Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6489

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
23-002797-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW3332, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW3332
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW6198, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW6198
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderen inlichtingen op grond van art. 14 CDW tijdens 100%-controle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002797-09

datum uitspraak: 1 december 2010

tegenspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 25 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-669645-08 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1953,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2010, 20 september 2010 en 17 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 oktober 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 14 Communautair Douanewetboek, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [naam douaneambtenaar], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd om zijn medewerking te verlenen aan een controle, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld zonder oplegging van straf of maatregel.

Vrijspraak

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de vordering krachtens een wettelijk voorschrift is gegeven noch dat de verdachte daaraan opzettelijk geen gevolg heeft gegeven, zodat hij moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte is op 30 oktober 2008 met familieleden vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol. Ten aanzien van de passagiers van die vlucht voerde de douane een zogeheten 100%-controle uit, die onder meer inhield dat passagiers bij de ‘gate’ werden geselecteerd voor nader onderzoek in het kader van de controle op mogelijke invoer van verdovende middelen. Toen een drugshond aansloeg bij de zoon van de verdachte, is deze zoon geselecteerd voor nader onderzoek. Vervolgens is ook de verdachte geselecteerd en overgebracht naar een speciale controleruimte. Aldaar werd de verdachte door douaneambtenaar [naam douaneambtenaar] gevraagd wat voor werk hij deed en wat het doel was van zijn reis naar Suriname. De verdachte schold [naam douaneambtenaar] uit maar gaf overigens geen inhoudelijk antwoord op de gestelde vragen. Toen [naam douaneambtenaar] de verdachte nogmaals genoemde vragen stelde en hem vervolgens -zonder resultaat- tweemaal vorderde zijn medewerking te verlenen en antwoord te geven op vragen, bleef de verdachte volharden in zijn weigering te antwoorden en werd hij wegens het niet voldoen aan een ambtelijk bevel aangehouden en overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee. Hij is vervolgd ter zake van het opzettelijk niet voldoen aan een op artikel 14 Communautair Douanewetboek -of enig ander wettelijk voorschrift- gegrond bevel.

Het Communautair Douanewetboek (CDW) is vastgesteld bij verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (nr. 2913/92) van 12 oktober 1992 (Publicatieblad nr. L 302 van 19 oktober 1992). De preambule van het CDW houdt in, voor zover hier van belang:

De Raad van de Europese Gemeenschappen,

(…)

Overwegende dat de Gemeenschap op een douane-unie is gegrondvest; dat het zowel voor de economische subjecten van de Gemeenschap als voor de douaneadministratie wenselijk is dat de bepalingen van het douanerecht, die thans nog over tal van communautaire verordeningen en richtlijnen verspreid zijn, in een wetboek worden samengebracht;

(…)

Overwegende dat, uitgaande van het gegeven van een interne markt, het wetboek de algemene regels en procedures dient te bevatten voor de toepassing van de tariefmaatregelen en de andere maatregelen die in het kader van het goederenverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen op communautair niveau zijn ingesteld, met inbegrip van die van het landbouwbeleid en de handelspolitiek;

(…)

Overwegende dat, ten einde te zorgen voor een evenwicht tussen enerzijds de behoefte van de douaneadministraties om een goede toepassing van de douanewetgeving te waarborgen en anderzijds het recht van de economische subjecten op een billijke behandeling, de douaneadministraties met name uitgebreide controlemogelijkheden en de economische subjecten een recht op beroep moeten krijgen;

(…)

Heeft de volgende verordening vastgesteld.

De relevante, ten tijde van het onderhavige feit geldende bepalingen luiden als volgt.

Artikel 13 CDW:

De douaneautoriteiten kunnen onder de overeenkomstig de geldende bepalingen vastgestelde voorwaarden alle controlemaatregelen nemen die zij voor de correcte toepassing van de douanewetgeving nodig achten.

Artikel 14 CDW:

Voor de toepassing van de douanewetgeving dient elke persoon die direct of indirect bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht, is betrokken, de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen alle nodige bescheiden en inlichtingen, ongeacht de dragers waarop die bescheiden en inlichtingen zich bevinden, te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen.

Voorts zijn in Nederland de volgende wetsbepalingen van belang.

