Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5270

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
200.068.757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak Ondernemingskamer d.d. 26 november 2010 OR/APM Terminals Rotterdam B.V.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2011/11
AR-Updates.nl 2010-0957
ARO 2010/182
RAR 2011/28
JAR 2011/11
TRA 2011/51 met annotatie van Dr. R.H. van het Kaar
JRV 2011, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met rekestnummer 200.068.757/01 OK van

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN APM TERMINALS ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

VERZOEKER,

advocaat: mr. W.J. van den Bos, kantoorhoudende te Rotterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

APM TERMINALS ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. B.J. Bongaards, kantoorhoudende te Rotterdam.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoeker (hierna de ondernemingsraad te noemen) heeft bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer per fax op 18 juni 2010 en per koerier op 21 juni 2010, de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1) te verklaren dat verweerster (hierna APM Terminals Rotterdam of de ondernemer te

noemen) bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het in deze zaak bestreden besluit van 19 mei 2010 had kunnen komen;

2) APM Terminals Rotterdam te bevelen het besluit in te trekken en de gevolgen van het besluit ongedaan te maken;

3) APM Terminals Rotterdam te verbieden handelingen te (doen) verrichten ter (verdere) uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan;

4) het onder 3) bedoelde verbod eveneens bij wijze van voorlopige voorziening uit te spreken.

1.2 APM Terminals Rotterdam heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer per fax op 13 juli 2010 en per koerier op 14 juli 2010, de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - de ondernemingsraad niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans zijn verzoek af te wijzen.

1.3 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 29 juli 2010, alwaar mr. Van den Bos en mr. Bongaards - onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en aan elkaar gezonden nadere producties - de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen nader hebben toegelicht, wat mr. Van den Bos betreft aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitaantekeningen.

2. De vaststaande feiten

2.1 De onderneming van APM Terminals Rotterdam legt zich toe op de terminal afhandeling van schepen in de haven te Rotterdam en is onderdeel van een door A.P. Møller - Mærsk A/S, gevestigd te Denemarken, geleid concern (hierna het APM-concern te noemen).

2.2 Het “Medezeggenschapsconvenant APMT” (hierna het Convenant te noemen), dat is gesloten tussen APM Terminals Rotterdam en de ondernemingsraad, omvat onder meer de volgende bepalingen:

“(…) 3. De Overlegvergadering.

A. (…) Uiterlijk één week voorafgaande aan de overlegvergadering wordt een agendaoverleg gehouden tussen de bestuurder en het Dagelijks Bestuur van de Ondernemingsraad. (…)

4. Advies en instemming.

(…)

D. De bestuurder zal met het Dagelijks Bestuur van de ondernemingsraad schriftelijk per advies- c.q. instemmingsaanvraag afspreken binnen welke termijn advies- c.q. instemming wordt uitgebracht en welke werkwijze wordt gevolgd. Deze afstemming zal plaatsvinden in het agendaoverleg dan wel in een door de partijen speciaal uitgeschreven bijeenkomst met het Dagelijks Bestuur van de Ondernemingsraad. (...)

E. Indien de ondernemingsraad zich niet kan houden aan een termijn c.q. werkwijze zoals

hierboven gesteld zal de Ondernemingsraad de Bestuurder onderbouwd daarover informeren en zullen schriftelijk nieuwe afspraken tussen partijen worden gemaakt. (…)”

2.3 APM Terminals Rotterdam heeft de ondernemingsraad bij brief van 1 april 2010 advies gevraagd over het voorgenomen besluit administratieve werkzaamheden op de afdeling “Finance and Administration” (hierna de afdeling F&A te noemen) uit te besteden aan Maersk Global Service Center, een in India gevestigde onderneming die eveneens onderdeel is van het APM-concern. Reeds in maart 2010 had een viertal uit India afkomstige medewerkers van die onderneming APM Terminals Rotterdam gedurende circa drie weken bezocht om de haalbaarheid van eventuele uitbesteding van de desbetreffende activiteiten aan de in India gevestigde onderneming te onderzoeken.

