Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0648

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
200.067.301/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Spoed Kort Geding. Incident strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring appellanten omdat met één exploot hoger beroep is ingesteld tegen twee einduitspraken. Appellanten ontvankelijk, gelet op eisen van een goede procesorde en verwevenheid tussen de bestreden uitspraken. Voegingsincident, maatstaf voor beoordeling. Zie ook: LJN BP 0644.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN, tevens EISERS IN HET INCIDENT,

advocaat: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh te Rotterdam,

t e g e n

1. de vennootschap naar het recht van de Republiek Armenië

YUKOS CIS INVESTMENT LLC,

gevestigd te Yerevan, Republiek Armenië,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WINCANTON HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN, tevens VERWEERDERS IN HET INCIDENT,

advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] c.s. genoemd, en individueel [appellant 1] en [appellant 2]. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk aangeduid als Yukos CIS c.s. en individueel als Yukos CIS, [geïntimeerde 2] en Wincanton.

Bij exploot van 2 juni 2010 hebben [appellanten] c.s. Yukos CIS c.s. in spoedappel gedagvaard voor dit hof, daarbij hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, op 10 mei 2010 onder zaak-/rolnummer 455340 / KG ZA 10-659 uitgesproken tussen [appellanten] c.s. als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en Yukos CIS c.s. als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, en op 27 mei 2010 uitgesproken onder zaak-/rolnummer 459611 / KG ZA 10-983 tussen [appellanten] c.s. als eisers en Yukos CIS c.s. als gedaagden.

Bij deze dagvaarding is een incidentele vordering ingesteld.

De zaak is aangebracht op de zitting van dit hof van 4 juni 2010. Partijen hebben bij die gelegenheid de zaak in het incident doen bepleiten, [appellanten] c.s. door mr. Van den Muijsenbergh voornoemd vergezeld van mr. K. Huibregtse, advocaat te Rotterdam, en Yukos CIS c.s. door mr. Deckers voornoemd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

Ter zitting is partijen akte verleend van het in het geding brengen van stukken, te weten:

- aan de kant van [appellanten] c.s. de processtukken van de eerste aanleg en faxbrieven, waaronder een faxbrief van 1 juni 2010 waarbij gevoegd een e-mailbericht van de hand van mr. Deckers van dezelfde datum en een faxbrief van 3 juni 2010 waarbij gevoegd de (op de voet van art. 63, eerste lid Rv) aan Yukos CIS c.s. uitgebrachte appeldagvaarding tevens houdende incidentele vordering;

- aan de kant van Yukos CIS c.s. faxberichten en een memorie van antwoord in het incident.

Voorts hebben partijen ter zitting toegezegd nader te zullen overleggen over een onderlinge regeling, hierin gelegen dat [appellanten] c.s. binnen een nader te bepalen termijn de gegevensdragers waarvan in geschil is of zij die ingevolge de bestreden vonnissen aan Yukos CIS c.s. moeten overhandigen, bij een notaris deponeren, waartegenover Yukos CIS c.s. toezeggen niet de dwangsommen te zullen innen die [appellanten] c.s. ingevolge dit onderdeel van de jegens hen uitgesproken veroordelingen kunnen verbeuren. Met het oog op dat overleg hebben Yukos CIS c.s. ter zitting toegezegd in elk geval geen aanspraak te zullen maken en uitdrukkelijk afstand te doen van hun eventuele recht op dwangsommen die in verband met het niet (tijdig) overhandigen van de door hen uit hoofde van het vonnis van 10 mei 2010 onder 7.6 verlangde stukken kunnen worden verbeurd vanaf 4 juni 2010 tot en met 8 juni 2010. Verder hebben partijen toegezegd dat één hunner uiterlijk maandag 7 juni 2010 te 15.00 uur het hof zal mededelen of een regeling als zojuist bedoeld is bereikt, en arrest gevraagd voor geval die regeling niet zal worden getroffen.

2. De feiten

Voorshands gaat het hof, voorzover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, van de navolgende feiten uit.

2.1 Bij beslissing van een rechtbank te Moskou van 1 augustus 2006 is de vennootschap naar Russisch recht OAO Oil Company Yukos (hierna: Yukos Oil) in staat van faillissement komen te verkeren.

2.2 De in verband met dit faillissement benoemde insolventiefunctionaris, E.K. Rebgun, heeft op 31 augustus 2007 uit de boedel van Yukos Oil alle aandelen in de Armeense vennootschap CIS verkocht aan de vennootschap naar Russisch recht OAO NK Rosneft (hierna: Rosneft).

2.3 Op 31 juli 2009 is Rosneft in het Armeense handelsregister geregistreerd als 100% aandeelhouder van Yukos CIS.

Rosneft heeft de zittende bestuurder van Yukos CIS ontslagen, en [geïntimeerde 2] als nieuwe bestuurder van die vennootschap benoemd. Die benoeming is op 6 augustus 2009 geregistreerd in het Armeense handelsregister.

