Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BP8876

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200.054.572/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Maatstaf voor toewijzing van rectificatie. Gebruik portretten van personen op website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ A ],

APPELLANT,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERIJ NIEUW AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. H. Struik te Utrecht.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [ Appellant ] en Nieuw Amsterdam genoemd.

1.1 Bij dagvaarding van 21 december 2009 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam in het kort geding tussen partijen ([ Appellant ] als eiser in conventie/verweerder in reconventie en Nieuw Amsterdam als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie) onder zaaknummer/ rolnummer 441161/KG ZA 09-2274 heeft gewezen en dat is uitgesproken op 3 december 2009.

1.2 [ Appellant ] heeft bij memorie drie grieven voorgesteld en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog zijn (conventionele) vorderingen zal toewijzen en de (reconventionele) vorderingen van Nieuw Amsterdam zal afwijzen, met veroordeling van Nieuw Amsterdam in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3 Daarop heeft Nieuw Amsterdam geantwoord, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van het geding.

1.4 Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen.

2.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

(i) Nieuw Amsterdam is uitgever van Koud Bloed, een misdaadtijdschrift. In Koud Bloed, jaargang 2009, nummer 6, is een artikel verschenen van de hand van de journalist [ M ] over [ O ] (hierna: het artikel). [ Appellant ] wordt in het artikel genoemd en er wordt een relatie gelegd tussen hem, [ O ] en de Joegoslavische maffia in Nederland.

(ii) [ Appellant ] exploiteert een website waar hij reclame maakt voor door hem geschreven boeken over onder andere zijn carrière als drugshandelaar. In zijn boek “Drugbaron in spijkerbroek” beschrijft [ Appellant ] onder meer:

a. hoe [ O ] en hij uit Spanje naar Nederland zijn gekomen om een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen [ H ], onder politie-escorte naar een zwaar beveiligde bunker zijn gebracht en na het afleggen van de verklaring, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, op het vliegtuig naar Amerika zijn gezet;

b. dat door zijn bemiddeling vastgoed bij de besloten vennootschap [ R ] B.V. (hierna: [ R ]) is terecht gekomen en dat daar van hem nog ongeveer ƒ 300.000,-- in zat.

(iii) [ Appellant ] heeft op zijn website foto’s gepubliceerd van [ directeur B ] en [ directeur L ], directeuren van Nieuw Amsterdam.

(iv) In 1992 heeft [ Appellant ] een interview gegeven aan de journalist [ H ], dat is verschenen in aflevering 35 van het tijdschrift Panorama van dat jaar.

2.3 In eerste aanleg vorderde [ Appellant ], zeer kort samengevat, veroordeling van Nieuw Amsterdam tot rectificatie van het artikel, op straffe van een dwangsom. Nieuw Amsterdam vorderde in reconventie veroordeling van [ Appellant ] tot verwijdering van zijn website van de portretten van [ directeur B ] en [ directeur L ]. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [ Appellant ] afgewezen en die van Nieuw Amsterdam toegewezen.

2.4 Met grief I betoogt [ Appellant ] dat Nieuw Amsterdam onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat hij door de publicatie in gevaar is gebracht en schade lijdt. De bezwaren van [ Appellant ] spitsen zich toe, zo heeft de voorzieningenrechter onbestreden vastgesteld, op de uitlatingen in het artikel dat [ Appellant ] (i) geld in [ R ] had gestoken en (ii) als bedreigde getuige van justitie moest onderduiken vanwege verklaringen die hij heeft afgelegd tegen [ H ] en leden van de Joegoslavische maffia.

De voorzieningenrechter heeft onder 5.3 tot en met 5.6 van zijn vonnis nauwkeurig overwogen in welke (passages in welke) publicaties (waaronder met name [ Appellant ]s onder 2.2(ii) vermelde boek) de uitlatingen steun vinden, en is tot de conclusie gekomen dat de, door [ Appellant ] gewraakte, uitlatingen in het artikel voldoende door de feiten worden gedragen. Volgens [ Appellant ] is dat niet het geval.