2.4 De adviesaanvraag van 1 april 2010 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…) Grondslag van de adviesaanvraag

Hierbij verzoeken wij u (…) advies uit te brengen over ons voornemen om de transactionele activiteiten op de afdeling F&A te outsourcen.

Aard, doel en motivatie van het voorgenomen besluit

Om de toenemende concurrentie het hoofd te bieden door er onder andere voor zorg te dragen dat de bedrijfsprocessen zo efficiënt mogelijk verlopen, heeft de ondernemingsleiding van APMT recentelijk besloten om wereldwijd voor de terminals van APMT de mogelijkheden die er in de Finance organisatie zijn voor Business Process Outsourcing, op te pakken en te implementeren. Een zusteronderneming van APMT, genaamd Maersk Global Service Centre, gevestigd in India, treedt op dit moment op als "Shared Service Centre" en verricht administratieve handelingen voor andere Maersk-dochtermaatschappijen, waaronder Maersk Line. Het betreffende zusterbedrijf heeft dus reeds grote ervaring op dit gebied en zij zal de werkzaamheden derhalve voor meerdere zustermaatschappijen gaan uitvoeren.

(…) Wij zijn tot de conclusie gekomen dat outsourcing van transactionele activiteiten, zoals facturering en overige eenvoudige en/of gestandaardiseerde administratieve handelingen, mogelijk is. (…)

Gevolgen voor de organisatie

De gevolgen voor de organisatie zijn dat wij (…) naar verwachting een verlaging van de kosten van ongeveer 108.000 Euro [Ondernemingskamer: op jaarbasis] van de afdeling F&A zullen bewerkstelligen. Het voorgenomen besluit tot outsourcing zal naar verwachting effect hebben op in totaal 2 FTE's van de afdeling F&A (waarbij oa sprake is van een contract voor bepaalde tijd, dat niet zal worden verlengd). Uiteraard zal met betrokken medewerkers worden bezien in hoeverre er mogelijkheden zijn tot interne herplaatsing. Indien blijkt dat deze mogelijkheden niet aanwezig zijn, zal eventueel een individuele regeling worden getroffen.

Termijn van advies

Gelet op het implementatieplan van APMT wereldwijd is het van groot belang om per 1 juni as te starten met de voorbereiding van de overdracht van de activiteiten. Het is onze intentie om per 1 september 2010 de overdracht te laten plaatsvinden. Wij hechten er dan ook zeer aan, mede gezien het feit dat de zittingsperiode van de leden van uw raad eind (...) mei 2010 [Ondernemingskamer: op 25 mei 2010] eindigt, deze procedure voor het einde van uw zittingsperiode af te handelen. Dit om vertraging te voorkomen door het mogelijk inwerken van een nieuwe ondernemingsraad, die niet van deze kwestie op de hoogte is. Derhalve verzoeken wij u over dit voorgenomen besluit zo spoedig mogelijk advies uit te brengen, doch uiterlijk voor 15 mei 2010. (…)”

2.5 Op 22 april 2010 heeft een overlegvergadering tussen H. van Kerkhof, de bestuurder van APM Terminals Rotterdam (“Managing director”), en de ondernemingsraad plaatsgevonden. Aan de overlegvergadering is een agendaoverleg op 15 april 2010 voorafgegaan. Bij de overlegvergadering zijn namens APM Terminals Rotterdam voorts aanwezig geweest R. Sponselee (“Director Operations”), J. Rasenberg (“General Manager Finance”) uitsluitend voor zover de adviesaanvraag is besproken, en I.C.M. van der Werf (“Senior Consultant HR”). In de overlegvergadering is gesproken over de adviesaanvraag van 1 april 2010.

2.6 Partijen geven ieder een met elkaar strijdige weergave van hetgeen in de overlegvergadering over de termijn waarop de ondernemingsraad advies zou uitbrengen (hierna de adviestermijn te noemen) is afgesproken althans besproken.

