Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO8588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
05-01-2011
Zaaknummer
09/00618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de Nota van Toelichting bij het besluit van 25 februari 2002 volgt niet dat de inspecteur een onbeperkte beslissingsmarge toekomt bij het opleggen van voorlopige aanslagen. Ook bij het vaststellen van de hoogte van een vermoedelijke belastingschuld dient de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Meer in het bijzonder zal de vaststelling van de hoogte van de vermoedelijke belastingschuld zorgvuldig dienen te geschieden.

Dit beginsel is niet in acht genomen op grond van :

- Het tarief voor winst uit aanmerkelijk belang is in 2007 éénmalig verlaagd van 25% tot 22% in verband met de compensatie van directeuren-(groot)aandeelhouders voor de door hen verschuldigde hogere inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ten opzichte van ondernemers in de inkomstenbelasting (Tweede Kamer, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 8), waardoor verwacht kon worden dat een in dat jaar genoten dividend in veel gevallen een incidenteel karakter had zodat de inspecteur niet zonder meer kon uitgegaan van de gegevens over het meest recente kalenderjaar.

- In 2007 is door belanghebbende een box 2 inkomen opgegeven van € 250.000, precies het maximale bedrag dat in aanmerking kwam voor toepassing van het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet op inkomstenbelasting 2001 (tekst 2007). Belanghebbende heeft zelf om het opleggen van een voorlopige aanslag over het jaar 2007 verzocht, terwijl een dergelijk verzoek niet is gedaan voor het jaar 2008.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet inzake rijksbelastingen 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00618

11 november 2010

uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

T te W,

belanghebbende,

gemachtigde F te A,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/6499 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 16 juli 2009 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Hoorn,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2008 aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2008, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze voorlopige aanslag bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)

1.3. De inspecteur heeft bij uitspraak van 29 augustus 2008 de voorlopige aanslag verminderd tot nihil en het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

1.4. Bij brief van 7 oktober 2008, ingekomen bij de rechtbank op 8 oktober 2008, heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend tegen de onder 1.3. vermelde uitspraak.

1.5. Bij uitspraak van 16 juli 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 augustus 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. De onderhavige zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak met procedurenummer P09/00617. Al hetgeen in één van deze zaken is vermeld of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn vermeld of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaak. Van het verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak is meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 2 juli 2007 aan de inspecteur verzocht om een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2007 op te leggen in verband met een ontvangen dividenduitkering ten bedrage van € 250.000 in dat jaar. Met dagtekening 1 augustus 2007 is de voorlopige aanslag over het jaar 2007 opgelegd, waarbij het uitgekeerde dividend werd belast naar een tarief van 22%.

2.2. Met dagtekening 31 januari 2008 is aan belanghebbende over het jaar 2008 eveneens een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Deze aanslag is met behulp van het computersysteem van de inspecteur automatisch vastgesteld en is gebaseerd op de bij de inspecteur bekende gegevens uit het meest recente belastingjaar, namelijk de dividenduitkering van € 250.000 in 2007.

2.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 23 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2008. In het bezwaarschrift vermeldde hij onder meer het volgende :

“Bij het opleggen van de voorlopige aanslag heeft u zich gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, in dit geval het jaar 2007. Cliënt heeft in het jaar 2007 echter eenmalig een dividenduitkering ontvangen, hetgeen in 2008 niet het geval zal zijn.

(…)

Wij verzoeken u dan ook op grond van het bovenstaande de aanslag te verminderen tot nihil.

(…)

Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op de situatie van 2007. Aangezien een dividenduitkering zoals die in 2007 heeft plaatsgevonden een eenmalig karakter heeft, is deze dividenduitkering ten onrechte in de voorlopige aanslag 2008 opgenomen.

Aangezien wij nu feitelijk onnodig bezwaar moeten maken, verzoeken wij u om onze cliënt hiervoor een kostenvergoeding toe te kennen.”

2.4. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2008 de voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2008 verminderd tot nihil, zoals door belanghebbende verzocht. Het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de bezwaarprocedure heeft hij afgewezen.

2.5. Over de jaren 2002 , 2003, 2005 en 2006 heeft belanghebbende van de vennootschap waarin hij de aandelen houdt geen dividend uitgekeerd gekregen. Belanghebbende heeft in die jaren evenmin andere voordelen uit aanmerkelijk belang genoten.

2.6. Belanghebbende heeft in 2007 dividend uitgekeerd gekregen om gebruik te maken van het in dat jaar eenmalig verlaagde tarief van 22% voor inkomen uit aanmerkelijk belang.

