Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7581

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
200.069.301/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onterechte opname in incidentenregister; weigering uitkering verzekeraar wegens vermeende fraude; geen gegronde verdenking vaststaande of geconstateerde fraude; Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

De naamloze vennootschap ZILVEREN KRUIS ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

zetelende te Noordwijk,

APPELLANTE,

advocaat: mr. G.A. van den Berg te Amersfoort,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonende te [ W ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: -

1. Het geding in hoger beroep

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Achmea en [ Geïntimeerde ] .

Achmea is bij beroepsschrift, dat op 30 juni 2010 met drie producties ter griffie van het hof is ingekomen, in hoger beroep gekomen van een beschikking die de rechtbank te Amsterdam onder zaak- en rekestnummer 153688 / HA RK 09-11 op 30 maart 2010 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt onder aanvoering van vijf grieven en aanbieding van bewijs, tot vernietiging van die beschikking en afwijzing van het inleidend verzoek van [ Geïntimeerde ] , met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van beide instanties.

Het hof heeft het op 30 juni 2010 van Achmea de processtukken van de procedure in eerste aanleg en op 10 augustus 2010 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank ontvangen.

Op 14 september 2010 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Bij die behandeling is alleen de advocaat van Achmea, mr. Van den Berg, verschenen. Mr. Van den Berg heeft het standpunt van Achmea nader toegelicht, aan de hand van aan het hof overlegde pleitaantekeningen. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is meegedeeld dat uitspraak zal volgen.

2. De feiten

2.1 De rechtbank heeft in overweging 2 van de bestreden beschikking onder, 2.1 tot en met 2.9, een aantal feiten als vaststaand opgesomd. Tegen die opsomming zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. Op 4 januari 2008 is [ Geïntimeerde ] tijdens haar vakantie bij de familie van haar echtgenoot [ echtgenoot ] in de [ ziekenhuis ] te [ O ], [ land ] (hierna: het ziekenhuis) behandeld.

b. Op 14 maart 2008 heeft [ Geïntimeerde ] de declaratie van het ziekenhuis van US$ 800,00 bij haar ziektekostenverzekeraar, Achmea ingediend. Daarbij gaf [ Geïntimeerde ] op dat zij is behandeld voor malaria.

c. Op verzoek van Achmea heeft [ Geïntimeerde ] op 10 mei 2008 een “toelichtingformulier betreffende ziektekosten buitenland” ingevuld. Hierop geeft [ Geïntimeerde ] aan dat de declaratie betrekking had op de behandelingskosten en de medicijnen, dat deze door de baliemedewerker is uitgeschreven, dat zij dat document van de baliemedewerker heeft ontvangen en dat zij een bedrag van US$ 800,00 aan de baliemedewerker heeft betaald.

d. Op 21 september 2008 heeft [ Geïntimeerde ] op verzoek van Achmea een vragenlijst ingevuld. Hierop heeft [ Geïntimeerde ] aangegeven dat zij op 4 januari 2008 is behandeld voor haar klachten griep/hoesten en dat de arts daarbij de diagnose malaria heeft gesteld, dat zij gedurende twee uren in het ziekenhuis is geweest, dat zij de naam van de medicijnen niet meer weet en dat zij de medicijnen heeft gekregen van de “verpleegster/baliemedewerker”.

e. Achmea heeft een door haar ingeschakelde tussenpersoon, Theosearch International Limited (hierna: Theosearch), navraag laten doen naar de behandeling van [ Geïntimeerde ] omdat zij de hoogte van de declaratie ongeloofwaardig achtte. Uit het rapport van de tussenpersoon is een verklaring van de dokter van het ziekenhuis, [ naam dokter ], opgenomen. De dokter vertelde dat er slechts een bedrag van Naira 4.000,00 (ongeveer US$ 50) betaald is voor de behandeling.

f. Achmea heeft [ Geïntimeerde ] bij brieven van 8 en 17 september 2008

meegedeeld dat Achmea op haar betrekking hebbende gegevens op zal nemen in het incidentenregister:

“[…] U heeft door het insturen van het valselijk opgemaakte document van Chinyere Clinic & Maternity getracht PWZ Achmea financieel te benadelen.

Volgens dokter [ naam dokter ] is er alleen een bedrag van Naira 4.000,00 bij u in rekening gebracht en betaald, in overeenstemming met de gevonden financiële gegevens in de administratie van dokter [ naam dokter ].

Bovendien heeft u aan PWZ Achmea een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over het tot stand komen van het document, door wie de betaling verricht is, aan wie de rekening is afgegeven en de daadwerkelijk door u betaalde kosten.

Dit heeft als gevolg dat:

1. Uw nota niet wordt vergoed (zie artikel 17 van de verzekeringsvoorwaarden);

2. Uw aanvullende verzekeringen worden beëindigd per 1 oktober 3008 (zie artikel 17 van de verzekeringsvoorwaarden en omdat de noodzakelijke vertrouwensband tussen PWZ Achmea als verzekeraar en u als verzekerde ontbreekt);

3. De bij PWZ Achmea in rekening gebrachte (externe) onderzoekskosten worden op u verhaald. (zie artikel 17 van de verzekeringsvoorwaarden).

