Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4752

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
09/00638
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto geparkeerd stond. Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2733
Belastingblad 2011/14
V-N 2011/4.19.8
FutD 2010-2751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00638

18 november 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep ingesteld door

[A], te Amsterdam, belanghebbende,

gemachtigde C.M.J.E.P. Meerts (Meerts Belastingadvies en Rechtsbijstand B.V.),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 09/1831 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[A]

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 27 januari 2009 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 53,60 (€ 4 aan parkeerbelasting en € 49,60 aan kosten).

Het daartegen gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar bij uitspraak van 2 april 2009 is afgewezen.

1.2. Bij uitspraak van 7 september 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 15 september 2009, welk geschrift bij het Hof op voormelde datum is ingekomen.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Een onderzoek ter zitting van het Hof is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

2. Feiten

2.1 De auto van belanghebbende, type [..], met kenteken […], stond op 27 januari 2009 om 20.10 uur in de [ straatnaam], ter hoogte van huisnummer [..], te [plaatsnaam], zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Ter zake van dit feit is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.

2.2. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van 20 februari 2009 waarin belanghebbende het volgende stelt:

“Hierbij verklaar ik (…) dat op 27-01-2009 en 20.00 ik heb gezien dat ik een bekeuring heb ontvangen ondanks het feit dat ik op het moment terzake aan het laden en lossen was. Ik was op dat moment een bed uit mijn auto aan het halen dat nogal groot was en dat ik samen met een vriend naar binnen aan het dragen was. In de tussentijd heb ik een bekeuring ontvangen.”

2.3. Tevens behoort tot de gedingstukken een verklaring van [B], woonachtig te [ plaatsnaam], ondertekend op 20 februari 2009 waarin het volgende wordt gesteld:

“Hierbij verklaar ik (…) dat op 27-01-2007 en 20.00 ik heb gezien dat [belanghebbende] een bekeuring heeft ontvangen ondanks het feit dat ik op het moment terzake hem aan het helpen was bij het uitladen van zijn bed.”.

3. De overwegingen van de rechtbank

De relevante overwegingen van de rechtbank luiden als volgt, waarbij de rechtbank anders dan het Hof, partijen aanduidt als eiser en verweerder.

“3. Ingevolge artikel 2, onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2009, wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Onder laden en lossen dient te worden verstaan het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vergelijk Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33.286, BNB 1999/257).

4. Eiser voert aan dat hij bezig was met laden en lossen van een bed. Eiser erkent dat het mogelijk is dat er enige tijd tijdens de losactiviteiten niemand aanwezig was bij de auto, aangezien ook de bestuurder meehielp met het naar binnen dragen van het bed. (…)

5.Verweerder betwist dat er sprake was van laden en lossen. De parkeercontroleur heeft geen laad-of losactiviteiten rondom de auto waargenomen en niemand in de buurt van de auto aangetroffen.(…).

6. De bewijslast dat sprake is van het onmiddellijk laden en lossen van goederen, rust op eiser. Daarbij geldt de vrije bewijsleer, hetgeen inhoudt dat de rechter vrij is in de keuze van bewijsmiddelen en waardering daarvan. Het bewijs kan eveneens gebaseerd zijn op vermoedens. Tussen partijen is niet in geschil dat toen de parkeercontroleur de auto van eiser zag staan er op dat moment geen laad- en losactiviteiten in of rond de auto konden worden waargenomen. Eiser heeft tegen die achtergrond niet aannemelijk gemaakt dat er desondanks sprake was van onmiddellijk laden en lossen. De door hem overgelegde getuigenverklaringen van hemzelf en van de heer E. Wiertsema zijn, nog daargelaten of die verklaringen voor juist moeten worden gehouden, daarvoor niet voldoende reeds omdat uit deze verklaringen niet valt op te maken dat eiser op die avond van de 27e januari uitsluitend bezig is geweest met het laden en lossen van een bed en het stilstaan van de auto niet langer heeft geduurd dan de tijd die daarvoor nodig was.”.

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is in geschil of op het in de aanslag genoemde tijdstip sprake was van parkeren in de zin van artikel 225 van de Gemeentewet en artikel 2, onderdeel a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2009 van de Gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening).

4.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Niet in geschil is dat voor het parkeren op de plek waar belanghebbendes auto stond op het desbetreffende tijdstip belasting diende te worden voldaan.

In artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening is, in overeenstemming met artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet, bepaald dat onder ‘parkeren’ moet worden verstaan ‘het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden’.

5.2. In hoger beroep verschillen partijen van mening of sprake was van het onmiddellijk lossen in de zin van de Verordening.

5.3. Het Hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak onder het onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet, dient te worden verstaan het - onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht - bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Uit de jurisprudentie volgt tevens dat – anders dan de heffingsambtenaar in eerste aanleg heeft betoogd – laden en lossen niet slechts het in of uit de auto brengen omvat, maar ook het halen of brengen ter plaatse.

5.4. In het onderhavige geval staat, als door belanghebbende gesteld en door de heffingsambtenaar niet, althans onvoldoende betwist, vast dat belanghebbende de auto tot stilstand heeft gebracht om vervolgens - samen met een medepassagier - een bed te lossen en in een woning te brengen. Het Hof acht aannemelijk dat een bed een goed van zodanige omvang en gewicht is dat het bezwaarlijk anders dan per auto kan worden vervoerd. Onder deze omstandigheden is sprake van het onmiddellijk lossen van een goed in de zin van de onder 5.1. aangehaalde bepaling.

5.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat de auto niet stond geparkeerd. De heffingsambtenaar – op wie in dezen de bewijslast rust – heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat de controleur niet heeft kunnen waarnemen dat de auto slechts op de Fokke Simonszstraat stilstond gedurende de tijd die nodig was en werd gebruikt voor het onmiddellijk lossen van het bed doet aan voormeld oordeel niet af, nu de vraag of sprake is van laden dient te worden beoordeeld aan de hand van de onder 5.3. opgenomen criteria.

Slotsom

5.6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

6. Kosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 7:15 respectievelijk artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op een bedrag totaal € 966, te weten kosten bezwaarfase € 161 (1 punt: bezwaarschrift x € 161 x wegingsfactor 1), de kosten van de beroepsfase € 483 (1,5 punt: beroepschrift en conclusie van repliek x € 322 x wegingsfactor 1) en kosten hoger beroep € 322 (1 punt: hoger beroepschrift x € 322 x wegingsfactor 1) .

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 966 en

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden de door deze voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten, in totaal € 151.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 18 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.