2.7. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van B B.V.

van 8 september 2010. Daarin is voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“In een memo van 2 september jl. aan de deelnemers Beconoverleg schrijft de belastingdienst het volgende.

“De Belastingdienst streeft ernaar een zo juist en volledig mogelijke aanslag op te leggen voor zover dit mogelijk is aan de hand van de gegevens van een voorgaand jaar.

Voor dividendbelasting is het vaak moeilijk te bepalen of dit incidenteel of structureel is. Globaal kan worden gesteld dat dividenduitkeringen in combinatie met box 2 een meer incidenteel karakter hebben dan dividenduitkeringen in combinatie met box 3.

Bij het opleggen van de eerste voorlopige aanslagen 2011 zal alleen de (box 3) dividendbelasting worden overgenomen als er sprake is van box 3 inkomen. Als er geen box 3 inkomen is zal de dividenduitkering niet worden overgenomen in de voorlopige aanslag 2011.

Hoewel er bij de eerste voorlopige aanslag altijd wordt gestreefd om zo volledig mogelijk te zijn is dit niet altijd mogelijk. Het blijft dan ook de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige om de voorlopige aanslag goed te controleren en zonodig een wijziging in te dienen zodat de voorlopige aanslag actueel blijft.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, en heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder:

4.1. In geschil is of eiser recht heeft op (forfaitaire) vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten. Tussen partijen is, zo de rechtbank begrijpt, enkel in geschil of sprake is van een “wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid” (artikel 7:15, tweede lid, Awb).

4.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in 2007 om een voorlopige aanslag 2007 heeft verzocht nu dat jaar het tarief in box 2 eenmalig was verlaagd van 25% naar 22% tot een maximum van € 250.000 en het daarmee aantrekkelijk was om dividend uit te keren tegen dat verlaagde tarief. Naar de mening van eiser had verweerder kunnen weten dat het hier om een incidentele bate ging, nu eiser in 2005 en 2006 geen dividend uitgekeerd heeft gekregen en verweerder ervan op de hoogte was dat het verlaagde tarief box 2 alleen voor 2007 gold. Eiser verwijst in dat verband naar artikel 23, tweede lid en sub b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (URAWR), waarin is bepaald dat bij het vaststellen van een voorlopige aanslag rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn. Nu verweerder bij het opleggen van de voorlopige aanslag geen acht heeft geslagen op eisers box 2 verleden en wederom is uitgegaan van een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000 en voorts geen rekening heeft gehouden met de eenmalige (wettelijke) tariefverlaging in 2007, heeft verweerder verwijtbaar onrechtmatig gehandeld, hetgeen moet leiden tot een kostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Awb.

4.3. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Uit de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep van 25 februari 2002 (Stb. 2002, 113) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) De bezwaarschriften gericht tegen een voorlopige aanslag op grond van artikel 13 van de Algemene wet rijksbelastingen behoren daar in beginsel niet toe. Voorlopige aanslagen voldoen niet aan het hiervoor genoemde vergoedingscriterium, zoals dat is vastgelegd in artikel 7:15, tweede lid, Awb. Voorlopige aanslagen zijn namelijk gebaseerd op schattingen omdat de grootte van de belastingschuld pas kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Indien een voorlopige aanslag wordt herroepen, na indiening van een bezwaarschrift, is er in beginsel geen sprake van onrechtmatigheid.”

4.4. Daarbij is voorts het karakter van de voorlopige aanslag van belang. Artikel 13, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt voor zover hier van belang:

“1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. (…)”

4.5. Aan deze bepaling is nader uitvoering gegeven in artikel 23 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (URAWR). Het eerste en tweede lid luiden

– voor zover hier van belang als volgt:

“1. De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

2. De bepaling van het bedrag waarop een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, kan geschieden:

a. voor de inkomstenbelasting: op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar;

b. (...)

met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.”

4.6. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen betreffende de voorlopige aanslag, volgt dat verweerder bij het opleggen van de voorlopige aanslag over een zekere marge beschikt. Een voorlopige aanslag ‘kan’ immers worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag ‘vermoedelijk’ zal worden opgelegd. Verweerder mag hierbij, gelet op het tweede lid van artikel 23 URAWR, gebruik maken van de gegevens bekend uit het meest recente (belasting)jaar, hetgeen verweerder in de onderhavige situatie ook heeft gedaan.

