Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO8217

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
23-002204-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een aangehouden jeugdige verdachte kan naar het oordeel van het hof slechts dan afstand doen van het recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor en van het recht op bijstand van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het politieverhoor, indien zij in staat moet worden geacht de betekenis van die rechten te begrijpen en te overzien wat de consequenties zijn indien zij van die rechten afstand doet.

In casu blijkt niet uit het proces-verbaal van verhoor dat de verdachte daadwerkelijk heeft begrepen van welke rechten zij afstand deed en wat de gevolgen daarvan konden zijn, noch blijkt dat de verhorende verbalisant zich daarvan heeft vergewist, bijvoorbeeld door dat met haar te bespreken en uit te leggen. Mede gelet op de zeer jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het verhoor (destijds 14 jaar) en het feit dat zij, zoals blijkt uit haar eigen politieverklaring, was weggelopen uit de inrichting te (..) en verdovende middelen gebruikte, moet er daarom van worden uitgegaan dat de verdachte niet in staat was het belang van dit recht en de gevolgen van het afstand doen in voldoende mate te onderkennen. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar consultatierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002204-10

datum uitspraak: 9 december 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-468340-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

adres: [adres], [woonplaats].

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte voorafgaande aan het eerste politieverhoor geen advocaat heeft kunnen raadplegen. Evenmin is haar rechtsbijstand verleend tijdens het politieverhoor. Deze vormverzuimen dienen volgens de raadsvrouw primair te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt dat dit verweer niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, doch onder omstandigheden kan leiden tot bewijsuitsluiting van verklaringen. Het hof zal derhalve dit verweer bespreken onder het kopje "nadere bewijsoverweging".

Het openbaar ministerie wordt ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 april 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 september 2009 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een (dienst)auto (Volkswagen Golf [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door op/tegen het portier van voornoemde auto te trappen en/of schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 23 september 2009 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een dienstauto (Volkswagen Golf [kenteken]), toebehorende aan Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft beschadigd door tegen het portier van voornoemde auto te trappen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

Het hof overweegt ten aanzien van het Salduz-verweer als volgt.

In de uitspraken van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 en Panovits tegen Cyprus van 11 december 2008, alsook in het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009, is bepaald dat een aangehouden verdachte, behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken, gelegenheid moet worden geboden voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen. Voor aangehouden jeugdige verdachten geldt bovendien dat zij recht hebben op bijstand van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het politieverhoor.

Een aangehouden jeugdige verdachte kan naar het oordeel van het hof slechts dan afstand doen van deze rechten, indien hij in staat moet worden geacht de betekenis van die rechten te begrijpen en te overzien wat de consequenties zijn indien hij van die rechten afstand doet.

Indien een aangehouden jeugdige verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaande aan het eerste verhoor van de politie een advocaat te raadplegen dan wel niet tijdens dat verhoor is bijgestaan door een advocaat of een andere vertrouwenspersoon, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Een dergelijk vormverzuim zal in de regel - na een daartoe strekkend verweer - dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Uit het dossier blijkt dat de jeugdige verdachte op 23 september 2009 is aangehouden en in verzekering is gesteld. De volgende dag is zij door de politie gehoord. Bij aanvang van dit verhoor heeft zij verklaard dat zij de komst van haar advocaat niet wilde afwachten. Vervolgens heeft zij een verklaring afgelegd. Eerst nadien heeft zij een advocaat gesproken.

Uit het proces-verbaal van verhoor van 24 september 2009 blijkt niet dat de verdachte daadwerkelijk heeft begrepen van welke rechten zij afstand deed en wat de gevolgen daarvan konden zijn. Niet blijkt dat de verhorende verbalisant zich daarvan heeft vergewist, bijvoorbeeld door het met haar te bespreken en uit te leggen. Mede gelet op de zeer jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het verhoor (verdachte was destijds 14 jaar) en het feit dat zij, zoals blijkt uit haar verklaring bij de politie, ernstige persoonlijke problemen had, net was weggelopen uit de OGH te Zetten en verdovende middelen gebruikte, moet er daarom van worden uitgegaan dat de verdachte niet in staat was het belang van dit recht en de gevolgen van het afstand doen in voldoende mate te onderkennen. Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar consultatierecht.

Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte die is afgelegd voordat zij een advocaat kon raadplegen (haar verklaring van 24 september 2009) dient te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Het hof overweegt dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, te weten het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van aanhouding van 23 september 2009.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf of maatregel

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich onder toezicht stelt van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, waarbij die instelling opdracht krijgt hulp en steun te verlenen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de maatregel van hulp en steun.

De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht geen straf of maatregel op te leggen.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf onder meer rekening gehouden met de inhoud van een rapport van 14 mei 2010 van gezinsvoogd [naam gezinsvoogd] en van de justitiële documentatie van 18 november 2010.

Hoewel het handelen van de verdachte, zoals bewezen is verklaard, een ergerlijk strafbaar feit oplevert, overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte sinds januari 2010 een MTFC-programma volgt bij het Leger des Heils. Volgens haar voogd [naam gezinsvoogd], die op de terechtzitting als getuige-deskundige is gehoord, is de verdachte gemotiveerd om dit programma tot een goed einde te brengen. Voorts heeft hij verklaard dat de verdachte zich heeft ingeschreven voor een opleiding detailhandel aan het ROC, met welke opleiding zij in januari 2011 zal starten. Gelet op die omstandigheden en gelet op de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat zij thans geen verdovende middelen meer gebruikt, vindt het hof, het van belang om die positieve ontwikkeling te ondersteunen door te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Amsterdam-Amstelland DMO/FAO

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering en niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.H.J. de Vries, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. J.A.M. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 december 2010.

[verdachte] /23-002204-10 - 5 -