Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BP9697

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200.076.350/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoed Kort Geding. Ontruiming voormalig echtelijke woning door ex-echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 27 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2010, onder zaaknummer/rolnummer 468206/KG ZA 10-1573 in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

[appellant] heeft, overeenkomstig de appeldagvaarding, drie grieven tegen het bestreden vonnis (hierna: het vonnis) aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep op 5 november 2010 – zakelijk weergegeven - de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis. Bij die gelegenheid – waarbij ook het pleidooi plaatsvond in de procedure tussen partijen met zaaknummer 200.072.628/01 SKG - hebben partijen hun standpunten voorts nader doen toelichten door hun in de kop van dit arrest genoemde advocaten. Die deden dit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben ter gelegenheid van meerbedoelde behandeling nog nadere stuken in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. De beoordeling

2.1 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 10 mei 2010 is [appellant] veroordeeld binnen een maand na betekening van dat vonnis de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) – kort

gezegd - te ontruimen en ter vrije beschikking aan [geïntimeerde] te stellen, met machtiging van [geïntimeerde] de nakoming van de veroordeling desnodig te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. Dit vonnis is door dit hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 22 juni 2010 (materieel: het hof heeft vanwege na te noemen nieuwe termijn het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan) bekrachtigd, met dien verstande dat het hof [appellant] een nadere ontruimingstermijn heeft gegeven: zij diende de woning ontruimd te hebben binnen twee maanden na betekening van genoemd arrest. Het arrest is op 19 juli 2010 aan [appellant] betekend.

2.2 In deze zaak vordert [appellant] een verbod, althans schorsing van de executie van het arrest van het hof van 22 juni 2010. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd. De grieven richten zich tegen die afwijzing.

2.3 Grief 1 klaagt over overweging 4.1 van het vonnis. De grief faalt: in genoemde overweging heeft de rechtbank op juiste wijze verwoord wat bij de beoordeling van een executiegeschil als het onderhavige uitgangspunt dient te zijn.

2.4 In grief 3 wordt overweging 4.5 van het vonnis aangevallen. In die overweging heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat ook een herhaald beroep op artikel 6:52 BW [appellant] niet kan baten: het hof heeft, aldus de voorzieningerechter op dit punt een juridisch oordeel gegeven “dat niet aanstonds als onhoudbaar kan worden beschouwd”. De grief faalt, reeds omdat [appellant] - naar ter zitting in hoger beroep is gebleken - geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof van 22 juni 2010. Dit zo zijnde, kan [appellant] in dit executiegeschil niet klagen over een vermeende juridische misslag in dat arrest. Overigens onderschrijft het hof het bewuste oordeel: de door de rechter

aan [appellant] opgelegde verplichting de woning te ontruimen valt niet aan te merken als een verbintenis van [appellant] jegens [geïntimeerde] als bedoeld in voornoemde bepaling (aan de vraag of sprake is van samenhangende verbintenissen – waaraan [appellant] in dit verband met name aandacht heeft besteed - wordt dan niet toegekomen).

2.5 Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat – kort gezegd – geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het arrest van 22 juni 2010 als gevolg waarvan [appellant] (door executie) in een noodtoestand zal komen te verkeren. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.6 Op zich is juist dat de alimentatiebeschikking van 14 juli 2010 dateert van na genoemd arrest. Gelet echter op de wijze waarop het hof in overweging 4.5 van dat arrest het belang van [appellant] (bij het kunnen voortzetten van haar verblijf in de woning) heeft afgewogen tegen dat van [geïntimeerde] (om de beschikking over de woning te verkrijgen) – bij welke weging het hof uitdrukkelijk heeft betrokken dat [appellant] stelde onvoldoende inkomsten te hebben (de verhuizing naar) een huurwoning elders te bekostigen, omdat [geïntimeerde] de hem opgelegde alimentatie niet voldoet - kan niet gezegd worden dat de alimentatiebeschikking van 14 juli 2010 in dit verband een relevante nieuwe omstandigheid is. Weliswaar is bij die beschikking bepaald dat [geïntimeerde] een hogere alimentatie aan [appellant] moet betalen dan gold ten tijde van het wijzen van meerbedoeld arrest, maar dat maakt voor de hiervoor genoemde (door het hof in zijn weging betrokken) omstandigheid geen verschil: in beide gevallen is aan de orde de stelling van [appellant] dat zij niet over de middelen beschikt om huisvesting elders te betalen.

2.7 De omstandigheid dat inmiddels, bij vonnis van 20 augustus 2010, lijfsdwang tegen [geïntimeerde] is bevolen vanwege het niet voldoen aan zijn alimentatieverplichtingen is weliswaar nieuw, maar

valt niet aan te merken als een omstandigheid die aan de zijde van [appellant] een noodtoestand doet ontstaan. Als juist is wat [appellant] meent (te weten dat [geïntimeerde] wel degelijk de middelen heeft om de hem opgelegde alimentatie te betalen; [geïntimeerde] heeft inmiddels hoger beroep tegen de alimentatiebeschikking van 14 juli 2010 aangetekend), zal genoemd vonnis juist het door [appellant] gewenste effect kunnen hebben dat [geïntimeerde] haar alsnog (weer) alimentatie gaat betalen.

2.8 In de omstandigheid dat [geïntimeerde], zo de lijfsdwang wordt geëffectueerd, enige tijd geen gebruik zal kunnen maken van de woning acht het hof evenmin een grond gelegen de executie van meerbedoeld arest te verbieden of die executie te doen staken. Het overwogene onder 2.7 geldt ook hier: niet valt in te zien dat die omstandigheid een noodtoestand aan de zijde van [appellant] met zich zou brengen.

2.9 In eerste aanleg heeft [appellant] als nieuwe omstandigheid voorts nog aangevoerd dat op 27 juli 2010 afwijzend is beslist op haar verzoek op bijstand op grond van de Wet Werk en Inkomen. De voorzieningenrechter heeft dit aspect behandeld in het kader van de hiervoor onder 2.6 besproken omstandigheid en zag ook in dit onderdeel geen aanleiding uit te gaan van een relevant nieuw gegeven. Niet duidelijk is of [appellant] bedoeld heeft tegen dit oordeel te grieven. Hoe dan ook: het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat het hof in zijn arrest van 22 juni 2010 ook dit aspect ([appellant] ontvangt geen bijstandsuitkering) al heeft meegewogen.

2.10 De conclusie luidt dat ook grief 2 faalt.

3. Slotsom

3.1 De grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd.

3.2 Het hof ziet in de omstandigheid dat partijen ex-echtelieden zijn aanleiding de proceskosten te compenseren op de hierna aan te geven wijze.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, G.J. Visser en A. Rutten-Roos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 november 2010.