Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
200.054.941/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing geding bij faillissement. Geen ontslag van instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

PLAYLOGIC INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: onttrokken (voorheen mr. R.A. Oskamp, te Amsterdam),

t e g e n

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISIONVALE LTD,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BURUT CO,

gevestigd te Voronezh, Russische Federatie,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. J.J. van der Goen, te Soest.

1. Het geding in hoger beroep

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 13 april 2010.

De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

Appellante is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van

3 augustus 2010 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.R. van Zanten, advocaat te Amsterdam, tot curator.

Bij exploot van 17 september 2010 hebben geïntimeerden de curator opgeroepen tot overneming van het geding. De curator is niet verschenen.

Bij akte van 12 oktober 2010 hebben geïntimeerden ontslag van instantie verzocht.

Appellante is in de gelegenheid gesteld bij akte te antwoorden, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Arrest is bepaald op heden.

2. Beoordeling

De vorderingen in eerste aanleg

2.1 Geïntimeerden hebben in eerste aanleg in conventie vorderingen ingesteld die deels strekken tot nakoming van verbintenissen uit de boedel (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 2 en 6) en deels tot het geven van andere veroordelingen (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 1 en sub 3 tot en met 5).

2.2 Appellante heeft in eerste aanleg in reconventie diverse vorderingen ingesteld (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.3).

2.3 De wederzijdse vorderingen hebben betrekking op een tussen partijen gesloten overeenkomst (Software Development Agreement) en de vraag bij wie bepaalde auteursrechten berusten.

2.4 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van geïntimeerden in hoofdzaak toegewezen en in reconventie de vorderingen van appellante afgewezen.

De vorderingen in hoger beroep

2.5 Ten aanzien van de conventionele vorderingen van geïntimeerden geldt het volgende.

2.6 Ten aanzien van de vorderingen die strekken tot voldoening van nakoming van verbintenissen uit de boedel (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 2 en 6) is het geding ingevolge het bepaalde in artikel 29 Fw van rechtswege geschorst. De vorderingen dienen ter verificatie te worden aangemeld. Het geding wordt in zoverre alleen voortgezet indien de verificatie van de vorderingen wordt betwist.

2.7 Ten aanzien van de overige vorderingen (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 1 en sub 3 tot en met 5) volgt uit het bepaalde in artikel 28 lid 4 Fw dat het geding kan worden voortgezet.

2.8 Ten aanzien van de reconventionele vorderingen van appellante geldt het volgende.

2.9 Nu de curator is opgeroepen en het geding niet heeft overgenomen, hebben geïntimeerden ingevolge artikel 27 lid 2 Fw het recht ontslag van instantie te vragen. Zij hebben daarom verzocht.

2.10 Bij de beoordeling van dat verzoek staat voorop dat artikel 27 lid 2 Fw niet dwingt tot toewijzing daarvan.

Onder omstandigheden mag de rechter het verzoek afwijzen.

Voor afwijzing is in ieder geval reden indien toewijzing in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is onder meer sprake indien beide partijen over en weer vorderingen (in conventie en in reconventie) hebben ingesteld en die vorderingen zodanig zijn verweven dat de band tussen beide vorderingen niet zonder noodzaak dient te worden verbroken.

2.11 De onder 2.10 bedoelde verwevenheid doet zich in dit geval voor. Dat brengt mee dat het verzoek tot ontslag van instantie behoort te worden afgewezen. Het geding kan ingevolge het bepaalde in artikel 27 lid 2 Fw buiten bezwaar van de boedel worden voortgezet.

2.12 Het hof gaat behoudens andersluidend rolverzoek ervan uit dat geïntimeerden bij deze stand van zaken wensen dat de zaak voor langere tijd zal worden aangehouden. Op verzoek van een van partijen kan de zaak bij vervroeging op de rol worden geplaatst.

2.13 De slotsom is dat ten aanzien van de wederzijdse vorderingen moet worden beslist zoals hierna zal worden aangegeven. Voor een kostenveroordeling is thans nog geen plaats.

3. Beslissing

Het hof:

3.1 verstaat dat het geding van rechtswege is geschorst ten aanzien van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van geïntimeerden die strekken tot nakoming van verbintenissen uit de boedel (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 2 en 6);

3.2 verstaat dat het geding kan worden voortgezet ten aanzien van de overige in eerste aanleg ingestelde vorderingen van geïntimeerden (zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder 3.1, sub 1 en sub 3 tot en met 5);

3.3 wijst af het verzoek tot ontslag van instantie ten aanzien van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van appellante;

3.4 verstaat dat het geding ten aanzien van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van appellante buiten bezwaar van de boedel kan worden voortgezet;

3.5 verwijst de zaak naar de rol van 22 november 2011 voor memorie van grieven;

3.6 houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, R.J.M. Smit en D.J. van der Kwaak en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 16 november 2010.