2.7 De (secretaris van de) ondernemingsraad heeft de bestuurder bij brief van 6 mei 2010 het volgende geschreven:

“(…)

U heeft in de adviesaanvraag (…) verzocht (…) uiterlijk voor 15 mei 2010 advies uit te brengen. In de OV vergadering van 22 april jl. heeft u dit nog eens benadrukt, met daarin specifiek meegenomen dat u deze adviesaanvraag voor de Ondernemingsraadverkiezing van 25 mei 2010 afgehandeld zou willen hebben. De Ondernemingsraad heeft in dezelfde OV vergadering aangegeven deze adviesaanvraag in zijn vergadering van 18 mei 2010 te behandelen. De Ondernemingsraad doet zijn uiterste best om aan uw verzoek te voldoen, maar wil u middels dit schrijven melden dat hij niet voor de volle 100% kan garanderen dat voor het einde van de zittingsperiode een besluit zal worden genomen. (…)”

2.8 B. van Vianen, directiesecretaris van APM Terminals Rotterdam, en Van der Werf voornoemd hebben een concept van de notulen van de overlegvergadering van 22 april 2010 (hierna de concept-notulen te noemen) opgesteld en op 11 mei 2010 per e-mail rondgestuurd, onder anderen aan de secretaris van de ondernemingsraad. De ondernemingsraad heeft de

concept-notulen niet geaccordeerd. In de concept-notulen staat onder meer het volgende:

“(…) 7.2.2 (…) Er ligt een tijdsdruk op de adviesaanvraag omdat het wenselijk is, zowel vanuit kostenoogpunt als vanuit operationeel oogpunt, dit voorgenomen besluit zo spoedig mogelijk uit te voeren. Het tijdelijke contract van de betrokken medewerker eindigt per 30 juni en zal niet verlengd worden. Indien de outsourcing uitgesteld wordt dan zullen de werkzaamheden moeten blijven worden uitgevoerd en zal er iemand tijdelijk aangenomen moeten worden om dit te bewerkstelligen en zullen de andere medewerkers van de afdeling extra belast worden. Daarom geeft de bestuurder aan dat hij de in de adviesaanvraag gestelde termijn van 15 mei 2010 wil handhaven. (…)

7.2.3 OR geeft aan dat zij een OR vergadering heeft gepland op 18 mei en zou de termijn van 15 mei 2010 willen verlengen tot 18 mei 2010, omdat dit onderwerp dan nog in deze OR vergadering kan worden besproken. De bestuurder gaat hiermee akkoord. (…)”

In de schriftelijke verklaring van 1 juli 2010 die Van Kerkhof, Sponselee, Rasenberg en Van der Werf voornoemd gezamenlijk hebben ondertekend, staat onder meer:

“(…)

1. De gang van zaken met betrekking tot de adviesaanvraag outsourcing activiteiten F&A is onder punt 7.2 juist omschreven in de concept notulen van deze vergadering. (…)”

2.9 Eveneens op 11 mei 2010 heeft de bestuurder in reactie op de brief van 6 mei 2010 van de ondernemingsraad onder meer het volgende aan de ondernemingsraad geschreven:

“(…)

Wij zijn akkoord gegaan met de verlenging van de termijn tot 18 mei a.s. (…) Tijdens de overlegvergadering hebben wij u al toegelicht dat wij dit besluit zowel vanuit kostenoogpunt, als vanuit operationele overwegingen op korte termijn willen nemen. Tevens kan uitstel van de termijn leiden tot grote vertraging, omdat de verkiezingen van de ondernemingsraad op 25 mei as worden gehouden en de ondernemingsraad dan een nieuwe samenstelling heeft. Wij zijn van mening dat u een zeer redelijke termijn hebt gekregen om de adviesaanvraag (…) te behandelen en alle vragen die over dit onderwerp leven, beantwoord te krijgen. Derhalve delen wij u mede dat wij niet akkoord gaan met een mogelijk verder uitstel van de termijn van het advies. (…)”

2.10 Op 13 mei 2010 heeft de secretaris van de ondernemingsraad de bestuurder per e-mail laten weten de brief van 11 mei 2010 te hebben ontvangen en te zullen bespreken in de vergadering van de ondernemingsraad van 18 mei 2010. Op 18 mei 2010 heeft deze vergadering plaatsgevonden, waarin de ondernemingsraad een beslissing heeft genomen over de adviesaanvraag.

