Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BP3797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
106.007.329/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eindarrest. Opheffing conservatoir derdenbeslag onder de voorwaarde dat een toereikende bankgarantie wordt gesteld. Zie ook de tussenarresten LJN: BP3792 en BP3794

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

CHIP(S)HOL III B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

APPELLANTE,

vertegenwoordigd door mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, advocaat te Amsterdam,

e n

de 37 besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid B.V. AIRSIDE A tot en met B.V. AIRSIDE S en B.V. AIRSIDE AA tot en met B.V. AIRSIDE RA,

alle gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

TUSSENKOMENDE PARTIJEN,

vertegenwoordigd door mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, advocaat te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap N.V. LUCHTHAVEN SCHIPHOL,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE,

vertegenwoordigd door mr. T.R.B. de Greve, advocaat te Amsterdam.

1. Het verdere geding in hoger beroep

De partijen worden hierna Chipshol, Airside vennootschappen en Luchthaven genoemd. Chipshol en Airside vennootschappen worden tezamen ook Chipshol cs genoemd.

Voor het verloop van de procedure tot 15 juni 2010 verwijst het hof naar het op die datum in deze zaak uitgesproken tussenarrest.

Ter uitvoering van dat tussenarrest heeft Chipshol een akte genomen. Vervolgens heeft de Luchthaven een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. Verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om Chipshol in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van zijn eerder geformuleerde voorlopig uitgangspunt dat de garantie niet eerder inroepbaar behoeft te zijn dan dat de desbetreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts konden partijen zich nog uitlaten over de betekenis van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010, LJN BK 4476 voor de onderhavige zaak. Beide partijen hebben vervolgens een akte genomen.

2.2. Voor zover partijen in hun aktes onderwerpen aansnijden die buiten het hiervoor vermelde, uitdrukkelijk beperkte kader vallen - naast herhalingen van standpunten gaat het ook om nieuwe standpunten/grieven -, gaat het hof hieraan voorbij.

2.3. Chipshol heeft geen argumenten aangedragen die het hof aanleiding geven zijn onder 2.1 bedoelde voornemen te wijzigen. Het hof wijst er in dit verband nog op dat de bankgarantie van 6 december 2007, die in de te stellen garantie dient te worden geïncorporeerd (zie hierna), is verstrekt in het kader van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een (aanvankelijk) provisionele beslissing waarbij de Luchthaven is veroordeeld om aan Chipshol een bedrag van € 19 miljoen te betalen. Ook in dit licht bezien is de eis van de Luchthaven dat aan haar een bankgarantie wordt verstrekt die tot uitkering komt zodra een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of arrest tot een andere, voor haar gunstigere, uitkomst leidt, in het kader van de bij een beoordeling van een vordering ex artikel 705 Rv vereiste belangenafweging, gerechtvaardigd te achten, althans leidt een en ander niet tot een ander resultaat van die belangenafweging. Dit brengt mee dat de te stellen bankgarantie dient te kunnen worden ingeroepen in geval van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of arrest ook voordat de betrokken beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Naar aanleiding van het bezwaar van Chipshol onder 5 van haar akte, merkt het hof voor de duidelijkheid nog op dat het niet de bedoeling is dat de nieuwe garantie náást de garantie van 6 december 2007 wordt gesteld. Het gaat erom dat beide garanties tezamen de zekerheid bieden zoals deze in dit arrest en het tussenarrest van 15 juni 2010 is omschreven. De nieuwe garantie kan derhalve worden gegeven met incorporering dan wel tegen inwisseling van de garantie van december 2007.

