Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4749

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
24-11-2010
Zaaknummer
09-00371
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU5701, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tegen naheffingsaanslag omzetbelasting en boetebeschikking ingediend bezwaar, verzonden per koerier vanuit Zimbabwe naar Nederland, is te laat ingekomen. Het Hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat belanghebbende geen toereikende maatregelen heeft getroffen voor de verwerking van haar post tijdens de afwezigheid van haar directeuren. Het inschakelen van een koerier vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

Wetsverwijzingen
Algemene termijnenwet 1
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2740
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00371

11 november 2010

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/5703 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 maart 2007 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, berekend op € 1.020.249. Bij beschikking is tevens een boete van € 1.020.249 vastgesteld. Voorts is bij beschikking € 51.122 aan heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bij brief van 23 december 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 11 juli 2008 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 10 april 2009, verzonden op 14 april 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 mei 2009 en aangevuld bij brief van 21 juni 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Blijkens een uittreksel van 4 september 2008 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is belanghebbende met ingang van 2 januari 1995 gevestigd aan de A-straat 0 te Z. De enig aandeelhouder van belanghebbende is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V.B.A., gevestigd te P, België. Met ingang van 2 november 2001 zijn C en D directeuren van belanghebbende, beiden zelfstandig bevoegd.

2.2. In 2006 heeft belanghebbende de Belastingdienst medegedeeld dat het toezendadres E-straat 0 te S moest worden veranderd in A-straat 0 te Z. De adreswijziging is op 4 juni 2007 ingevoerd. De in het geding zijnde naheffingsaanslag, gedagtekend 27 maart 2007, is op 17 november 2007 op voormeld adres te Z ontvangen.

2.3. Het bezwaarschrift, gedateerd 23 december 2007, is namens C te R, Zimbabwe, ondertekend. Het is per procurationem getekend door D, omdat C in België was gedetineerd. D was naar Zimbabwe verhuisd.

In het bezwaarschrift is vermeld:

“Bovengenoemde aanslag, gedateerd 17-11-2007, heeft mij gisteren in Zimbabwe bereikt. Hierbij wens ik bezwaar aan te tekenen tegen deze aanslag. Onderbouwing van dit bezwaar zal worden geleverd na mijn terugkomst uit Afrika.”

Het bezwaarschrift is op 23 december 2007 aan de koeriersdienst F aangeboden en aldaar op 24 december 2007 geaccepteerd.

2.4. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen en voorzien van een stempelafdruk met de tekst:

“BINNENGEKOMEN

10.01.08 00335

B/CFD Amsterdam”

2.5. Tot de stukken behoort een verklaring van F, voorzien van een stempel “ZIMPOST (…) 19 MAY 2009 R”, waarin is vermeld:

“To Whom It May Concern:

This letter confirms that our customers using F Services to The Netherlands are informed that delivery of items sent will be in three working days after acceptance of such items.

Further handling in this case is supplied bij G.

We have no history of complaints whatsoever that these delivery times were not met in the past and cannot imagine this to be the case.”

Het stuk is voorzien van een handtekening en het onderschrift:

“H

The supervisor.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“4. De naheffingsaanslag OB 2005 is gedagtekend 27 maart 2007. Niet in geschil is dat eiseres (Hof: belanghebbende) eerst op 17 november 2007 bekend is geworden met de aanslag en boetebeschikking, omdat deze eerst op dat moment op het juiste adres van eiseres zijn aangekomen.

De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is aangevangen op 18 november 2007 en eindigde (met toepassing van de Algemene Termijnenwet) op 31 december 2007.

Niet in geschil is dat eiseres het bezwaarschrift op 23 december 2007, dus voor het einde van de zeswekentermijn, ter post heeft bezorgd en dat verweerder (Hof: de inspecteur) het bezwaarschrift op 10 januari 2008 heeft ontvangen. Hiermee is niet voldaan aan de eis dat het bezwaarschrift binnen een week voor het einde van de termijn (Hof: bedoeld zal zijn: niet later dan een week na afloop van de termijn) door verweerder ontvangen moet zijn. Het bezwaar is dan ook te laat ingediend.

5. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat het bezwaarschrift in Zimbabwe ter post is aangeboden en dat het te laat ontvangen van het bezwaarschrift door verweerder is te wijten aan een vertraagde verwerking en bezorging van de verschillende postondernemingen. Ter zitting heeft de directeur van eiseres hier nog aan toegevoegd dat post uit Zimbabwe er normaliter vijf werkdagen over doet voordat het in Nederland op de plaats van bestemming is. Dit heeft verweerder ter zitting gemotiveerd weersproken, waarbij hij heeft aangevoerd dat de juistheid van de stelling van eiser nergens uit blijkt en dat hij verwacht dat een postzending vanuit Zimbabwe naar Nederland ten minste één tot twee weken onderweg is.