2.11 De bestuurder heeft de ondernemingsraad bij brief van 19 mei 2010, door de ondernemingsraad ontvangen op 20 mei 2010, in kennis gesteld van het besluit tot uitbesteding. De brief houdt onder meer in:

“Betreft: (…) besluit ten aanzien van het outsourcen van de administratieve activiteiten van de afdeling F&A.

(…)

Inmiddels is de gestelde termijn verstreken zonder dat wij een advies van u hebben ontvangen en wij zijn van mening dat dit een redelijke termijn was om tot een advies te komen. Derhalve delen wij u mede dat wij het besluit, zoals omschreven in de adviesaanvraag van 1 april 2010, thans nemen. (…)”

2.12 De ondernemingsraad heeft op 20 mei 2010 per brief aan de bestuurder een negatief advies uitgebracht.

2.13 Een weergave, gedateerd 7 juni 2010, door de voorzitter van de ondernemingsraad, B. de Bel, van hetgeen in de overlegvergadering van 22 april 2010 over de adviestermijn is afgesproken luidt onder meer als volgt:

“(…)

2. Voorzitter OR merkt op dat de OR sowieso niet kan voldoen aan de termijn van uiterlijk 15 mei 2010 zoals gesteld in de adviesaanvraag. De adviesaanvraag zal namelijk worden behandeld in de eerstvolgende OR-vergadering van 18 mei 2010. Voorzitter OR geeft aan dat als de OR dan een besluit neemt over de adviesaanvraag, het advies zal worden uitgebracht voor 25 mei. Tevens merkt Voorzitter OR op dat indien hij vanwege drukke werkzaamheden (drie adviesaanvragen, OR-verkiezing) én zijn vakantie van 24 april tot 17 mei niet in staat is het advies schriftelijk, uitgewerkt en wel, uit te brengen voor het einde van de zittingstermijn, hij de bestuurder per e-mail zal inlichten over het karakter van het advies (positief dan wel negatief) en zo spoedig mogelijk daarna zal zorgen voor schriftelijke uitwerking van het advies inclusief onderbouwing.

3. Voorzitter OR benadrukt dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat over de adviesaanvraag een besluit zal worden genomen in de OR-vergadering van 18 mei, maar spreekt uit dat hij daarvoor zijn best zal doen.

4. De bestuurder zegt akkoord te gaan met deze gang van zaken. (…)”

Een zestal eveneens bij de overlegvergadering aanwezige leden van de ondernemingsraad heeft zich in een verklaring van 22/23 juli 2010 geschaard achter de hiervoor geciteerde weergave door de voorzitter van de ondernemingsraad.

3. De gronden van de beslissing

3.1 De ondernemingsraad heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd de stelling dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is reeds omdat APM Terminals Rotterdam het besluit heeft genomen zonder het advies van de ondernemingsraad af te wachten. APM Terminals Rotterdam heeft het besluit genomen met voorbijgaan aan hetgeen met de ondernemingsraad is besproken over de adviestermijn en hetgeen in het Convenant is bepaald over (de totstandkoming van een afspraak over) de adviestermijn. Deze handelwijze van APM Terminals Rotterdam moet worden gekenschetst als uiterst ongeduldig en onredelijk, aldus de ondernemingsraad.

3.2 APM Terminals Rotterdam heeft verzocht de ondernemingsraad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans zijn verzoek af te wijzen. Kern van haar betoog is dat de ondernemingsraad niet in zijn recht op medezeggenschap is geschaad. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer begrijpt - het volgende aangevoerd. De ondernemingsraad heeft niet tijdig zijn advies uitgebracht, welke omstandigheid in de risicosfeer van de ondernemingsraad ligt. De adviestermijn is immers afgesproken althans in ieder geval duidelijk aan de ondernemingsraad meegedeeld. Voorts is deze termijn redelijk gelet op (i) de duidelijke en gemotiveerde adviesaanvraag, (ii) de overzichtelijke materie, (iii) de toelichting op de adviesaanvraag die de bestuurder in de overlegvergadering heeft gegeven, en (iv) de omstandigheid dat de ondernemingsraad zelf van mening was dat het voorgenomen besluit niet kwalificeert als een “belangrijk” besluit in de zin van artikel 25 WOR, althans daar minst genomen aan twijfelde. APM Terminals Rotterdam heeft met de betrokken belangen rekening gehouden en zij kon, gelet op zowel de gevolgde procedure als de inhoud van het besluit, in alle redelijkheid tot het bestreden besluit komen.