2.5 [ Appellant ] bestrijdt dat hij geld in [ R ] heeft gestoken. Dat zou volgens hem betekenen dat hij aandeelhouder in [ R ] is geweest, hetgeen niet het geval was. Dat laatste mag juist zijn maar [ Appellant ] is onvoldoende duidelijk over zijn verhouding tot [ R ]. Hij zou de panden waar het om gaat aan [ R ] hebben verkocht en (een deel van) de koopprijs zou onbetaald zijn gebleven (hetgeen mogelijk als een lening kan worden aangemerkt), maar hij sluit ook niet uit dat hij geld en/of diamanten aan [ R ] had geleend. Dit laatste heeft [ Appellant ] gesteld in het kader van een procedure tegen de curator in het faillissement van [ R ]. Hoe deze stelling zicht verhoudt tot zijn standpunt in de onderhavige procedure, heeft [ Appellant ] niet nader toegelicht. In eerder genoemd boek schrijft hij cryptisch over de verkoop van de panden door [ R ]: “Daar zit van mij nog zo’n driehonderdduizend gulden in”. Dit alles bijeen rechtvaardigt de conclusie die in het artikel is getrokken, dat [ Appellant ] geld had gestoken in [ R ]. Deze uitlating wordt dus inderdaad genoegzaam gestaafd door de feiten.

2.6 Verder betoogt [ Appellant ] dat uit de vermelding in het artikel dat [ O ] en hij in het buitenland moesten onderduiken vanwege verklaringen die zij tegen [ H ] en de Joego’s hadden afgelegd, niet anders kan worden begrepen dan dat hij een voor [ H ] en/of de Joegoslavische maffia nadelige verklaring had afgelegd. Door die vermelding in het artikel loopt hij groot persoonlijk risico, aldus [ Appellant ].

[ Appellant ] heeft in zijn boek vermeld dat hij had besloten met justitie mee te werken en heeft levendig beschreven hoe [ O ] en hij, nadat zij beiden naar het buitenland waren uitgeweken, op verzoek van justitie naar Nederland zijn gekomen om verklaringen over [ H ] en de Joegoslaven af te leggen, gedurende hun verblijf in Nederland zwaar beveiligd werden en na het afleggen van verklaringen Nederland weer zijn uitgeleid. In het artikel wordt daar niets aan toegevoegd. [ Appellant ] werd kennelijk al bedreigd en kreeg daarom de zware beveiliging waarover hij heeft verklaard, teneinde hem als getuige te kunnen horen. Ook deze uitlating vindt dus voldoende steun in de feiten. Dat het begrip ‘bedreigde getuige’ nadien een andere lading heeft gekregen, omdat daarmee thans in het bijzonder bedoeld worden getuigen die informant zijn en met speciale programma’s worden beschermd, kan daar niet aan afdoen. Nu in het artikel niets nieuws over [ Appellant ] is geopenbaard kan niet worden gezegd dat [ Appellant ] door het artikel meer in gevaar is gekomen dan hij al was door zijn eigen levensloop en publicaties.

2.7 De inhoud van het artikel is niet onrechtmatig jegens [ Appellant ], zoals volgt uit hetgeen onder 2.5 en 2.6 is overwogen, zodat grief I faalt.

2.8 Grief II houdt in dat publicatie van het artikel in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor, omdat dit niet vóór publicatie aan [ Appellant ] is voorgelegd, en Nieuw Amsterdam derhalve onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen is er geen absolute plicht voor een journalist om wederhoor toe te passen alvorens een artikel te publiceren. In dit geval heeft [ M ] zich gebaseerd op beschikbare bronnen met name op [ Appellant ]s eigen boek en hij heeft daaraan geen nieuwe of verrassende conclusies ten aanzien van [ Appellant ] toegevoegd. Daardoor kan niet worden staande gehouden dat hij gegevens bij [ Appellant ] diende te verifiëren alvorens deze te publiceren. [ Appellant ] had er aldus onvoldoende belang bij dat [ M ] hem over het artikel zou horen, zodat grief II tevergeefs is opgeworpen.

