Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
28-12-2010
Zaaknummer
200.030.992 en 200.045.615
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzonder curator voor een minderjarige. Vervolg op beschikking 9-2-2010 LJN BL5778

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof:

200.030.992 (nevenvoorziening bij echtscheiding) en

200.045.615 (benoeming bijzondere curator)

(zaaknummers rechtbank: 238059 / FA RK 07-5843 en 259177 / FA RK 08-7302)

beschikking van de familiekamer van 23 november 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere te Utrecht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.

Als overige belanghebbende zijn aangemerkt:

Mr. A.M.C.J. Klostermann,

kantoorhoudende te Utrecht,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige

[dochter], verder te noemen "[dochter]",

verder te noemen "de bijzondere curator",

en

Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen "de stichting".

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 9 februari 2010 een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 22 februari 2010 een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 19 februari 2010 met bijlage;

- op 14 april 2010 een brief van de raad van 12 april 2010 met bijlagen;

- op 26 mei 2010 een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 25 mei 2010 met bijlage;

- op 1 juni 2010 een brief van mr. Klostermann van diezelfde datum met bijlagen;

- op 3 juni 2010 een brief van de raad van 1 juni 2010;

- op 11 juni 2010 een brief van de stichting van 10 juni 2010;

- op 6 juli 2010 een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 2 juli 2010 met bijlagen;

- op 9 juli 2010 een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 8 juli 2010 met bijlage;

- 13 oktober 2010 een brief van mr. Van de Lockant-Geschiere van 12 oktober 2010 met bijlage;

- op 21 oktober 2010 een brief van de stichting van diezelfde datum met bijlage.

1.3 Op 25 oktober 2010 is [dochter] buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden door de voorzitter van dit hof gehoord.

1.4 Op 26 oktober 2010 is de mondelinge behandeling voortgezet. De ouders zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is mr. [...] verschenen. Tevens is de bijzondere curator verschenen. De stichting is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

1.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

1.6 Desgevraagd hebben mr. Van de Lockant-Geschiere, mr. Hoppenbrouwers en de raad ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de in 1.2 vermelde brief van 21 oktober 2010 met bijlage, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die brief met bijlage zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brief met bijlage.

2. De verdere vaststaande feiten

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 23 april 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht, op verzoek van de raad, [dochter] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht met ingang van 23 april 2010 voor de duur van één jaar en de uitvoering van deze maatregel opgedragen aan de stichting.

3. De motivering van de beslissing

3.1 Het hof neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 9 februari 2010, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

3.2 In de hiervoor genoemde beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang, de raad verzocht een nader onderzoek te doen instellen als in 4.7 van die beschikking omschreven en daaromtrent uiterlijk 18 mei 2010 te rapporteren en mr. Klostermann benoemd tot bijzondere curator over [dochter].

3.3 Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [dochter], de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [dochter] en het verzoek van de moeder om een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter].

3.4 Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

3.5 De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek, een vergelijk tussen de ouders en kan, ook ambtshalve, indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

3.6 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414).

3.7 Het hof overweegt dat het beproeven van een vergelijk tussen de ouders als bedoeld in artikel 1:253a BW niet mogelijk is gebleken.

3.8 In het ongedateerde, op basis van de tussenbeschikking van 9 februari 2010 uitgebrachte, rapport van de raad is te lezen dat de vader en [dochter] steun aan elkaar hebben. De vader laat [dochter] op dit moment, voor zover mogelijk, vrij in het contact met de moeder en [dochter] voelt zich vrij om haar vriend mee naar huis te nemen. De conflicten die er tussen de vader en [dochter] spelen zijn passend bij de opvoeding van kinderen die de leeftijd van [dochter] (zij is 16 jaar oud) hebben. Naast deze positieve punten constateert de raad dat er ook zorgen over [dochter] bestaan. De vader laat zich tegenover [dochter] negatief over de moeder uit en [dochter] heeft last van perikelen die spelen rond de afhandeling van de echtscheiding. [dochter] verzuimt erg veel van school en slaapt ’s nachts niet goed. Het contact tussen [dochter] en de moeder verloopt moeizaam. [dochter] heeft contact met de moeder via MSN of Hyves. Thans ervaart zij dit contact als positief, maar van belang is dat zij wordt beschermd als dit haar teveel wordt. Gezien de leeftijd van [dochter] en haar capaciteiten is het belangrijk dat de manier van contact zoeken met de moeder en de frequentie daarvan aan [dochter] zelf wordt overgelaten. Een neutrale derde persoon kan haar hierbij ondersteunen. Deze persoon zou bijvoorbeeld afspraken met [dochter] en de moeder kunnen maken om te voorkomen dat de angst van [dochter] dat moeder haar gaat claimen uitkomt. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een ontwikkelingsbedreiging van [dochter] af te wenden. De persoon die haar bij de omgang zal ondersteunen, kan daarom wellicht de gezinsvoogd zijn, aldus de raad.