3.3 De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt in zijn algemeenheid dat de ondernemer die een voorgenomen besluit op grond van de Wet op de ondernemingsraden ter advisering aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd, in beginsel pas mag overgaan tot het nemen van het voorgenomen besluit nadat het gevraagde advies is uitgebracht. Hieruit volgt dat het hier aan de orde zijnde besluit, dat APM Terminals Rotterdam heeft genomen zonder het advies van de ondernemingsraad af te wachten, kennelijk onredelijk is op de grond dat aldus het in genoemde wet neergelegde recht op medezeggenschap is geschonden. Op het hiervoor vermelde uitgangspunt zijn weliswaar uitzonderingen denkbaar, doch van omstandigheden die een dergelijke uitzondering rechtvaardigen, is in deze zaak onvoldoende gebleken. In dit verband overweegt de Ondernemingskamer nader als volgt.

3.4 De Ondernemingskamer kan gelet op de tegenstrijdige verklaringen daarover en het ontbreken van andere bewijsmiddelen - zo staat de tekst van de concept-notulen tussen partijen ter discussie - niet vaststellen (i) wat tijdens de overlegvergadering van 22 april 2010 en het agendaoverleg van 15 april 2010 is besproken over de adviestermijn, (ii) of op die overlegvergadering of dat agendaoverleg of op enig ander moment een afspraak over de adviestermijn is gemaakt en zo ja, (iii) hoe die afspraak zou luiden.

3.5 De Ondernemingskamer leidt uit de wel in deze zaak vaststaande feiten af dat het bestreden besluit is voorafgegaan door gebrekkige communicatie tussen APM Terminals Rotterdam en haar ondernemingsraad met betrekking tot de adviestermijn.

3.6 Zo heeft APM Terminals Rotterdam de noodzaak voor het uitbrengen van een advies op

- aanvankelijk, in de adviesaanvraag, uiterlijk 15 mei 2010 en nadien, in de brief van 11 mei 2010 - uiterlijk 18 mei 2010 onvoldoende aan de ondernemingsraad toegelicht. De in de adviesaanvraag onder “Termijn van advies” geschetste omstandigheden en de in de brief van 11 mei 2010 genoemde omstandigheden zijn daartoe onvoldoende redengevend respectievelijk te vaag geformuleerd. Dat en waarom de datum van 18 mei 2010 voor APM Terminals Rotterdam cruciaal was, heeft zij eerst ter terechtzitting van 29 juli 2010 duidelijk gemaakt. Toen heeft zij immers aangevoerd (en dat heeft zij - zoals de voorzitter van de ondernemingsraad ter voormelde terechtzitting onweersproken heeft gesteld - de ondernemingsraad niet eerder laten weten) dat een belangrijke (“operationele”) omstandigheid was gelegen in het op 18 juni 2010 verstrijken van de uitoefentermijn van een van Maersk Global Service Centre verkregen optie op dezelfde vier uit India afkomstige personen als bedoeld in 2.3 hiervoor. Volgens APM Terminals Rotterdam zou uitbesteding van de door het onderhavige besluit getroffen werkzaamheden aan die personen een kostenbesparing opleveren omdat deze personen reeds (deels) waren “ingewerkt” dankzij hun eerdere bezoek aan APM Terminals Rotterdam in maart 2010, terwijl de kans dat deze personen na het verstrijken van de uitoefentermijn op 18 juni 2010 niet meer beschikbaar zouden zijn, aanzienlijk was. APM Terminals Rotterdam heeft bij dit een en ander klaarblijkelijk rekening gehouden met de in artikel 25 lid 6 WOR bedoelde opschortingtermijn van een maand nadat de ondernemingsraad van een besluit in kennis is gesteld, welke termijn zij in acht zou dienen te nemen alvorens de door dit besluit getroffen werkzaamheden uit te besteden.