2.4 Yukos CIS is de enig aandeelhouder van Wincanton, van welke vennootschap [appellant 1] en [appellant 2] tot 22 maart 2010 de (onbetwiste) bestuurders waren.

2.5 Op 22 september 2008 heeft Wincanton haar certificaten van aandelen Financial Performance Holdings B.V., ondergebracht in de Nederlandse Stichting Administratie Kantoor Financial Performance Holdings, overgedragen aan de vennootschap naar het recht van Delaware Consolidated Nile LLC.

2.6 Bij brieven van 15 maart 2010 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellant 1] en [appellant 2] geschreven:

“Yukos CIS (…) has the Intention to suspend you as a director of Wincanton for the period of one (1) month. There will be a meeting of shareholders in Amsterdam on 22 March 2010 where the intended decision will be formalised. As a director you will have the right to advise the meeting of shareholders on the intended decision. (…) We would like to invite you to the meeting of shareholders on 22 March 2010(…)".

2.7 [appellant 1] en [appellant 2] hebben daar bij monde van hun advocaat bij brief van 22 maart 2010 als volgt op gereageerd:

"(…) It is obvious that my clients are not willing to participate in or to 'advise' by telephone, a legally non existent `shareholders meeting' of Wincanton and they will therefore not give any effect to your invitation. (…)”.

2.8 Nog diezelfde dag, 22 maart 2010, heeft Yukos CIS, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2], [appellant 1] en [appellant 2] voor de duur van een maand geschorst als bestuurders van Wincanton, met benoeming van [geïntimeerde 2] in die hoedanigheid voor dezelfde periode.

2.9 Bij brief van 26 maart 2010 heeft Wincanton, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2], Maser B.V. (een trustkantoor dat de administratie van Wincanton voert, verder te noemen: Maser) geïnformeerd over de schorsing van [appellant 1] en [appellant 2] en om inzage in alle documentatie van Wincanton verzocht. Maser heeft aan dit verzoek niet voldaan, stellende van de advocaten van [appellant 1] en [appellant 2] te hebben begrepen dat het schorsings- en benoemingsbesluit wordt betwist.

2.10 Wincanton, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2], heeft tevens getracht de bestuurderswisseling te doen inschrijven in het Nederlandse handelsregister. Bij brief van 26 maart 2010 heeft de Kamer van Koophandel Amsterdam aan de advocaat van Wincanton bericht dat de opgave van de bestuurderswisseling is geweigerd, omdat de Kamer van Koophandel niet in staat is om vast te stellen of de opgave door een bevoegde persoon wordt gedaan en evenmin of de opgave juist is, en omdat de gemachtigde van het zittende bestuur te kennen heeft gegeven dat de schorsing en benoeming een geldige rechtsgrond ontbeert.

2.11 In de avond van 21 april 2010 heeft Yukos CIS, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2], [appellant 1] en [appellant 2] per fax uitgenodigd om te adviseren op het door de aandeelhoudersvergadering van Wincanton op 22 april 2010 te nemen besluit de schorsing van [appellant 1] en [appellant 2] en de benoeming van [geïntimeerde 2] met één maand te verlengen.

2.12 Op 22 april 2010 heeft Wincanton, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2], de schorsing van [appellant 1] en [appellant 2] als bestuurder van Wincanton, en de benoeming van [geïntimeerde 2] in die hoedanigheid, verlengd met één maand. De desbetreffende besluiten bevatten de passage:

“(e) the circumstances giving rise to the suspension and appointment mentioned under (d) above” (de besluiten van 22 maart 2010, hof) “have not changed during the period of suspension. The Shareholder therefore wishes to adopt this resolution whereby he aims to maintain the status quo pending the current proceedings, supported by a commitment of Yukos CIS/[geïntimeerde 2] as managing director not to perform any acts of administration or disposition regarding Wincanton until the Dutch court has ruled in the interlocutory proceedings. (…)"

2.13 In Armenië is door de Stichting Administratiekantoor Financial Performance Holdings, Luxtona Limited en Yukos International UK B.V. een procedure aanhangig gemaakt teneinde te voorkomen dat de overdracht van de aandelen Yukos CIS aan Rosneft wordt geregistreerd in het van overheidswege bijgehouden register van rechtspersonen, en te verhinderen dat Rosneft en/of [geïntimeerde 2] van deze aandelen (anderszins) gebruik maken. In die procedure heeft de Armeense cassatierechter op 9 april 2010, met vernietiging van een uitspraak van een bestuursrechter, en naar het hof begrijpt als voorlopige maatregel in afwachting van de na verwijzing te nemen beslissingen ten gronde, de beheerder van bedoeld register en diens regionale vestigingen verboden enige actie te ondernemen gericht op het registreren van een andere rechthebbende op het aandelenkapitaal Yukos CIS, en Rosneft en [geïntimeerde 2] (en door deze aangewezen andere personen) verboden kapitaal van Yukos CIS te gebruiken of te registreren.