2.9 In reconventie heeft de voorzieningenrechter, op vordering van Nieuw Amsterdam, [ Appellant ] veroordeeld om de portretten van [ directeur B ] en [ directeur L ] van zijn website te verwijderen. De voorzieningenrechter heeft, kort samengevat, overwogen (rechtsoverweging 6.2) dat [ Appellant ] een inbreuk maakt op het portretrecht van [ directeur B ] en [ directeur L ], omdat de publicatie van de portretten geen redelijk doel dient, en dat het tot de taken van Nieuw Amsterdam behoort de gerechtvaardigde belangen van haar bestuurders te bewaken. Daartegen is grief III gericht.

2.10 Het hof begrijpt dat Nieuw Amsterdam de foto’s van haar directeuren heeft laten vervaardigen, op haar eigen website heeft laten plaatsen en dat [ Appellant ] deze portretten zonder toestemming heeft overgenomen en gepubliceerd op zijn website. Nieuw Amsterdam heeft primair gesteld dat het hier gaat om in opdracht vervaardigde portretten, zodat ingevolge art. 19 lid 3 Auteurswet (Aw) toestemming van de geportretteerden was vereist. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat een redelijk belang van haar geportretteerde directeuren, en in het verlengde daarvan ook een redelijk belang van haar zelf als uitgeverij, zich verzet tegen de openbaarmaking van de portretten zodat deze niet geoorloofd was ingevolge art. 21 Aw. Beide grondslagen kunnen de vordering echter niet dragen. Nu gesteld noch gebleken is dat Nieuw Amsterdam het auteursrecht heeft op de portretten of dat [ directeur B ] en [ directeur L ] haar gemachtigd hebben om de vordering tot verwijdering namens hen in te stellen, biedt de Auteurswet geen grond voor toewijzing van deze vordering van Nieuw Amsterdam.

Het mag zo zijn dat [ directeur B ] en [ directeur L ] de publicatie van hun portretten op [ Appellant ]s website als bezwaarlijk en beangstigend hebben ervaren maar dat is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat (“in het verlengde daarvan”) [ Appellant ] met die publicatie onrechtmatig jegens Nieuw Amsterdam heeft gehandeld, zodat aan haar evenmin op die grond een eigen vordering ter zake toekomt.

Grief III slaagt en de vordering tot verwijdering van de portretten zal alsnog worden afgewezen.

Het hof merkt daarbij ten overvloede op dat [ Appellant ] daarmee geen vrijbrief heeft verworven om de portretten terug te plaatsen op zijn website, omdat uit het voorgaande voortvloeit dat [ directeur B ] en [ directeur L ], die geen partij zijn in deze procedure, het recht hebben om zich tegen publicatie te verzetten. Dat zij er mee hebben ingestemd dat Nieuw Amsterdam hun portretten publiceert brengt niet mee dat die bevoegdheid dan daarmee ook aan [ Appellant ] toekomt.

3. Slotsom en kosten

Het vonnis voor zover in conventie gewezen zal worden bekrachtigd. Het reconventionele deel van het vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Nieuw Amsterdam zal alsnog worden afgewezen. Nieuw Amsterdam zal als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij alsnog worden veroordeeld in de kosten van de reconventie. De kosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd als hierna te bepalen, omdat partijen beide op enige punten in het ongelijk worden gesteld.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen en, opnieuw rechtdoende, wijst de reconventionele vordering van Nieuw Amsterdam geheel af;

veroordeelt Nieuw Amsterdam in de proceskosten van de reconventie tot op heden aan de zijde van [ Appellant ] begroot op nihil voor salaris van de advocaat;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Huijzer, mr. M.M.M. Tillema en mr. N. van Lingen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 november 2010.