[…]

Op grond van de eerder in de deze brief genoemde feiten hebben wij besloten uw gegevens op te nemen in het Incidentenregister. […]

Tevens hebben wij uw volledige personalia doorgegeven aan de Stichting CIS in Zeist. Andere financiële instellingen in Nederland kunnen, conform het daarvoor geldende Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen toetsen of u voorkomt in een Incidentenregister. […]”

g. Bij een brief van 9 september 2008 heeft mr. M. Jansen (destijds de raadsman van [ Geïntimeerde ] ) Achmea verzocht de gegevens van [ Geïntimeerde ] uit het incidentenregister te verwijderen. Bij een brief van 25 september 2008 heeft Achmea dit geweigerd.

h. In reactie op het bezwaarschrift van [ Geïntimeerde ] van 23 november 2008 laat Achmea bij schrijven van 8 december 2008 weten aan [ Geïntimeerde ] dat de door Achmea genomen beslissing gehandhaafd blijft.

3. De beoordeling

3.1 In dit geding verzoekt [ Geïntimeerde ] - op de voet van artikel 36

en/of artikel 46 en/of artikel 50 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) – Achmea te bevelen haar gegevens uit het incidentenregister (daaronder begrepen het IVR, het EVR en de EVA) en de informatie bij stichting CIS te (laten) verwijderen en daarvan binnen twee dagen een schriftelijke bevestiging te doen toekomen, op straffe van een dwangsom. Na verweer van Achmea heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking het verzoek toegewezen en Achmea veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag na 13 april 2010 dat Achmea in gebreke blijft aan het bevel te voldoen, met een maximum van € 25.000 aan te verbeuren dwangsommen. Van deze beslissing is Achmea in hoger beroep gekomen.

3.2 Zoals het hof al eerder heeft overwogen, bij beschikking

van 12 januari 2006, LJN AV8245 onder 3.3, kan opname in het incidentenregister, en met name in het daaraan gekoppelde EVR, verstrekkende consequenties hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(en) van Achmea voor opname van [ Geïntimeerde ] in de registers.

3.3 De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Als uitgangspunt moet worden genomen dat het aan Achmea is te onderbouwen en te concretiseren waarom zij tot registratie is overgegaan. Het hof stelt vast dat Achmea aan de opname van de persoonsgegevens van [ Geïntimeerde ] in de verschillende registers ten grondslag heeft gelegd dat er sprake is van vaststaande of geconstateerde fraude. Dit is ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd namens Achmea, waarbij voorts is aangegeven dat wanneer daarvan geen sprake zou zijn – maar slechts een vermoeden van schuld zou bestaan - geen opname in de registers zou plaatsvinden. Het hof dient derhalve te beoordelen of in het onderhavige geval inderdaad sprake is van vaststaande of geconstateerde fraude van [ Geïntimeerde ] .

3.4 Naar ’s hofs oordeel kan in het onderhavige geval niet

worden aangenomen dat er sprake is van vaststaande fraude van [ Geïntimeerde ] . Het hof overweegt daartoe het volgende. Aan Achmea kan worden toegegeven dat een bedrag van US$ 800,00 hoog is voor de behandeling die [ Geïntimeerde ] heeft ondergaan en niet duidelijk is waarom dit bedrag zo hoog is geweest. Dit brengt echter niet mee dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat de behandeling slechts Naira 4.000,00 (US$ 50,00) heeft gekost. Weliswaar heeft de arts die [ Geïntimeerde ] heeft behandeld dit blijkens de hierboven genoemde rapportage verklaard aan Theosearch. Echter, uit de rapportage blijkt ook dat arts de tussenpersoon volledige inzage in de administratie van het ziekenhuis heeft geweigerd terwijl een onderzoek naar de totstandkoming en authenticiteit van de door [ Geïntimeerde ] overlegde kwitantie volledig ontbreekt. Op basis hiervan kan naar ’s hofs oordeel dan ook niet worden geconstateerd dat [ Geïntimeerde ] fraude heeft gepleegd.

Achmea stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [ Geïntimeerde ] een plausibele verklaring heeft gegeven voor het bezit van US$ 800,00 in contanten. Hoewel Achmea in hoger beroep stukken in het geding heeft gebracht teneinde deze verklaring te ontkrachten, is daarmee voor het hof onvoldoende vast komen te staan dat [ Geïntimeerde ] niet over dit bedrag heeft kunnen beschikken.

3.5 Het hof is aldus van oordeel dat de gestelde feiten de registratie niet dragen. Ze vormen namelijk geen gegronde verdenking van vaststaande of geconstateerde fraude van [ Geïntimeerde ] en daarmee geen opzettelijke benadeling van Achmea.

3.6 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de grieven falen. Het bewijsaanbod zal worden gepasseerd als niet terzake dienend. De beschikking van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.H. de Bock, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en M.J.A.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 november 2010.