovendien acht het hof het welzijn van [het kind] voldoende gewaarborgd door de ondertoezichtstelling, welke op 9 maart 2010 voor de duur van een jaar is uitgesproken en thans nog voortduurt.

Anders dan het door de Raad ter zitting gegeven advies ziet het hof geen reden om de beslissing op het verzoek van de moeder aan te houden, nu het door partijen ter hand nemen van de omgangsbemiddeling door Spirit in het kader van de ondertoezichtstelling van [het kind] kan plaatsvinden.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof het verzoek van de moeder zal afwijzen.

4.5. Voor zover de vader stelt dat de moeder misbruik heeft gemaakt van procesrecht, heeft de vader deze stelling onvoldoende geconcretiseerd.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L.L. Neervoort Briët, H.S.G. Verhoeff en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2010.