3.9 De bijzondere curator heeft het hof bij brief van 1 juni 2010 laten weten dat de wens van [dochter] om bij de vader te wonen dient te worden gerespecteerd. Evenals de raad heeft de bijzondere curator wel zorgen over [dochter]. Zij wijst op het schoolverzuim van [dochter] en het vermoeden dat [dochter] door het standpunt van de vader geen reëel beeld van (de ziekte van) de moeder krijgt. Het is belangrijk dat het contact tussen [dochter] en de moeder wordt hersteld en dat [dochter] daarbij voldoende de regie kan houden. Mogelijk kan dit worden bewerkstelligd door onder begeleiding van een derde gesprekken tussen [dochter] en de moeder te laten plaatsvinden en door duidelijke afspraken over het contact op papier te zetten, aldus de bijzondere curator.

3.10 Het hof overweegt het volgende. Inmiddels is gebleken dat zich sinds de op 23 april 2010 uitgesproken ondertoezichtstelling een aantal positieve ontwikkelingen heeft voorgedaan. Bij voormelde brief van 21 oktober 2010 schrijft de gezinsvoogd dat het leven van [dochter] in een rustiger vaarwater terecht is gekomen. [dochter] is graag thuis bij de vader, heeft al langere tijd een vriend en gaat graag naar school. Het contact tussen [dochter] en de gezinsvoogd verloopt erg goed. Samen met de gezinsvoogd werkt [dochter] onder andere aan het geven van een plek aan de moeder in haar leven.

3.11 Het hof stelt voorop dat het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [dochter] een zeer ingrijpende beslissing is. Dit geldt temeer, nu [dochter] de afgelopen drie jaar alleen via de computer contact met de moeder heeft gehad. Er zijn geen contra-indicaties voor het verblijf van [dochter] bij de vader. Gezien hetgeen [dochter] in het verleden heeft meegemaakt gaat het thans naar omstandigheden goed met haar bij de vader. [dochter] geeft aan bij de vader rust te hebben gevonden en bij hem te willen blijven wonen. De raad, de bijzondere curator en de stichting zijn van mening dat die wens dient te worden gerespecteerd. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij het fijn vindt dat [dochter] het goed bij de vader heeft. Hoewel dit moeilijk voor haar is, zal zij zich bij de keuze van [dochter] om bij de vader te blijven wonen neerleggen. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] dan ook afwijzen.

3.12 Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [dochter] stellen de raad, de bijzondere curator en de stichting zich allen op het standpunt dat het van belang is dat het contact tussen [dochter] en de moeder weer op gang komt. Daarbij geven zij aan dat gezien de leeftijd van [dochter] veel waarde moet worden gehecht aan haar eigen mening. [dochter] is een kwetsbaar meisje, waarmee voorzichtig moet worden omgegaan. Het is daarom verstandig dat de opbouw van het contact tussen haar en de moeder door een professionele derde persoon wordt begeleid. Omdat [dochter] het goed kan vinden met de gezinsvoogd, ligt het voor de hand dat deze die taak vervult.