Artikel 1:1 Algemene douanewet:

1. De bepalingen bij of krachtens deze wet vormen de nationale bepalingen ter uitvoering van:

a. het Communautair douanewetboek, de ter uitvoering daarvan vastgestelde communautaire bepalingen, en

b. andersluidende bepalingen, die uit autonome communautaire maatregelen als bedoeld in het Communautair douanewetboek, voortvloeien.

(…)

5. De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Gemeenschap dan wel de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, of bij het kiezen van een douanebestemming van toepassing zijn of zouden zijn bij of krachtens een communautair of ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze wet.

Artikel 1:5 Algemene douanewet:

Bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet ingevolge artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, zijn de bepalingen van Titel I, Titel II, hoofdstukken 1 en 2, afdeling 1, Titel VIII en Titel IX, hoofdstuk 2, van het Communautair douanewetboek en Deel I, Titels I tot en met IV, hoofdstuk 1, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing.

De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van de Algemene douanewet houdt onder meer in (Kamerstukken II 2005-2006, 30 580, nr. 3, blz. 86):

Voorts geldt dat de controlebevoegdheden op het terrein van de douanewetgeving niet worden ingesteld door middel van nationale wetgeving; zij vloeien rechtstreeks voort uit het CDW (waaraan in dit opzicht dus constitutieve werking toekomt). Om tegen deze achtergrond tegemoet te kunnen komen aan de maatschappelijke wenselijkheid om een uniformering van de controlebevoegdheden van de Nederlandse douane op fiscaal en niet-fiscaal terrein tot stand te brengen (…), is ervoor gekozen die bevoegdheden in de Algemene douanewet een eigen plaats te geven. Uiteraard kunnen de bevoegdheden, gelet op de reikwijdte van de Algemene douanewet, alleen worden uitgeoefend in relatie tot goederen waarvoor bij het binnenbrengen, dan wel het verlaten van, het douanegebied van de Gemeenschap (…) sprake is van toepasselijkheid van regelgeving (…) inzake de toepassing van verboden of beperkingen”.

De in artikel 1:1, vijfde lid, Algemene douanewet bedoelde bijlage vermeldt onder andere de Opiumwet. Uit deze bepaling in verbinding met artikel 1:5 Algemene douanewet kan worden afgeleid dat de artikelen 13 en 14 CDW van toepassing zijn bij de controle van de invoer in, en de uitvoer uit, Nederland van verdovende middelen. De artikelen 1:20 t/m 1:37 Algemene douanewet, waarin de controlebevoegdheden van de douane nader zijn geregeld, kunnen worden beschouwd als uitwerking van artikel 13 CDW.

Het onderhavige bevel van douaneambtenaar [naam douaneambtenaar] werd gegeven toen de verdachte vragen over de aard van zijn werk en het doel van zijn reis naar Suriname niet inhoudelijk wilde beantwoorden. Met het tenlastegelegde bevel “om zijn medewerking te verlenen aan een controle” is dan ook kennelijk bedoeld de vordering van [naam douaneambtenaar] voornoemd om de verdachte alsnog de gevraagde informatie te ontlokken.

Blijkens voornoemde wettelijke bepalingen en de toelichting daarop kunnen controlebevoegdheden als het vragen van inlichtingen worden uitgeoefend ten aanzien van de invoer en uitvoer van goederen. In het licht van de strekking van die bevoegdheden, te weten de vaststelling van douanerechten, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat een verzoek om inlichtingen niet behoeft te worden ingewilligd in een situatie waarin nog in het geheel niet duidelijk is dat sprake is van in- of uitvoer van goederen als bedoeld in de douanewetgeving. Douaneambtenaren staan vele bevoegdheden ten dienste om te onderzoeken of reizigers betrokken zijn bij de invoer van dergelijke goederen. Het vorderen van inlichtingen in de fase daaraan voorafgaand moet worden beschouwd als prematuur. Het voorgaande brengt mee dat artikel 14 CDW in het onderhavige geval niet als grondslag kon dienen voor het vorderen van inlichtingen en dat, nu zodanige grondslag ook niet in enige andere wettelijke bepaling is te vinden, de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.M. Brilman, mr. R.E. de Winter en mr. A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 december 2010.