3. Eerste aanleg

3.1 In dit geding hebben [appellanten] c.s. in eerste aanleg bij wege van voorlopige voorziening gevorderd – samengevat -:

primair

(i) dat zij worden gemachtigd al hetgeen te doen wat nodig is voor het ongedaan maken van (de gevolgen van) besluiten en handelingen die [geïntimeerde 2] namens Yukos CIS heeft genomen of verricht in de (gepretendeerde) hoedanigheid van aandeelhouder en/of bestuurder, (ii) [geïntimeerde 2] wordt geboden daaraan medewerking te verlenen, (iii) [geïntimeerde 2] wordt verboden om voor Yukos CIS bestuursdaden te verrichten totdat – cumulatief - (a) met kracht van gewijsde door de Armeense rechter zal zijn beslist over de rechtmatigheid van de benoeming van [geïntimeerde 2] als bestuurder en vertegenwoordiger van Yukos CIS, (b) met kracht van gewijsde door de Nederlandse rechter zal zijn beslist dat het vonnis waarbij Yukos Oil failliet is verklaard en de daarop voortbouwende rechtshandelingen niet in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde, en (c) de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangige klacht van Yukos Oil tegen de Russische Federatie zal zijn afgedaan met een niet voor appel of nadere voorziening vatbare uitspraak, (iv) Yukos CIS (a) wordt geboden aan het onder (i) gevorderde medewerking te verlenen, (b) wordt verboden met betrekking tot Wincanton bestuursdaden te verrichten totdat de onder (iii), (a), (b), en (c) bedoelde uitspraken in laatste instantie zijn gedaan, en (v) dat dwangsommen worden verbonden aan de onder (ii) tot en met (iv) gevorderde veroordelingen,

subsidiair

dat Wincanton zal worden geboden de gevolgen van bepaalde (door [geïntimeerde 2] namens Yukos CIS) genomen aandeelhoudersbesluiten ongedaan te maken en de uitvoering daarvan op te schorten totdat in een bodemprocedure bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn geoordeeld over de geldigheid van die besluiten.

3.2 In reconventie vorderden Yukos CIS c.s. dat [appellanten] c.s. bij wege van voorlopige voorziening worden veroordeeld – samengevat -:

primair

uitvoering te geven aan de hiervoor onder 2.8 genoemde besluiten, en derhalve (i) medewerking te verlenen aan de inschrijving van [geïntimeerde 2] als bestuurder van Wincanton in het handelsregister, (ii) die besluiten van 22 maart 2010 te eerbiedigen, (iii) opgave te doen van rechten en verplichtingen van Wincanton en haar deelnemingen, (iv) opgave te doen van alle rechterlijke procedures waarin Wincanton en aan haar gelieerde rechtspersonen betrokken zijn, onder afgifte van de processtukken, (v) alle onder hen berustende administratie toebehorend aan of betrekking hebbend op Wincanton af te geven, en (vi) de accountant van Wincanton instructie te geven op eerste verzoek aan [geïntimeerde 2] inzage te geven in alle stukken van Wincanton die de accountant onder zich heeft,

subsidiair

(i) bij het handelsregister op te geven dat hun bevoegdheid als bestuurders van Wincanton wordt betwist, (ii) Yukos CIS en [geïntimeerde 2] te informeren over alle rechts- en vertegenwoordigingshandelingen die zij als bestuurders van Wincanton verrichten, en van alle namens Wincanton gedane uitgaven en betalingen en aangegane verplichtingen met een groter belang dan € 10.000,=, (iii) geen activa van Wincanton of deelnemingen te vervreemden of te bezwaren, en voorts nog dezelfde vier punten als primair onder (iii) tot en met (vi) gevorderd,

zowel primair als subsidiair

met bepaling dat [appellanten] c.s. een dwangsom van € 10.000.000,= zullen verbeuren voor elke dag (of deel daarvan) dat zij in gebreke blijven aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 150.000.000,=.

3.3 In het vonnis van de voorzieningenrechter van 10 mei 2010 zijn de door [appellanten] c.s. verlangde voorzieningen in alle onderdelen geweigerd, doch de in reconventie gevorderde voorzieningen deels toegewezen.

Daartoe overwoog de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang:

“6.3 De vordering om [appellant 1] en [appellant 2] te veroordelen om volledige opgave te doen van alle rechten en plichten van Wincanton Holding en haar directe en indirecte deelnemingen zal als te onbepaald worden afgewezen. Deze rechten en verplichtingen moeten immers blijken uit de administratie. Pas als zou blijken dat de administratie geen of onvoldoende inzicht in de rechten en verplichtingen van (indirecte) deelnemingen geeft, zou hiervoor grond kunnen bestaan. De vordering om opgave te doen van alle gerechtelijke procedures in Nederland en daarbuiten waarin Wincanton Holding of haar deelnemingen, groepsvennootschappen of aanverwante rechtspersonen als partij zijn betrokken, onder afgifte van de processtukken, zal op dezelfde grond worden afgewezen.