6. Nu eiser zijn stelling niet met concrete feiten of nadere stukken heeft onderbouwd, acht de rechtbank niet aannemelijk dat in dit geval sprake is van een in de sfeer van de (internationale) postbezorging gelegen omstandigheid van zodanig abnormale aard, dat deze niet aan eiser kan worden toegerekend. Het risico dat een bezwaarschrift dat acht dagen voor het verstrijken van de termijn in Zimbabwe ter post is bezorgd niet voor het einde van de termijn ter bestemde plaatse aankomt is daarom voor risico van eiseres.

7. Ter zitting heeft de directeur van eiseres nog aangevoerd dat hij op het moment dat de naheffingsaanslag werd ontvangen gedetineerd was in België. Daarom moest het bezwaarschrift door zijn zakenpartner vanuit Zimbabwe worden verzonden. Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag OB 2005 en de boetebeschikking zou volgens hem echter wel tijdig bij verweerder zijn binnengekomen, indien verweerder de naheffingsaanslag direct naar het juiste postadres had verzonden. Anders dan eiseres meent maakt vorenstaande de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het lag op de weg van eiseres om adequate maatregelen te treffen met betrekking tot de ontvangst en verwerking van de post in Nederland in de periode dat de directeur van eiseres niet aanwezig was. Dat eiseres dit heeft nagelaten moet voor haar risico komen.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar is verklaard.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De naheffingsaanslag is gedagtekend 27 maart 2007, doch is – naar tussen partijen niet in geschil is – eerst op 17 november 2007 door belanghebbende ontvangen. In verband met de omstandigheid dat de door belanghebbende gemelde adreswijziging niet tijdig door de Belastingdienst is verwerkt, volgt het Hof, evenals de rechtbank, partijen in hun standpunt dat de naheffingsaanslag eerst op zaterdag 17 november 2007 aan belanghebbende is bekendgemaakt.

6.2. Ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), eindigde de bezwaartermijn in beginsel op zaterdag 29 december 2007. Uit artikel 1 van de Algemene termijnenwet volgt dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Nu maandag 31 december 2007 bij besluit van de Minister van Justitie van 26 november 2003, nr. 03.004876, is gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag en de Nieuwjaarsdag in artikel 3, eerste lid, van genoemde wet als algemeen erkende feestdag is aangewezen, eindigde de bezwaartermijn op woensdag 2 januari 2008.

6.3. Tegenover de gemotiveerde stelling van de inspecteur dat het bezwaarschrift op 10 januari 2008 is ontvangen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaar uiterlijk 2 januari 2008 bij de Belastingdienst is ingekomen.

Voor zover de stelling van belanghebbende aldus moet worden verstaan dat het bezwaarschrift één dag eerder, op 9 januari 2008, zou zijn ontvangen stelt het Hof vast dat dit belanghebbende niet zou baten. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het bezwaarschrift niet per post is verzonden, maar door middel van een koerier. Artikel 6:9, tweede lid, Awb kan blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 8 oktober 2004, nr. 39417, BNB 2004/434) in dat geval geen toepassing vinden.

6.4. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaarschrift achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Belanghebbende voert hiertoe aan dat zij passende maatregelen heeft getroffen door een medebewoonster van het pand A-straat 0 te Z te vragen ongeveer eenmaal in de tien dagen de post van belanghebbende door te zenden naar directeur D in Zimbabwe. Nadat D het aanslagbiljet op 22 december 2007 had ontvangen, stelde hij in overleg met C een bezwaarschrift op en bood hij dit op 23 december 2007 ter verzending bij de koeriersdienst aan.

6.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende hiermee niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in verzuim is geweest. Het feit dat het aanslagbiljet eerst vijf weken na de datum van bekendmaking door de indiener van het bezwaarschrift – D – is ontvangen, waardoor slechts betrekkelijk weinig tijd resteerde om vanuit Zimbabwe tijdig bezwaar te maken, is het directe gevolg van de omstandigheid dat belanghebbende geen toereikende maatregelen heeft getroffen voor de verwerking van haar post tijdens de afwezigheid van haar directeuren. Gelet op deze omstandigheid kan artikel 6:11 van de Awb geen toepassing vinden.

Hieraan doet niet af dat belanghebbende, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, de duurste verzendwijze – verzending per koerier – heeft gekozen. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het onder 6.3 vermelde arrest, is het inschakelen van een koerier onvoldoende grond voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

Voormeld oordeel geldt ook voor zover het bezwaar was gericht tegen de aan belanghebbende opgelegde boete.

6.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, A. Bijlsma en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 11 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.