4.7. Deze hiervoor bedoelde marge komt verweerder echter niet onbeperkt toe. Ook bij het vaststellen van de hoogte van een vermoedelijke belastingschuld zal verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te nemen. Meer in het bijzonder zal de vaststelling van de hoogte van de ‘vermoedelijke’ belastingschuld in alle redelijkheid dienen te geschieden.

4.8. Verweerder heeft de litigieuze voorlopige aanslag opgelegd aan de hand van de voor hem bekende gegevens uit het meest recente belastingjaar. In dat jaar werd door eiser een dividenduitkering genoten die zich, naar later blijkt, in het onderhavige jaar niet heeft voorgedaan. Bij de vraag of de in geschil zijnde voorlopige aanslag is opgelegd binnen de hiervoor genoemde marge is naar het oordeel van de rechtbank van belang of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn waardoor verweerder redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze dividenduitkering zich in het onderhavige belastingjaar vermoedelijk niet, althans naar een lager bedrag, zou voordoen.

4.9. Eiser stelt in dit verband dat in de onderhavige situatie de dividenduitkering als incidentele inkomsten moeten worden beschouwd en dat verweerder bij het opleggen van een voorlopige aanslag voor een volgend jaar geen rekening had mogen houden met deze (incidentele) inkomsten. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling. Immers uit de eerdergenoemde brief van 2 juli 2007, waarin eiser verzoekt om oplegging van een voorlopige aanslag ib/pvv 2007, heeft verweerder niet kunnen afleiden dat de dividenduitkering eenmalig was. Van verweerder kan daarom in redelijkheid niet worden verlangd dat hij bij het opleggen van de voorlopige aanslag 2008 rekening houdt met het mogelijk incidentele karakter van de dividenduitkering in 2007, te meer nu het ook niet ongebruikelijk is dat aanmerkelijkbelanghouders dividenduitkeringen ontvangen van de vennootschap(pen) waarin zij een aanmerkelijk belang hebben, welke omstandigheid zich in 2004 ook inderdaad heeft voorgedaan. De omstandigheid dat in 2007 het tarief voor inkomsten uit aanmerkelijk belang eenmalig lager was, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

4.10. Eisers stelling dat uit artikel 23, tweede lid en sub b, URAWR volgt dat verweerder bij de afweging al dan niet een voorlopige aanslag 2008 op te leggen, rekening diende te houden met de voor één jaar geldende wettelijke tariefverlaging in box 2 in 2007 en aldus rekening diende te houden met de omstandigheid dat de dividenduitkering in 2007 een eenmalige aangelegenheid zou zijn faalt. Genoemde bepaling ziet niet zozeer op omstandigheden waarvan verweerder geen wetenschap draagt, zoals het al of niet uitkeren van dividend in enig jaar, maar veeleer op de omstandigheid dat verweerder bij het opleggen van de voorlopige aanslag ib/pvv 2008 rekening kan houden met het ten opzichte van 2007 gewijzigde tarief ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang (2008: 25%, 2007 22% tot een bedrag van € 250.000), hetgeen verweerder ook heeft gedaan. Een verdergaand rekening houden met het dividendverleden kan van verweerder in de gegeven omstandigheden niet worden verwacht.

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende aanspraak kan maken op een vergoeding van de kosten van bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de herroeping van de voorlopige aanslag heeft plaatsgevonden wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 28 september 2010, dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

6. Relevante wettelijke bepalingen

6.1. Artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) luidt, voor zover hier van belang:

De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

6.2. Artikel 13, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelasting luidt

“1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.”

6.3. Artikel 23, lid 1 en lid 2 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Uitvoeringsregeling AWR) luiden, voor zover te dezen van belang, onder meer als volgt:

“1. De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

2. De bepaling van het bedrag waarop een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, kan geschieden:

a. voor de inkomstenbelasting: op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar;

b.(...)

met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.”

6.4. Artikel 2.12 van de Wet op inkomstenbelasting 2001 (tekst 2007) luidt:

“Artikel 2.12. Tarief belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) bedraagt 22%, met dien verstande dat de belasting 25% bedraagt op het gedeelte van dit inkomen dat € 250 000 te boven gaat.”