3.7 Het moest voor APM Terminals Rotterdam - uiterlijk - bij ontvangst van de hiervoor in 2.7 genoemde brief van de ondernemingsraad van 6 mei 2010 kenbaar zijn dat het uitbrengen van een advies door de ondernemingsraad op of voorafgaand aan 18 mei 2010 niet (meer) te verwachten was. De Ondernemingskamer is van oordeel dat - ook als op enig moment vóór 6 mei 2010 is afgesproken dat de adviestermijn op 18 mei 2010 zou eindigen - het op de weg van APM Terminals Rotterdam had gelegen - mede gelet op hetgeen in het Convenant is bepaald over (de totstandkoming van een afspraak over) de adviestermijn - om na ontvangst van voormelde brief (opnieuw) in overleg te treden met de ondernemingsraad. Dat heeft zij nagelaten.

3.8 Het had voorts op de weg van APM Terminals Rotterdam gelegen om zich, alvorens het besluit te nemen, op of na 18 mei 2010 door de ondernemingsraad ten minste te laten informeren over de stand van het besluitvormingsproces in de ondernemingsraad omtrent de adviesaanvraag, temeer omdat zij er getuige voormelde brief van 6 mei 2010 van op de hoogte was dat de ondernemingsraad (i) op 18 mei 2010 over het (voorgenomen) besluit zou vergaderen en (ii) de intentie had om tussen 18 en 25 mei 2010 (het einde van de zittingsperiode van de toenmalige leden van de ondernemingsraad) zijn advies uit te brengen. APM Terminals Rotterdam heeft desalniettemin zonder nader overleg of aankondiging op 19 mei 2010 het bestreden besluit genomen.

3.9 Aan APM Terminals Rotterdam kan worden toegegeven dat ook de ondernemingsraad het initiatief had kunnen nemen om op enig moment tussen de overlegvergadering op 22 april 2010 en het bestreden besluit van 19 mei 2010 met APM Terminals Rotterdam in overleg te treden over de precieze einddatum van de adviestermijn. Dit laat echter onverlet dat de onvolkomenheden in de communicatie APM Terminals Rotterdam zwaarder worden aangerekend. Immers, de zorgplicht om het medezeggenschaptraject te bewaken rust eerst en vooral op de ondernemer en het lag derhalve vooral op de weg van APM Terminals Rotterdam om een heldere en adequate communicatie na te streven. Daarin is zij, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.5 tot en met 3.8 is overwogen, naar het oordeel van de Ondernemingskamer tekortgeschoten.

3.10 Op grond van het voorgaande komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat APM Terminals Rotterdam bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen, zodat het verzoek van de ondernemingsraad zoals is weergegeven in 1.1 aanhef en onder 1), 2) en 3) voor toewijzing vatbaar is. Het - subsidiaire - betoog van APM Terminals Rotterdam dat de ondernemingsraad bij intrekking van het besluit geen redelijk belang heeft, verwerpt de Ondernemingskamer reeds omdat de ondernemingsraad bezwaren heeft tegen uitbesteding van de door het bestreden besluit getroffen werkzaamheden, zoals hij kenbaar heeft gemaakt door het uitbrengen van het negatieve advies bij brief van 20 mei 2010.

3.11 Omdat de Ondernemingskamer aldus beslist op het verzoek van de ondernemingsraad, behoeft zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals weergegeven onder 1.1 aanhef en onder 4), geen beoordeling en beslissing meer.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart dat APM Terminals Rotterdam B.V., gevestigd te Rotterdam, bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het in deze zaak bestreden besluit van 19 mei 2010 heeft kunnen komen;

beveelt APM Terminals Rotterdam B.V. het besluit in te trekken en de gevolgen van het besluit ongedaan te maken;

verbiedt APM Terminals Rotterdam B.V. handelingen te (doen) verrichten ter (verdere) uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Faber, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en

mr. M.P. Nieuwe Weme, raadsheren, G.A. Cremers en H. de Munnik RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 26 november 2010.