6.4 Wel zullen [appellant 1] en [appellant 2] worden bevolen om aan [geïntimeerde 2] af te geven alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton. Het voert echter te ver om hen ook te veroordelen alle documentatie af te geven die betrekking heeft op Wincanton. Daaronder vallen immers ook aan derden toebehorende stukken. De gevorderde verklaring onder ede dat alle gevraagde stukken zijn overgelegd zal worden afgewezen, nu het Nederlandse recht daarvoor geen grondslag biedt. De gevorderde instructie aan de accountant zal worden toegewezen, op na te melden wijze.”

3.4 Het dictum van dit op 10 mei 2010 uitgesproken vonnis van de voorzieningenrechter luidt, voor zover in reconventie gewezen en thans van belang, aldus:

“7.6 veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerde 2] af te geven alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton.

(…)

7.8 bepaalt dat [appellant 1] en [appellant 2] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan één of meer van de veroordelingen onder 7.5 tot en met 7.7, aan Yukos CIS, [geïntimeerde 2] en Wincanton een dwangsom verbeuren van

€ 10.000.000,00, tot een maximum van € 150.000.000,00,

7.9 verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad”.

3.5 Bij dagvaarding van 18 mei 2010 hebben [appellanten] c.s. Yukos CIS c.s. wederom voor de voorzieningenrechter te Amsterdam gedagvaard, en gevorderd – samengevat –:

primair

opheffing van de dwangsom voor zover gekoppeld aan de veroordeling in het vonnis van 10 mei 2010 onder 7.6,

subsidiair

een verbod het vonnis van 10 mei 2010 ten uitvoer te leggen,

meer subsidiair

een verbod op het tenuitvoerleggen van de in het vonnis van 10 mei 2010 onder 7.8 bepaalde dwangsom, onder nadere vaststelling van de documentatie en administratie die [appellanten] c.s. thans nog moeten afgeven, met bepaling dat een dwangsom pas zal zijn verbeurd indien [appellanten] c.s. na een periode van 30 dagen na betekening van het te wijzen vonnis niet aan deze (anders te formuleren) veroordeling zullen hebben voldaan, en voorts met bepaling van die dwangsom op een lager bedrag,

nog meer subsidiair

schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordelingen onder 7.6 en 7.8 van het vonnis van 10 mei 2010 totdat bij in kracht van gewijsde gegane beslissing in appel zal zijn beslist,

meest subsidiair

schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling onder 7.8 van het vonnis van 10 mei 2010, in die zin dat geen dwangsom zal zijn verbeurd indien de onder 7.6 gegeven veroordeling niet volledig zou worden nagekomen, totdat bij in kracht van gewijsde gegane beslissing in appel zal zijn beslist.

3.6 Naar aanleiding van deze vordering is in het thans eveneens bestreden vonnis van 27 mei 2010 overwogen, voor zover hier van belang (verwijzingen naar “het Vonnis” doelen – vanzelfsprekend – op het vonnis van 10 mei 2010):

“4.5. [appellant 1] en [appellant 2] stellen verder nog dat de omschrijving van de onder 7.6 van het Vonnis gegeven veroordeling onvoldoende duidelijk is, zodat het onmogelijk is objectief vast te stellen of al dan niet aan die veroordeling is voldaan. Dit levert volgens hen eveneens een kennelijke juridische misslag op. Daarover wordt het volgende overwogen. Zo al sprake mocht zijn van een onduidelijke veroordeling, dan nog levert dit geen kennelijke misslag op als bedoeld in de toelichting op artikel 438 Rv. Hooguit kan aan dit bezwaar van [appellant 1] en [appellant 2] worden tegemoetgekomen op grond van artikel 611d Rv, indien mocht blijken dat zij in de onmogelijkheid verkeren om aan de veroordeling te voldoen.

4.6. [appellant 1] en [appellant 2] gronden hun vordering tevens op het bepaalde in artikel 611d Rv, stellende dat zij reeds aan de veroordeling hebben voldaan, althans dat, mocht geoordeeld worden dat zij dit nog niet (geheel) hebben gedaan, zij in de onmogelijkheid verkeren om aan de onder 7.6 van het Vonnis gegeven veroordeling te voldoen.

4.7. Ter toelichting van hun standpunt dat zij in de onmogelijkheid verkeren om meer dan zij al hebben gedaan, aan de veroordeling te voldoen, stellen [appellant 1] en [appellant 2] ten eerste, samengevat, dat onduidelijk is wat precies wordt bedoeld met "alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton". Volgens hen vallen daar in ieder geval niet onder de juridische adviezen die aan [appellant 1] en [appellant 2] in hun hoedanigheid van bestuurders van Wincanton zijn gegeven in hun strijd tegen alle verschijningsvormen van de Russische Federatie in de kwesties rond het faillissement van Yukos Oil. Ten tweede voeren zij, kort gezegd, aan dat zij onvoldoende tijd hebben gekregen om aan de veroordeling te voldoen.

