Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
200.069.699-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 16 november 2010 in de zaak met zaaknummer 200.069.699/01 van:

[…],

woonplaats gekozen hebbende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. E.D. Mensing van Charante te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 2 juli 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 6 mei 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 448576 / FA RK 10-313 (TG TM).

1.3. De zaak is op 3 november 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw F. Huizinga, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi- en Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 4 september 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 maart 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2006. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2. Bij de stukken in het dossier bevindt zich een afschrift van de mutaties die zijn gemaakt naar aanleiding van de meldingen die de vrouw bij de politie heeft gedaan van gedragingen van de man in de periode vanaf 21 mei 2005 tot en met 2 september 2008.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag, afgewezen.

3.2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen in zoverre en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] alsnog wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ter beantwoording ligt voor de vraag of aan de vrouw het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] dient te worden toegekend.

De rechter kan op verzoek van niet met elkaar gehuwde ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de vrouw te belasten met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over [de minderjarige]. De man heeft lange tijd niets van zich laten horen en hij is in deze procedure niet verschenen. De raad acht voorstelbaar dat de vrouw op praktische bezwaren stuit indien zij moet beslissen over zaken die [de minderjarige] aangaan, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is.

4.3. Het hof is met de Raad van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het belang van [de minderjarige] meebrengt dat de vrouw alleen met het gezag over haar wordt belast. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat er geen enkel contact bestaat tussen partijen. Zij hadden vóór en tijdens de zwangerschap van de vrouw al problemen. De relatie kenmerkte zich door bedreigingen en gewelddadig optreden van de man. Omdat de vrouw vreesde voor haar veiligheid en de veiligheid van [de minderjarige] heeft zij na de bevalling de echtelijke woning verlaten. Zij woont sindsdien op een voor de man onbekend adres. Toen [de minderjarige] acht maanden oud was heeft zij een verzoek tot echtscheiding ingediend en is er geen contact meer geweest tussen de man en [de minderjarige]. In dit licht bezien acht het hof voldoende aannemelijk dat ieder contact dat de vrouw met de man moet zoeken over beslissingen aangaande [de minderjarige], spanningen oplevert voor de vrouw, die hun weerslag zullen hebben op de ontwikkeling van [de minderjarige]. Voorts is gebleken dat de man feitelijk geen invulling geeft aan het ouderlijk gezag. Dit wordt bevestigd door het feit dat hij in de onderhavige procedure geen verweer voert en niet ter zitting is verschenen. Uit niets volgt bovendien dat de man op enigerlei wijze betrokken is bij het leven van [de minderjarige] en onduidelijk is wat [de minderjarige] nog van de man als gezaghebbende ouder kan verwachten.

4.4. Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de vrouw belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige], nu dit in haar belang noodzakelijk wordt geacht. Het hof hecht er waarde aan om op te merken dat het voor de ontwikkeling van haar identiteit wel van belang is dat [de minderjarige] opgroeit met de wetenschap wie haar biologische vader is.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag is afgewezen;

belast de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2006;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, G.J. Driessen-Poortvliet en M.M.A. Gerritzen-Gunst in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.