2.4. In het tussenarrest van 14 juli 2009 heeft het hof overwogen dat het het oordeel van de voorzieningenrechter deelt dat van de ondeugdelijkheid van het door de Luchthaven ingeroepen recht niet summierlijk is gebleken. Dit geldt bij de huidige stand van zaken nog steeds. Uit de rechtsoverwegingen 6.4.5 (toepassing van art. 6:101 BW), 6.6.2-6.6.4 (geïntegreerde behandeling van de vorderingen ex art. 50 en art. 55 LVW) en 6.7.3 (bewijsaanbod met betrekking tot de stelling dat de schade in het kader van een schikking reeds (gedeeltelijk) door derden is vergoed) van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de Luchthaven de door haar gepretendeerde vordering op Chipshol geldend kan maken. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad ook een aantal klachten van Chipshol gehonoreerd (rechtsoverwegingen 7.2.9, 7.3.3, 7.3.7), maar de beslissingen hieromtrent maken het oordeel omtrent de potentiële vordering van de Luchthaven niet anders.

2.5. De grieven 1 tot en met 3 zijn in het tussenvonnis van 14 juli 2009 reeds ongegrond bevonden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat ook de grieven 4 en 6 tot en met 10 geen doel kunnen treffen. Ook grief 5 faalt, zoals volgt uit rechtsoverweging 6.4.3 van het arrest van de Hoge Raad. De overige grieven zijn gegrond voor zover zij zich keren tegen de ongeclausuleerde afwijzing door de voorzieningenrechter van de vordering van Chipshol tot opheffing van de conservatoire derdenbeslagen onder de Rabobank en onder Groenenberg. Zoals ook al volgt uit het tussenarrest van 14 juli 2009 acht het hof, na afweging van de wederzijdse belangen, opheffing van de beslagen aangewezen onder de voorwaarde dat een toereikende bankgarantie wordt gesteld. Voor het overige falen de resterende grieven.

2.6. Ten slotte merkt het hof naar aanleiding van uitlatingen van Chipshol op dat juist is dat de procedure mede door toedoen van het hof langer heeft geduurd dan wenselijk is. De “reasonable time” in de zin van art. 6 EVRM is naar het oordeel van het hof echter niet overschreden.

3. Slotsom

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vordering tot opheffing van het ten laste van Groenenberg gelegde beslag op het Groenenbergterrein en de ten laste van Chipshol c.s. onder de Rabobank en onder Groenenberg gelegde beslagen daarbij is afgewezen. Het hof zal Chipshol en de Airside vennootschappen, zoals overwogen in het tussenarrest van 14 juli 2009, in hun vordering tot opheffing van het beslag ten laste van Groenenberg op het Groenenbergterrein niet ontvankelijk verklaren. De ten laste van Chipshol c.s. onder de Rabobank en onder Groenenberg gelegde beslagen zal het hof alsnog opheffen, op voorwaarde dat door Chipshol c.s. een bankgarantie wordt gesteld overeenkomstig hetgeen hieromtrent in dit arrest en in het tussenarrest van 15 juni 2010 is overwogen. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. In de uitkomst van de procedure in hoger beroep ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep – zowel in de hoofdzaak als in het incident -te compenseren.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem van 31 augustus 2007 (zaaknummer/rolnummer 137792/KG ZA 07-424), voor zover daarbij de vordering van Chipshol tot opheffing van de op 19 juli 2007 respectievelijk 15 augustus 2007 ten laste van Chipshol gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Rabobank en onder Groenenberg is afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende,

heft de op 19 juli 2007 respectievelijk 15 augustus 2007 ten laste van Chipshol gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Rabobank en onder Groenenberg op, onder de opschortende voorwaarde dat door Chipshol c.s. ten behoeve van de Luchthaven een bankgarantie wordt afgegeven met tekst overeenkomstig productie B bij akte na tussenarrest van de Luchthaven, met inachtneming van het in dit arrest en het in het tussenarrest van 15 juni 2010 overwogene;

verklaart Chipshol – en in hoger beroep tevens de Airside vennootschappen – niet ontvankelijk in hun vordering tot opheffing van het ten laste van Groenenberg op het Groenenbergterrein gelegde beslag;

compenseert de proceskosten in hoger beroep – zowel in de hoofdzaak als het in incident - aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en M.M.M. Tillema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2010.