7. Beoordeling van het geschil

7.1. Het Hof stelt voorop dat uit de Nota van Toelichting bij het besluit van 25 februari 2002 (Staatsblad 2002, nr. 113, VN 2002/16.4, blz. 6 e.v.) tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van de kosten van bezwaar en administratief beroep, volgt dat bij het gegrond verklaren van bezwaren tegen voorlopige aanslagen in beginsel geen sprake is van onrechtmatigheid. In genoemde toelichting is het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de fiscale beschikkingen is ervan uitgegaan dat jaarlijks ongeveer 100.000 bezwaarschriften geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, waarbij door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend, die voor toepassing van een kostenvergoeding in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen. (...) De bezwaarschriften gericht tegen een voorlopige aanslag op grond van art. 13 Algemene wet rijksbelastingen behoren daar in beginsel niet toe. Voorlopige aanslagen voldoen niet aan het hiervoor genoemde vergoedingscriterium, zoals dat is vastgesteld in art. 7:15 lid 2 Awb. Voorlopige aanslagen zijn namelijk gebaseerd op schattingen omdat de grootte van de belastingschuld pas kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Indien een voorlopige aanslag wordt herroepen, na indiening van een bezwaarschrift is er in beginsel geen sprake van onrechtmatigheid.”

7.2. Uit het vorenoverwogene volgt niet dat de inspecteur een onbeperkte beslissingsmarge toekomt bij het opleggen van voorlopige aanslagen. Ook bij het vaststellen van de hoogte van een vermoedelijke belastingschuld dient de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Meer in het bijzonder zal de vaststelling van de hoogte van de vermoedelijke belastingschuld zorgvuldig dienen te geschieden.

7.3. Op grond van de navolgende feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de voorlopige aanslag niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

- Het tarief voor winst uit aanmerkelijk belang is in 2007 éénmalig verlaagd van 25% tot 22% in verband met de compensatie van directeuren-(groot)aandeelhouders voor de door hen verschuldigde hogere inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ten opzichte van ondernemers in de inkomstenbelasting (Tweede Kamer, 2006/07, 30 804, nr. 3, p. 8), waardoor verwacht kon worden dat een in dat jaar genoten dividend in veel gevallen een incidenteel karakter had zodat de inspecteur niet zonder meer kon uitgegaan van de gegevens over het meest recente kalenderjaar.

- In 2007 is door belanghebbende een box 2 inkomen opgegeven van € 250.000, precies het maximale bedrag dat in aanmerking kwam voor toepassing van het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet op inkomstenbelasting 2001 (tekst 2007). Belanghebbende heeft zelf om het opleggen van een voorlopige aanslag over het jaar 2007 verzocht, terwijl een dergelijk verzoek niet is gedaan voor het jaar 2008.

Onder deze omstandigheden kon de inspecteur bij een zorgvuldige afweging niet concluderen dat het in de rede lag dat belanghebbende ook in het jaar 2008 dividend zou genieten.

7.4. De hiervoor vastgestelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel bij de uitoefening van de bevoegdheden die de inspecteur ontleent aan artikel 13 van de AWR in samenhang met artikel 23 van de Uitvoeringsregeling AWR levert een onrechtmatigheid op als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb. De stelling van de inspecteur dat een voorlopige aanslag naar zijn aard een voorlopig karakter heeft en dat bij de vaststelling van een voorlopige aanslag van de zijde van de Belastingdienst geen grondig onderzoek plaatsvindt - wat hier ook van zij - doet aan het vorenoverwogene niet af. Er is aanleiding om van het in vorengenoemde Nota van Toelichting geformuleerde beginsel af te wijken.

7.5. Het hoger beroep is gegrond. Het Hof stelt de vergoeding voor de kosten van bezwaar vast op € 161 (waarde per punt) x 1 (punt) x 0,5 (gewicht) = € 80,50.

8. Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De kosten worden vastgesteld op 2 (beroepschrift bij de rechtbank en verschijnen ter zitting) + 2 (hoger beroep en verschijnen ter zitting) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 1.288. Het Hof ziet, anders dan de inspecteur stelt, geen aanleiding om te oordelen dat het gewicht van de zaak zeer licht is.

Het Hof neemt in aanmerking dat de zaak met nummer P09/00617, die betrekking heeft op een andere belanghebbende, met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de kosten van belanghebbende dienen te worden vastgesteld op de helft van € 1.288, is € 644.

8.2. Ook het griffierecht in beide instanties, € 39 en € 110, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

9. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur voor zover deze betrekking heeft op het verzoek

om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding, vastgesteld op € 724,50 (zijnde

€ 80,50 voor het bezwaar en € 644 voor het beroep en hoger beroep) en

- gelast de inspecteur het voor deze zaak in eerste aanleg (€ 39) en in hoger beroep (€ 110)

betaalde griffierecht van in totaal € 149 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, en A. Bijlsma en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 11 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.