4.8. Met betrekking tot de omvang van de veroordeling geldt het volgende. Bij de eerdere terechtzitting hebben partijen alle ruimte gekregen en genomen om hun standpunten naar voren te brengen. [appellant 1] en [appellant 2] hebben daarbij ook aandacht besteed aan het in reconventie gevorderde. In dat kader heeft de administrateur van [appellant 1] en [appellant 2] op de vorige zitting verklaard dat de administratie van Wincanton in een grote verhuisdoos past. [appellant 1] en [appellant 2] hebben toen evenwel niet aangevoerd dat onduidelijk is wat wordt bedoeld met "alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton." Dit punt hebben zij eerst in dit executiegeschil opgeworpen.

4.9. Opmerking verdient dat [geïntimeerde 2], Yukos CIS en Wincanton ter zitting hebben verklaard dat zij geen aanspraak maken op niet inhoudelijke administratie en documentatie over bijvoorbeeld het verhinderd zijn om een vergadering bij te wonen en dergelijke. Tevens hebben zij verklaard geen aanspraak te maken op kopieën van stukken waarover zij al beschikken.

4.10. Ter zitting is gebleken dat de bezwaren van [appellant 1] en [appellant 2] zich toespitsen op strategische juridische adviezen die zij hebben ingewonnen. Partijen zijn het erover eens dat de juridische adviezen die aan [appellant 1] en [appellant 2] zijn verstrekt in hun hoedanigheid van bestuurders van Wincanton in de juridische strijd die zij sinds het faillissement van Yukos Oil voeren tegen alle entiteiten waarachter de Russische overheid schuil gaat, niet behoeven te worden overgelegd, omdat [geïntimeerde 2] en Yukos CIS — die in het kamp van de Russische overheid moeten worden geschaard — anders inzicht zouden verkrijgen in de positie die [appellant 1] en [appellant 2] innemen in de diverse procedures waarin zij verwikkeld zijn of nog kunnen raken. Overlegging van deze stukken zou op gespannen voet staan met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, dat het recht op een eerlijk proces waarborgt. [geïntimeerde 2], Yukos CIS en Wincanton hebben ook expliciet verklaard ermee in te kunnen stemmen dat onderdeel 7.6 van het dictum van het Vonnis in de hiervoor bedoelde zin wordt aangepast en daartoe een tekstvoorstel gedaan.

4.11. Partijen verschillen echter wel van mening of ook de juridische adviezen met betrekking tot de herstructurering van Wincanton door middel van het uitgeven van certificaten van haar aandelen en het onderbrengen van die certificaten in (uiteindelijk) Consolidated Nile LP onder de hiervoor besproken uitzondering valt. [appellant 1] en [appellant 2] stellen zich op het standpunt dat zij deze adviezen over de herstructurering evenmin behoeven af te geven. [geïntimeerde 2], Yukos CIS en Wincanton daarentegen zijn van mening dat deze stukken wel moeten worden afgegeven, omdat deze noodzakelijk zijn om de rechten en verplichtingen van Wincanton volledig te kennen.

In dit verband geldt het volgende. Zoals in het Vonnis is overwogen, is vooralsnog voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde 2] thans de bevoegde bestuurder van Yukos CIS – de eigenaar van Wincanton – is en dat hij daarnaast ook de bevoegde (tijdelijk aangestelde) bestuurder van Wincanton is. Hij heeft er dan ook belang bij zo spoedig mogelijk de rechten en verplichtingen van Wincanton te kennen. Partijen zijn het erover eens dat om de rechten en verplichtingen van een onderneming te kennen, ook de aan bijvoorbeeld een akte of overeenkomst voorafgaande correspondentie, concepten en dergelijke dienen te worden gekend. [appellant 1] en [appellant 2] hebben geen goede reden aangevoerd waarom Yukos CIS niet zou mogen weten hoe de herstructurering van Wincanton tot stand is gekomen. Zij stellen weliswaar dat overlegging van de onderliggende adviezen mogelijkerwijs desastreuze gevolgen zal hebben omdat de herstructurering één van de belangrijkste onderdelen van de strijd is en omdat de positieve en de negatieve aspecten van de herstructurering in die adviezen aan de orde zijn gekomen, maar dit belang is onvoldoende geconcretiseerd tegenover het duidelijk aanwezige, zwaarwegende belang van de bestuurder van Yukos CIS om inzicht te krijgen in de totstandkoming van de herstructurering van de onderneming waarvan Yukos CIS eigenaar is. De onderliggende adviezen met betrekking tot de herstructurering van Wincanton vallen dan ook onder de stukken die [appellant 1] en [appellant 2] aan [geïntimeerde 2] dienen over te leggen. Nu die herstructurering op 22 september 2008 is voltooid, zal de verplichting tot afgifte worden beperkt tot de adviezen die zijn gegeven vóór 1 oktober 2008. De daarna gegeven adviezen moeten worden geacht uitsluitend te zijn gegeven in het kader van het conflict met de Russische overheid en behoeven dus niet te worden afgegeven.

