Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
200.069.256-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontheffing van het ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 16 november 2010 in de zaak met zaaknummer 200.069.256/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. C.J. Avis te Haarlem,

t e g e n

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Noord-Holland,

locatie Haarlem,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vader en de Raad genoemd.

1.2. De vader is op 29 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 maart 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem, met kenmerk 162942/09-3607.

1.3. De Raad heeft op 26 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 3 november 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer W. Daalderop, vertegenwoordiger van de Raad;

- mevrouw K. Rovers, vertegenwoordiger van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming.

2. De feiten

2.1. Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de vader en […] (hierna: de moeder) zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 2003 en […] (hierna: [kind B]) [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2. De vader heeft [kind A] op 10 november 2003 erkend. De ouders zijn sinds 8 maart 2005 belast met het gezamenlijk gezag over [kind A]. De vader heeft [kind B] op 9 januari 2008 erkend. De ouders zijn sinds 4 maart 2009 belast met het gezamenlijk gezag over [kind B].

2.3. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 12 juni 2007 is [kind A] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 21 januari 2011. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 21 januari 2008 is [kind B] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling voortduurt tot 21 januari 2011.

2.4. De kinderen zijn in het kader van de ondertoezichtstelling op 21 januari 2008 uit huis geplaatst. De machtiging is telkens verlengd, laatstelijk tot 21 januari 2011.

2.5. Bij de stukken bevindt zich onder meer een rapport van de Raad van 15 oktober 2009.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking zijn de ouders, op verzoek van de Raad, ontheven van het gezag over de kinderen en is Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, namens deze de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (hierna: WSS), tot voogdes over de kinderen benoemd.

3.2. De vader verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen, en, subsidiair, de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing ten aanzien van [kind B].

3.3. De Raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Aan de orde is de vraag of de kinderrechter de vader terecht en op juiste gronden van het gezag heeft ontheven en of deze gronden thans nog aanwezig zijn.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 jo lid 2 sub a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de relatie tussen de vader en de moeder turbulent was en werd gekenmerkt door huiselijk geweld. De moeder is verstandelijk beperkt en heeft psychische problemen. De vader had moeite om hiermee om te gaan, waardoor zijn optreden jegens de moeder vele malen is ontaard in fysiek en verbaal geweld. In de periode van februari 2004 tot en met september 2006 stond [kind A] reeds onder toezicht van de WSS, welke maatregel wegens de positieve groei van de moeder is opgeheven. Vanaf oktober 2006 zijn er echter opnieuw zorgen over de opvoedingssituatie van [kind A] ontstaan. De Raad heeft in mei 2007 geconcludeerd dat de moeder als gevolg van haar verstandelijke beperking een gebrek aan pedagogisch inzicht en een gebrek aan draagkracht heeft. Bovendien was de relatie tussen de ouders nog steeds gewelddadig. Door de instabiele relatie tussen de ouders was ook de woonsituatie van [kind A] wisselend, zodat de nodige regelmaat en structuur ontbrak. In september 2007 is de relatie van de ouders geëindigd. Reeds tijdens de zwangerschap van [kind B] heeft de moeder aangegeven dat het voor haar niet haalbaar was om haar leven weer op de rails te krijgen en daarbij de verzorging en opvoeding van beide kinderen op zich te nemen. Bovendien wilde zij niet meer bij de vader wonen, omdat zij de situatie daar niet veilig vond. [kind B] is kort na haar geboorte uit huis geplaatst, zodat er geen hechtingsrelatie tussen haar en de ouders is ontstaan.

Uit het rapport van de Raad blijkt voorts dat na de uithuisplaatsing van de kinderen door een forensisch arts en een kindergynaecoloog is vastgesteld dat er sprake is van genitale verminking bij [kind A]. Daarnaast is gebleken dat de verzorging van [kind A] in de jaren voorafgaand aan de uithuisplaatsing ernstig te wensen overliet, hetgeen door de WSS ter zitting in hoger beroep is bevestigd. [kind A] had bij aankomst in het pleeggezin veel pijn bij het tanden poetsen en bleek elf gaatjes in haar gebit te hebben. Ook was het eten van groente haar nauwelijks bekend. Hetzelfde geldt voor buitenspelen, knutselen en het contact met leeftijdsgenootjes.

4.4. De moeder is niet in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, die voor haar dan ook in kracht van gewijsde is gegaan, zodat in het navolgende alleen over de vader wordt gesproken.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vader ongeschikt en onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen. Ondanks de geboden hulpverlening is geen van beide ouders in staat gebleken [kind A] een veilig opvoedingsklimaat te bieden. De vader heeft de problemen die er in het gezin bestonden nooit onderkend en heeft zich onvoldoende opengesteld voor de hulpverlening. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat dit in de toekomst anders zal zijn en kent zwaarwichtig belang toe aan de omstandigheid dat de genitale verminking van [kind A] onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de ouders heeft kunnen plaatsvinden, los van de vraag wie deze verminking heeft toegebracht. De situatie waarin [kind A] zich bevond ten tijde van de geboorte van [kind B] was voldoende reden om [kind B] meteen na haar geboorte onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.

Gebleken is bovendien dat de kinderen zich goed ontwikkelen in het pleeggezin, waar zij al bijna drie jaar verblijven. Hoewel het ervaren van veiligheid en vertrouwen in haar omgeving een aandachtspunt blijft voor [kind A], lijkt zij zich veilig te voelen in het pleeggezin. Zij heeft baat gehad bij de door de pleegouders geïnitieerde behandeling door het Het Kinder- en Jeugdtraumacentrum. Gelet op de ingrijpende gebeurtenissen die [kind A] in haar jonge leven heeft meegemaakt, acht het hof het essentieel dat de rust en stabiliteit in haar opvoedingssituatie gewaarborgd blijven. Van belang is voorts dat [kind A] én [kind B] een hechtingsrelatie met de pleegouders hebben opgebouwd, terwijl bij [kind B] in het geheel geen sprake is van een hechtingsrelatie met de vader. Deze hechtingsrelatie met de pleegouders maakt het mogelijk dat zij uitgroeien tot evenwichtige personen, die uiteindelijk zelfstandig kunnen functioneren in de samenleving. De levensfase waarin de kinderen zich nu bevinden is cruciaal voor de ontwikkeling van hun hechtingscapaciteit. Indien zij hun hechtingspersonen (in geval van [kind A] opnieuw) verliezen, en een veilige basis voor de kinderen achterwege blijft, bestaat het risico dat zij zich in de toekomst niet meer, of niet veilig genoeg, zullen kunnen hechten. Het toekomstperspectief van de kinderen ligt in het pleeggezin, terwijl niet te verwachten is dat daarin nog verandering zal komen. De pleegouders zijn in staat gebleken op goede wijze aan te sluiten bij de specifieke opvoedingsbehoeften van deze kinderen. Het hof acht het daarom in het belang van beide kinderen dat hun verblijf in het pleeggezin wordt gecontinueerd en dat zij zich ongestoord op evenwichtige wijze verder kunnen ontwikkelen. Dit belang gaat boven de wens van de vader om in de toekomst wellicht nog voor de kinderen te kunnen zorgen. Dat de vader het met de uithuisplaatsingen nimmer eens is geweest maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor ontheffing van de vader ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans ook nog aanwezig zijn. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, R.G. Kemmers en M.M.A. Gerritzen-Gunst in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.