Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO8573

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
29-12-2010
Zaaknummer
08/00825
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een dienstverrichting waarbij, economisch gesproken, één dienst wordt verleend, moet niet kunstmatig worden gesplitst. Beoordeeld dient te worden wat de kenmerkende elementen van de prestaties zijn in de ogen van de modale consument. Naar het oordeel van het Hof zal de gemiddelde klant in het onderhavige geval het totaal van de dienstverlening ervaren als één dienst bestaande uit het gelegenheid geven tot het gedurende een bepaalde tijd verkeren met een van de dames in een daartoe geëigende ruimte. Van belang in dit verband is ook dat de klant één vergoeding betaalt. Dat tussen belanghebbende en de dames afspraken zijn gemaakt omtrent de verdeling van de vergoeding is hierbij niet van belang. Die omstandigheid brengt immers niet mee dat sprake zou zijn van twee diensten te weten een dienst verricht door belanghebbende en een dienst verricht door de prostituee. Niet relevant is aan wie de betaling door de klant plaatsvindt. Naar het oordeel van het Hof brengt de wijze van betaling geen wijziging in het karakter van de dienstverlening als zodanig.

Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat sprake is van één dienst en dat het belanghebbende is die deze dienst verricht, en dat hetgeen de klanten daarvoor betalen, het all-in tarief, een vergoeding is voor deze door belanghebbende verrichte dienst.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00825

11 november 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

J te A,

belanghebbende,

gemachtigde mr. P te A,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/708 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 19 juni 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 24 december 2003 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 ten bedrage van € 50.999. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de inspecteur heffingsrente ad € 5.139 in rekening gebracht.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 21 januari 2005

de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 19 juni 2008, aan partijen toegezonden op 27 juni 2008, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag - overeenkomstig het door de inspecteur in het verweerschrift ingenomen nadere standpunt - verminderd tot € 44.938.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij brief van 29 juli 2008, aangevuld bij brief van 27 augustus 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2010. Van het verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak is meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert met ingang van 1 november 1997 een privéhuis, genaamd ”L”. Gedurende het naheffingstijdvak is het privéhuis gevestigd in een pand aan de E weg te A. In het pand, op de begane grond, bevinden zich onder meer drie werkkamers, waar bezoekers (hierna ook wel: klanten) zich kunnen afzonderen met prostituees (hierna: de dames), een hal/ontvangstruimte en een ruimte waar de dames kunnen verblijven. In de kelder is een keuken en een kleedruimte.

2.2. Belanghebbende heeft bij de gemeente A een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting aangevraagd.

2.3. Belanghebbende werft door middel van advertenties in een landelijk dagblad zowel de dames die hun diensten willen aanbieden als de klanten die van de diensten van een dame gebruik willen maken. Belanghebbende heeft huisregels opgesteld waaraan zowel de dames als de klanten zich dienen te houden. Indien een dame wil komen werken in het privéhuis, controleert belanghebbende het paspoort van de dame en legt ze haar de huisregels uit.

2.4. Belanghebbende zorgt voor de inrichting van de werkkamers en overige ruimten en houdt deze schoon. Zij verstrekt linnengoed, massageolie en condooms aan de dames.

2.5. Belanghebbende of een andere persoon namens haar treedt op als gastvrouw.

Belanghebbende geeft antwoord op vragen aan de telefoon, zoals welke dames op dat moment aanwezig zijn en hoeveel de kosten bedragen. Ook houdt de gastvrouw toezicht op de gang van zaken in het huis. Als de gast langskomt wordt hij verwelkomd door belanghebbende of een andere persoon namens haar en kan hij kennismaken met de dames en zijn keuze maken. Het is niet mogelijk om van tevoren een afspraak te maken met een bepaalde dame. Belanghebbende kan klanten aan de deur weigeren wanneer zij zich (naar haar oordeel) niet aan de huisregels (zullen) houden.