4.12. De slotsom van het voorgaande is dat hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat voor [appellant 1] en [appellant 2] voldoende duidelijk is welke stukken zij op grond van de veroordeling onder 7.6 aan [geïntimeerde 2] moeten doen toekomen, het ter zitting door [geïntimeerde 2], Yukos CIS en Wincanton gedane voorstel aanleiding vormt en voldoende grond biedt om te bepalen dat de onder 7.6 van het Vonnis gegeven veroordeling dient te worden gelezen als na te melden.

4.13. [appellant 1] en [appellant 2] stellen tevens dat hen onvoldoende tijd is gegeven om aan de veroordeling te voldoen. In dit verband verdient opmerking dat zij tijdens de vorige behandeling evenmin enig woord hebben gewijd aan de in reconventie gevorderde termijn voor overlegging van de administratie en documentatie van Wincanton. Het verweer dat de gegeven termijn te kort is, hebben zij eerst opgeworpen bij de behandeling van de onderhavige zaak. Daarbij hebben zij aangevoerd dat zij tijd hebben verloren door het tijdverschil met [woonplaats] en [woonplaats] en doordat Hemelvaartsdag binnen de gegeven termijn viel, alsmede dat zij een groot aantal e-mails moeten nakijken om te beoordelen of deze al dan niet onder de veroordeling vallen. Tot slot stellen zij dat het onmogelijk of in ieder geval zeer tijdrovend is om stukken van Wincanton af te scheiden van stukken van andere ondernemingen waarvan zij bestuurders zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn e-mails bij uitstek snel op relevantie te doorzoeken en door te sturen, omdat deze met een zoekfunctie eenvoudig kunnen worden bewerkt en omdat de elektronische verzending zeer snel kan worden gerealiseerd. De gegeven termijn van zeven dagen wordt derhalve ruim genoeg geacht. Dat [appellant 1] en [appellant 2] de door hun gehouden administratie en documentatie op zodanige wijze hebben ingericht dat de stukken van Wincanton niet of niet eenvoudig zijn af te scheiden van de stukken met betrekking tot andere ondernemingen waarvan zij bestuurders zijn, komt voor hun eigen risico. Een en ander biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat [appellant 1] en [appellant 2] in de onmogelijkheid verkeren om aan de veroordeling te voldoen.

4.14. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen tot opheffing van de dwangsom en tot verbod of schorsing van de executie. Wel zal, zoals onder 4.12 overwogen, de veroordeling onder 7.6 van het Vonnis nader worden ingevuld als na te melden.”

3.7 Na aldus te hebben overwogen heeft de voorzieningenrechter in dit vonnis van 27 mei 2010 beslist, wederom voor zover thans van belang:

“5.1. bepaalt dat onder alle aan [appellant 1] en [appellant 2] ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoren aan Wincanton Holding, als genoemd onder 7.6 van het Vonnis, ook vallen alle juridische adviezen aangaande de herstructurering van Wincanton, die tot en met 30 september 2008 zijn verstrekt aan Wincanton en/of aan een of meer van haar vertegenwoordigers.

5.2. bepaalt dat onder de af te geven administratie en documentatie niet behoren de juridische adviezen aangaande de (proces)rechtelijke positie van Wincanton en haar bestuurders, die zijn verstrekt aan Wincanton en/of aan een of meer van haar vertegenwoordigers, voor zover deze laatstbedoelde adviezen betrekking hebben op de (proces)rechtelijke positie van Wincanton en haar bestuurders in het kader van het geschil dat zij hebben met de Russische Federatie in welke verschijningsvorm ook, voortvloeiende uit het faillissement van Yukos Oil, doch uitsluitend voor zover zij niet vallen onder de hiervoor onder 5.1 genoemde adviezen aangaande de herstructurering.”

4. Beoordeling in het incident

4.1 De incidentele vordering strekt ertoe dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, met onmiddellijke ingang of vanaf een door het hof te bepalen tijdstip de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden vonnissen zal opheffen, en de tenuitvoerlegging zal schorsen van het op 10 mei 2010 uitgesproken vonnis voor zover het de onder 7.6 en 7.8 gegeven bevelen betreft en ook de tenuitvoerlegging van het op 27 mei 2010 uitgesproken vonnis zal schorsen, totdat bij in kracht van gewijsde gegane einduitspraak op het appel zal zijn beslist, met veroordeling van Yukos Cis c.s. in de kosten van dit incident.

4.2 Deze vordering doen [appellanten] c.s. steunen op de stelling dat het in het vonnis van 10 mei 2010 onder 7.6 gegeven bevel en de in het vonnis van 27 mei 2010 gegeven precisering daarvan uiting geven aan kennelijke (juridische en/of feitelijke) misslagen en/of berusten op een belangenafweging die ten gunste van [appellanten] c.s. dient uit te vallen.

4.3 Het hof neemt tot uitgangspunt dat schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis hangende het hoger beroep tegen dit vonnis alleen aan de orde kan zijn in het uitzonderlijke geval waarin moet worden vastgesteld dat de executant, mede gelet op de – voor hem kenbare – belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het benutten van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan.