3.13 Het hof is van oordeel dat voornoemd advies van de raad, de bijzondere curator en de stichting moet worden gevolgd. Het contact tussen [dochter] en de moeder zal in de toekomst gestaag moeten worden opgebouwd. De wijze waarop en de frequentie waarmee dit moet gebeuren, dient grotendeels aan [dochter] zelf te worden overgelaten. Op dit moment geeft [dochter] aan dat zij het prettig vindt haar moeder af en toe op haar initiatief via de computer te spreken. Wat haar betreft kan dit tot haar achttiende verjaardag zo blijven. Daarna zal zij beslissen of en, zo ja, op welke wijze het contact dient plaats te vinden. Het hof zal overeenkomstig deze wens van [dochter] beslissen en opleggen dat het contact tussen [dochter] en de moeder op haar initiatief plaatsvindt via MSN en Hyves. De gezinsvoogd zal in overleg met [dochter] moeten beoordelen of en, zo ja, op welke termijn dit contact zal worden uitgebreid. Dit sluit aan bij één van de doelen van de ondertoezichtstelling, te weten het geven van een plek aan de moeder in het leven van [dochter]. Zoals thans reeds het geval is, zal de gezinsvoogd erop moeten toezien dat de opbouw van het contact niet wordt geforceerd. De vader heeft ter mondelinge behandeling toegezegd dat hij niet aan het contact tussen [dochter] en de moeder in de weg zal staan. De moeder heeft verklaard dat zij zal respecteren dat het initiatief van het al dan niet hebben van contact bij [dochter] komt te liggen. Zij heeft daarbij wel de hoop uitgesproken dat [dochter] haar voor haar achttiende verjaardag zal bezoeken.

3.14 Anders dan de moeder en de bijzondere curator ziet het hof geen aanleiding om de zaak een half jaar aan te houden teneinde te kunnen beoordelen of de positieve ontwikkelingen bestendig zijn. [dochter] heeft zelf aangegeven last te hebben van de juridische procedures die tussen de ouders spelen. Mede met het oog hierop heeft de raad verklaard dat aan de onderhavige procedure een einde moet komen. Gelet op de leeftijd van [dochter] is de stelling van de moeder en de bijzondere curator dat [dochter] niet wordt belast door een aanhouding onaannemelijk. [dochter] zal willen weten wat het hof heeft besloten. Het hof acht het aannemelijk dat de wetenschap dat de procedure zal worden aangehouden bij haar onrust veroorzaakt en het contact tussen haar en de moeder belast. Dit is niet in het belang van [dochter]. Het hof zal het aanhoudingsverzoek dan ook afwijzen.

3.15 Hoewel de ouders daarmee akkoord gaan, acht het hof het evenmin in het belang van [dochter] dat de bijzondere curator overeenkomstig haar eigen voorstel een rol blijft spelen in het leven van [dochter]. Uit de tussenbeschikking van dit hof van 9 februari 2009 volgt dat de bijzondere curator is benoemd om [dochter] voor de duur van deze procedure te ondersteunen, bij te staan en haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Daarnaast was het haar taak om in het kader van de procedure de authentieke mening van [dochter] te achterhalen. De bijzondere curator heeft deze taken zorgvuldig vervuld. Echter, met het geven van deze eindbeschikking, eindigt haar betrokkenheid. Dit is in het belang van [dochter]. Zij heeft thans rust nodig en geeft aan het fijn te vinden dat de begeleiding van de bijzondere curator eindigt. Wanneer er veel mensen bij [dochter] betrokken blijven, zal zij niet de rust krijgen die zij nodig heeft. Omdat [dochter] thans intensief wordt begeleid door de gezinsvoogd en door Altrecht zal worden onderzocht, ziet het hof geen taak meer weggelegd voor de bijzondere curator. Het hof zal haar taak daarom niet verlengen.

3.16 Aan de beoordeling van het verzoek van de moeder een door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] vast te stellen, komt het hof in het licht van het voorgaande niet toe. Daaruit volgt immers dat de gewone verblijfplaats van [dochter] bij de vader blijft.

4. De slotsom

4.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels te bekrachtigen, deels te vernietigen en te beslissen als volgt.

4.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het uit dat huwelijk geboren kind betreft.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 14 januari 2009, voor zover dit de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over [dochter] betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken over [dochter] tussen de ouders aldus dat het contact tussen de moeder en [dochter] op initiatief van [dochter] vooralsnog via MSN en Hyves plaatsvindt en bepaalt dat de gezinsvoogd in overleg met [dochter] zal beoordelen of en, zo ja, op welke termijn dit contact zal worden uitgebreid;

bekrachtigt die beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.W.P. van Gelder, A.E.F. Hillen en S.M. Evers, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 23 november 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.