2.6. De dames hebben geen vaste werktijden, maar zijn gedurende een aantal uren in het huis aanwezig. Een klant betaalt een all-in bedrag, dat wil zeggen een vast bedrag uitgaande van een half uur of een uur voor de diensten van een dame en het gebruik van een kamer. De hoogte van dit all-in bedrag wordt vastgesteld door belanghebbende. Het staat de dames vrij een hoger bedrag overeen te komen met de klant. De dames kunnen een klant weigeren.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen, waarbij belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de inspecteur als verweerder:

“4.1. (…)

4.2. In geschil is of de door de klant aan de dame betaalde vergoeding de vergoeding vormt voor hetzij één dienst dan wel meerdere te onderscheiden diensten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van één dienst, welke bestaat uit het gelegenheid geven tot het hebben van seks met een op dat moment in het privéhuis aanwezige dame en dat het all-in bedrag dat de klant betaalt, de vergoeding vormt voor deze dienst. Uit de omstandigheden, zoals het plaatsen van advertenties voor klanten en dames door eiseres, de presentatie van het bedrijf van eiseres, de berekening van vaste prijzen voor de voorkomende diensten, de door eiseres opgestelde huisregels die door of namens eiseres worden gehandhaafd en de aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting, leidt de rechtbank af dat eiseres de persoon is in wier naam en voor wier risico de seksuele diensten aan de klanten worden verleend. Eiseres is derhalve omzetbelasting verschuldigd over de totale vergoeding die de klanten betalen - en door de dames namens eiseres worden ontvangen - voor de verleende diensten. Dat gebruik wordt gemaakt van een afzonderlijke ruimte waar de dame en de klant zich kunnen afzonderen, betekent niet dat sprake zou zijn van twee diensten, namelijk enerzijds een dienst die bestaat uit de verhuur van een kamer door eiseres aan de dame, en anderzijds een dienst die bestaat uit de verlening van een seksuele dienst door de dame aan de klant. Vanuit de visie van de klant verleent het bedrijf van eiseres aan hem één onsplitsbare dienst, namelijk de seksuele omgang met de dame.

4.3. De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen ter zitting is verklaard door twee dames die momenteel werkzaam zijn bij het privéhuis aangezien deze dames daar nog niet werkzaam waren tijdens de in geschil zijnde tijdvakken.

Zeker nu eiseres ter zitting heeft verklaard - in reactie op daartoe gestelde vragen van de rechtbank - dat de werkwijze destijds anders was dan nu, kan aan de hand van verklaringen van de dames geen oordeel worden gevormd over de werkwijze tijdens de in geschil zijnde periode.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende ook omzetbelasting verschuldigd is over het aan de dames toekomende deel van de vergoeding die de klanten betalen.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende betwist dat sprake is van één prestatie. Zij betoogt dat naast haar eigen activiteiten sprake is van een afzonderlijke, te onderscheiden prestatie van de dames. Dienaangaande geldt het volgende.

6.2. Een dienstverrichting waarbij, economisch gesproken, één dienst wordt verleend, moet niet kunstmatig worden gesplitst. Beoordeeld dient te worden wat de kenmerkende elementen van de prestaties zijn in de ogen van de modale consument. Naar het oordeel van het Hof zal de gemiddelde klant in het onderhavige geval het totaal van de dienstverlening ervaren als één dienst bestaande uit het gelegenheid geven tot het gedurende een bepaalde tijd verkeren met een van de dames in een daartoe geëigende ruimte. Van belang in dit verband is ook dat de klant één vergoeding betaalt. Dat tussen belanghebbende en de dames afspraken zijn gemaakt omtrent de verdeling van de vergoeding is hierbij niet van belang. Die omstandigheid brengt immers niet mee dat sprake zou zijn van twee diensten te weten een dienst verricht door belanghebbende en een dienst verricht door de prostituee. Niet relevant is aan wie de betaling door de klant plaatsvindt. Naar het oordeel van het Hof brengt de wijze van betaling geen wijziging in het karakter van de dienstverlening als zodanig.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat sprake is van één dienst en dat het belanghebbende is die deze dienst verricht, en dat hetgeen de klanten daarvoor betalen, het all-in tarief, een vergoeding is voor deze door belanghebbende verrichte dienst. Ter zake van de gehele vergoeding, inclusief het aan de dame toekomende bedrag, is omzetbelasting verschuldigd. In dit verband merkt het Hof nog op dat gesteld noch gebleken is dat de in geding zijnde dienst door belanghebbende en de dame voor gezamenlijke rekening wordt verricht.

Slotsom

6.4. De slotsom is dat het gelijk aan de inspecteur is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

8. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 11 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak door de oudste raadsheer ondertekend.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.