4.4 Waar het gaat om een veroordeling die bestaat uit een door dwangsommen versterkt gebod, moet bovendien tot uitgangspunt dienen dat het opleggen en tenuitvoerleggen van dit gebod en de daaraan gekoppelde dwangsom alleen gerechtvaardigd zijn indien de veroordeelde met voldoende nauwkeurigheid kan onderkennen hoe hij zich te gedragen heeft om te voorkomen dat hij de dwangsom – die uitsluitend mag worden opgelegd en toegepast als prikkel tot naleving – verbeurt.

4.5 Blijkens rov. 4.10 van het op 27 mei 2010 uitgesproken vonnis heeft de voorzieningenrechter als tussen partijen vaststaande omstandigheid aangemerkt dat [appellanten] c.s. ten tijde van hun optreden als bestuurders van Wincanton verwikkeld waren in een juridische strijd die zij sinds het faillissement van Yukos Oil voeren tegen de entiteiten waarachter zij de Russische overheid vermoeden, terwijl evenmin in geschil is dat [appellanten] c.s. in deze strijd aanspraak maken op bescherming in de door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten, ook voor zover het erom gaat dat zij niet gedwongen mogen worden de posities en stellingen prijs te gegeven die zij in de desbetreffende procedures kunnen of willen innemen.

4.6 [appellanten] c.s. stellen dat de overdracht (in het kader van de “herstructurering”) van certificaten van aandelen aan het in Delaware gevestigde Consolidated Nile LLC deel uitmaakt van diezelfde juridische "strijd tegen Rosneft c.s." (appeldagvaarding onder 55), erop gericht de voorheen ter beschikking van Yukos Oil staande vermogensbestanddelen zo veel mogelijk voor al haar vroegere aandeelhouders en/of schuldeisers te houden, en te voorkomen dat zulk vermogen zonder meer kan worden opgeëist door degenen die op een volgens [appellanten] c.s. aantastbare wijze de controle over voormalige onderdelen van het Yukos Oil-concern hebben gekregen. Daarbij komt dat voorshands redelijkerwijs voor mogelijk kan worden gehouden, bijvoorbeeld met het oog op de onder 2.13 genoemde procedure voor de Armeense rechter, dat het aandeelhouderschap van Rosneft in Yukos CIS uiteindelijk niet erkend zal worden, zodat ook de benoeming van [geïntimeerde 2] als bestuurder van die vennootschap van onwaarde kan blijken te zijn. Daarom doet alleen al de aard van de door Yukos CIS c.s. ingestelde vordering, zoals in het vonnis van 10 mei 2010 onder 7.6 toegewezen, de vraag rijzen of Yukos CIS c.s. ervan mogen uitgaan dat [appellanten] c.s. met redelijkerwijs te vergen inspanning het onderscheid kunnen maken tussen de documenten die adviezen belichamen met betrekking tot de (proces)rechtelijke positie van Wincanton en haar bestuurders “in het kader van het geschil dat zij hebben met de Russische Federatie in welke verschijningsvorm ook, voortvloeiende uit het faillissement van Yukos Oil”, tegenover “alle juridische adviezen aangaande herstructurering van Wincanton”.

4.7 Bij het voorgaande merkt het hof bovendien op dat Yukos CIS c.s. bij de behandeling van het incident op geen enkele wijze duidelijk hebben gemaakt welk concreet belang zij hebben bij het in bezit krijgen van documenten die [appellanten] c.s. tot nu toe niet hebben willen afgeven. Partijen zijn het er over eens dat de meest voor de hand liggende onderdelen van de bedrijfsadministratie, zoals in eerste aanleg de Nederlandse administrateur van Wincanton verklaarde, in een forse verhuisdoos past. [appellanten] c.s. stellen dat zij na het vonnis van 10 mei 2010 aan de Nederlandse administrateur van Wincanton opdracht hebben gegeven de volledige administratie van die vennootschap aan [geïntimeerde 2] af te geven, dat [appellanten] c.s. de weinige originele stukken betreffende Wincanton die zij zelf onder zich hadden ook ter beschikking hebben gesteld, en dat zij ook de (externe) accountant van Wincanton opdracht hebben gegeven Yukos CIS c.s. van alle documenten te voorzien.

4.8 Yukos CIS c.s. zwijgen over deze stellingen, zodat het hof er voorshands vanuit gaat dat zij juist zijn. Bij die stand van zaken had van Yukos CIS c.s. verwacht mogen worden dat zij minstens enigermate zouden aanduiden welke stukken, van belang om [geïntimeerde 2] een goed en volledig inzicht te geven in de gang van zaken binnen de nu door hem bestuurde vennootschap, nog ontbreken en/of kennelijk door [appellanten] c.s. worden achtergehouden. Yukos CIS c.s. hebben geen enkele poging in die richting gedaan. Zij beperken zich ertoe erop te wijzen dat [appellanten] c.s. erkennen over vele duizenden documenten en/of e-mails te beschikken die moeten worden onderzocht op gegevens betreffende Wincanton, die misschien betrekking hebben op het aan Yukos CIS c.s. over te dragen materiaal betreffende de “herstructurering” bij Wincanton, maar ook betrekking kunnen hebben op de niet over te dragen adviezen betreffende de juridische strijd tegen Rosneft en/of verschijningsvormen binnen de Russische Federatie.

