Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6936

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
10-12-2010
Zaaknummer
200.064.579/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In beginsel komt het risico dat het beroepschrift na de beroepstermijn ter griffie inkomt – behoudens bijzondere omstandigheden – voor rekening en risico van de gerechtsdeurwaarder. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder dat hij een verzoek om uitstel voor het aanvullen van de gronden van zijn beroep naar het hof heeft gestuurd, is in deze zaak niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. De gerechtsdeurwaarder heeft immers niet aannemelijk kunnen maken dat de brief daadwerkelijk is verzonden, noch dat de brief op de griffie moet zijn ontvangen, nu is gebleken dat de brief niet als poststuk met ontvangstbevestiging is verstuurd. Het hof verklaart de gerechtsdeurwaarder niet ontvankelijk in zijn hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van donderdag 11 november 2010 in de zaak onder nummer 200.064.579/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

APPELLANT,

t e g e n

[klaagster],

wonende [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder: de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 28 april 2010 ter griffie ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 23 februari 2010, waarbij het verzet van geïntimeerde, verder: klaagster, gegrond is verklaard, de beslissing van de voorzitter is vernietigd en de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder, gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2. Ter griffie van het hof is op 19 mei 2010 een brief ingekomen van de gerechtsdeurwaarder met als bijlage de brief van 31 maart 2010, waarin de gerechtsdeurwaarder een termijn vraagt om de gronden van zijn beroep nader aan te vullen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2010. De gerechtsdeurwaarder is verschenen, hij heeft het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslissing van de kamer van 23 februari 2010 ontvangen als bijlage bij een brief van de secretaris van de kamer van 3 maart 2010.

3.2. Nu de gerechtsdeurwaarder ingevolge artikel 45 van de Gerechtsdeurwaarderswet binnen dertig dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving in hoger beroep kon komen, eindigde de beroepstermijn op maandag 5 april 2010. Nu het verzoekschrift van de gerechtsdeurwaarder waarin hij te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, op 28 april 2010 bij het hof is ingekomen, is zulks dus te laat.

3.3. In beginsel komt het risico dat het beroepschrift na de beroepstermijn ter griffie inkomt – behoudens bijzondere omstandigheden – voor rekening en risico van de gerechtsdeurwaarder. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder dat hij op 31 maart 2010 een verzoek om uitstel voor het aanvullen van de gronden van zijn beroep naar het hof heeft gestuurd, is in deze zaak niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. De gerechtsdeurwaarder heeft immers niet aannemelijk kunnen maken dat de brief daadwerkelijk is verzonden, noch dat de brief op de griffie moet zijn ontvangen, nu is gebleken dat de brief niet als poststuk met ontvangstbevestiging is verstuurd.

3.4. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat klager niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

3.5. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

Het hof:

- verklaart de gerechtsdeurwaarder niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 23 februari 2010.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, M.W.E. Koopmann en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op donderdag 11 november 2010.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 23 februari 2010 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van de voorzitter van

3 november 2009 met nummer 443.2009 en het daartegen ingestelde verzet met nummer 730.2009 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

tegen:

[ ],

waarnemend-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Voormelde beslissing van de voorzitter is bij brief van 11 november 2009 aan klaagster verzonden. Op 24 november 2009 is het verzetschrift van klaagster bij de Kamer ontvangen. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010. Van de behandeling ter zitting is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt dat aan deze beslissing is gehecht.

2. De gronden van het verzet

Klaagster stelt in verzet – samengevat – dat bij iedere betaling is aangegeven voor welke dossiers het geld werd overgemaakt, onder vermelding van het dossiernummer of de naam van de schuldeiser. De werkwijze van de gerechtsdeurwaarder om de betalingen desondanks naar rato te verdelen leidt ook binnen zijn eigen kantoor tot verwarring. Dit blijkt onder meer doordat een zaak opnieuw is betekend terwijl er een betalingsregeling was afgesproken die werd nagekomen.

3. De ontvankelijkheid van het verzet.

Klaagster heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat het verzet ontvankelijk is.

4. De inleidende klacht

In de inleidende klacht stelt klaagster – samengevat – dat de gerechtsdeurwaarder de betalingen verdeelt over de drie dossiers in plaats van het afgesproken bedrag per dossier af te boeken. Klaagster is van mening dat de gerechtsdeurwaarder het laatste had moeten doen en dat het dossier [ ] volledig is afbetaald.

5. De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft overwogen:

‘4.2 Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.3 Dat is niet het geval. Het is in beginsel zo dat betalingen die worden verricht, dienen te worden afgeboekt in het dossier dat bij de betaling wordt vermeld. Daarom dient duidelijk te worden aangegeven op welk dossier welk bedrag dient te worden afgeboekt. In de brieven aan klager waarmee de betalingsregelingen zijn bevestigd staat ook vermeld dat betalingen dienen te worden verricht onder vermelding van het dossiernummer. Als er door klager voortdurend andere aanduidingen worden gebruikt, komt het risico dat de bedragen niet conform de bedoeling van klager worden afgeboekt, voor rekening van klager. De wijze waarop de gerechtsdeurwaarder de betalingen heeft afgeboekt is niet evident onjuist. In elk geval is het niet gedaan op een tuchtrechtelijk laakbare wijze.

5. Nu tuchtrechtelijk laakbaar handelen niet is gebleken wordt op grond van het voorgaande beslist als volgt.’

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 Met de voorzitter is de Kamer van oordeel dat het op de weg van een schuldenaar ligt om duidelijk aan te geven op welk dossier welk bedrag dient te worden afgeboekt.

6.2 In situaties als deze, waarin verschillende betalingsregelingen zijn afgesproken rust echter ook op de gerechtsdeurwaarder de plicht om zijn administratie zodanig in te richten dat de afgesproken betalingsregelingen zowel bij de dossierbehandelaar als bij de boekhouding bekend zijn.

6.3 Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde betaaloverzichten blijkt inderdaad dat door klaagster afwisselend dossiernummers of namen werden vermeld. In die situatie had het op de weg van de (medewerkers van) de gerechtsdeurwaarder gelegen om helderheid te verkrijgen over de vraag voor welke dossiers de betalingen bedoeld waren.

6.4 Dat de organisatie van de gerechtsdeurwaarder zodanig is ingericht dat de boekhouding niet is geïnformeerd over afgesproken betalingsregelingen, is een onwenselijke situatie die niet ten nadele van een schuldenaar moet werken.

Voorts had het op de weg van de gerechtsdeurwaarder om, zodra hij bekend werd met de klacht, ervoor te zorgen dat de betalingen alsnog op de juiste wijze werden afgeboekt.

6.5 Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De beslissing van de voorzitter kan dan ook niet in stand blijven. De klacht zal gegrond worden verklaard. Voorts ziet de Kamer aanleiding voor het opleggen van na te melden maatregel.

7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de beslissing van de voorzitter van 3 november 2009;

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. C.M. Berkhout, voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage, plaatsvervangend voorzitter en M.J.-M.L. Baudoin, lid en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2010 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.