4.9 Het voorgaande, waaraan het hof nog toevoegt dat bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is gebleken dat partijen (ook nog) van mening verschillen over wat onder "herstructurering" verstaan moet worden (Yukos CIS: periode 2005-2008, [appellanten] c.s.: alleen 2008), leidt het hof tot de volgende conclusie. Vaststaat dat [appellanten] c.s. in de juridische strijd die zij sinds het faillissement van Yukos Oil voeren aanspraak maken op bescherming in de door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten. Of voor [appellanten] c.s., ook na het vonnis van 27 mei 2010, met redelijkerwijs te vergen inspanning mogelijk is de documenten te selecteren die zij ingevolge het dictum onder 7.6 van het vonnis van 10 mei 2010 – ook na precisering daarvan in het dictum onder 5.1 en 5.2 van het vonnis van 27 mei 2010 – is voorshands in elk geval twijfelachtig en kan in het kader van het onderhavige incident voorshands niet met voldoende zekerheid worden beantwoord. Onverkorte handhaving van het dictum onder 7.6 van het vonnis van 10 mei 2010, versterkt met de onder 7.8 van dat dictum bepaalde dwangsom, schept derhalve een aanzienlijk (en niet aan [appellanten] c.s. toe te rekenen) risico dat [appellanten] c.s. als gevolg van dicta in vonnissen die voor hen nog steeds onvoldoende duidelijk zijn hetzij door afgifte van (achteraf bezien:) te veel documenten onaanvaardbaar worden beperkt in hun aanspraken op bescherming in de door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten, hetzij door afgifte van (achteraf bezien:) te weinig documenten worden geconfronteerd met de verbeurte van uitermate hoge dwangsommen. De belangen van [appellanten] c.s. bij de in dit incident gevorderde voorziening zijn derhalve zeer zwaarwegend. De daartegenover staande belangen van Yukos CIS c.s. bij onmiddellijke afgifte van de documenten hangende het hoger beroep zijn daarentegen onvoldoende geconcretiseerd. Daar komt nog bij dat het onderhavige incident een incident is een zogenaamd spoedappel waarin derhalve op korte termijn uitspraak zal worden gedaan.

4.10 Nu Yukos CIS c.s. – naar moet worden aangenomen: binnen de in het vonnis van 10 mei jongstleden gestelde termijn in het bezit gesteld van minstens de primaire stukken betreffende bedrijfsvoering en comptabiliteit bij Wincanton – op geen enkele manier hebben geconcretiseerd waarom zij vermoeden dat [appellanten] c.s. stukken achterhouden die op de bedrijfsvoering van Wincanton en/of de “herstructurering” binnen deze vennootschap slaan, moet, gelet op het onder 4.9 overwogene, worden geconcludeerd dat Yukos CIS c.s. geen in redelijkheid te respecteren belang hebben bij het tenuitvoerlegging van het dictum onder 7.6 van het vonnis van 10 mei 2010, versterkt met de onder 7.8 van dat dictum bepaalde dwangsom, zoals nader gepreciseerd in het vonnis van 27 mei 2010.

4.11 In zoverre bevindt het hof de incidentele vordering gegrond, en zal het de tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 mei 2010 schorsen totdat in het hoger beroep tegen dat vonnis en tegen het vonnis van 27 mei 2010 zal zijn beslist.

5. Verder verloop van het geding

5.1 Op verzoek van [appellanten] c.s. wordt deze zaak behandeld als een spoedappel, maar in verband met de behandeling van het incident heeft het hof toegelaten dat de appeldagvaarding niet de grieven bevat.

5.2 [appellanten] c.s. zullen hun grieven alsnog bij memorie moeten voordragen, waartoe de zaak naar de rol zal worden verwezen. Voor het indienen van die memorie en de daarop volgende proceshandelingen zullen de termijnen in acht genomen moeten worden die zijn genoemd in onderdeel 10.1 van het landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Indien een der partijen ook inzake het hoger beroep wenst te pleiten, wordt die partij geacht dat bij haar memorie kenbaar te maken, en daarbij de verhinderdata van beide partijen over de eerstvolgende twee maanden op te geven.

5.3 Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.

6. Beslissing

Het hof:

in het incident:

schorst met onmiddellijke ingang de tenuitvoerlegging van hetgeen in het op 10 mei 2010 gewezen vonnis van de voorzieningenrechter is bepaald onder 7.6 en 7.8, ten aanzien van die laatste bepaling uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder 7.6 opgelegde veroordeling;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af al hetgeen overigens incidenteel is gevorderd;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 15 juni 2010 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellanten] c.s;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, G.J. Visser en J. Wortel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2010.