Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO2043

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
200.022.194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid leasenemer voor verduistering door weknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.022.194 en 200.012.658

zaaknummer rechtbank 529269

arrest van de vijfde civiele kamer van 2 november 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Business Lease B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M. J. Weerman Bloemengroothandel B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar het tussenarrest van 7 april 2007 dat in de zaak met zaaknummer 200.022.194 gewezen. Daarbij heeft het hof op vordering van Business Lease voeging gelast met de zaak met zaaknummer 200.012.658.

1.2 Bij memorie van grieven heeft Business Lease vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen voor zover gewezen tegen Weerman zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, Weerman alsnog zal veroordelen aan Business Lease te betalen, des dat de oorspronkelijk andere gedaagden [Bedrijf X] of [X] betalende Weerman (het hof leest:) daardoor zal zijn gekweten, het door de kantonrechter bij genoemde vonnissen bewezen verklaarde schadebedrag ad in totaal € 88.930,06, zulks nog te vermeerderen met de contractuele rente over het bedrag van € 80.448,45 vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg, zijnde 5 juni 2007, tot en met die der algehele voldoening, één en ander met veroordeling van Weerman in de kosten van beide instanties.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft Weerman de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen, zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, zal bekrachtigen voor zover deze in appel zijn bestreden en Business Lease bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest zal veroordelen in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep.

1.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De grieven

Business Lease heeft vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

3. De vaststaande feiten

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan vast de door de rechtbank vastgestelde feiten, met uitzondering van hetgeen de kantonrechter onder 1.3 heeft vastgesteld.

3.2 Samengevat gaat het in deze procedure om het volgende.

Weerman heeft een auto - merk Mercedes- geleased van Business Lease. Het betreft zogenaamde operational lease. De orderbevestiging daartoe is op 23 november 2004 door de toenmalig financieel directeur van Weerman -[X] (verder: [X])- ondertekend. Daarin is opgenomen dat [X] de berijder van de auto zal zijn. Het leasecontract tussen Weerman en Business Lease -nummer [nummer]- is ingegaan op 29 november 2004 en heeft een looptijd van 48 maanden. Ook in het leasecontract is opgenomen dat [X] de berijder van de auto is.

[X] heeft in maart 2006 de auto afgegeven aan een zekere [Y]. Deze heeft de auto vervolgens verkocht en getransporteerd naar Libië. Toen [X]

hiervan kort daarna op de hoogte raakte heeft hij dit niet gemeld aan Business Lease.

[X] is op 21 september 2006 door Weerman geschorst en vervolgens is de arbeidsovereenkomst per 15 oktober 2006 beëindigd. Ter afwikkeling van hun relatie hebben Weerman en [X] in oktober 2006 een overeenkomst gesloten waarbij [X] zich heeft verbonden om de leaseovereenkomst betreffende de Mercedes Benz over te nemen. Partijen hebben zich hiertoe tot Business Lease gewend. [Bedrijf X] -de besloten vennootschap van [X]- heeft vervolgens op 24 november 2006 een zogenaamde mantelovereenkomst gesloten met Business Lease. Daarop is door [Bedrijf X] op 21 december 2006 de door Business Lease gezonden orderbevestiging voor akkoord getekend. Vervolgens is op 5 januari 2007 een leasecontract -nummer [nummer]- betreffende genoemde Mercedes Benz tussen Business Lease en [Bedrijf X] tot stand gekomen. De daarbij overeengekomen leasetermijnen -€ 1.974,74- zijn afwijkend van de voordien door Weerman verschuldigde leasetermijnen ad. € 2.289,04. Van de zijde van [Bedrijf X] en [X] is toen niet aan Business Lease gemeld dat de Mercedes Benz zich buiten de macht van [X] bevond. Weerman heeft haar financiële verplichting jegens Business Lease voldaan tot de datum van ingang van de leaseovereenkomst met [Bedrijf X]. Zij heeft ook namens [Bedrijf X] de waarborgsom aan Business Lease betaald.

Op 6 januari 2007 heeft [X] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning en tegenover de politie verklaard dat daarbij de autosleutels van eerder genoemde Mercedes, inclusief kentekenbewijs deel I en II zijn ontvreemd en dat bij navraag is gebleken dat deze Mercedes is weggenomen vanaf het parkeerdek van de bloemenveiling te Aalsmeer. [X] heeft tegenover CED Forensic B.V. -ingeschakeld door verzekeraar FBTO- verklaard dat hij de auto op 19 oktober 2006 op dit parkeerdek had geparkeerd. Later heeft hij tegenover de verzekeraar verklaard: “Het is dus juist dat ik op het moment dat ik aangifte deed van de inbraak in mijn woning (…) wist dat mijn personenauto (d.i. de eerder genoemde Mercedes, toevoeging hof) zich vanaf maart 2006 in Libië bevond.” De verzekeraar van Business Lease -FBTO- heeft daarop geen dekking verleend.

4. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Business Lease heeft in verband met het bovenstaande Weerman, [Bedrijf X] en [X] aangesproken tot betaling van de schade. De kantonrechter heeft -kort gezegd- de vordering tegen [Bedrijf X] en [X] toegewezen en vordering tegen Weerman afgewezen. Het hoger beroep van Business lease is gericht tegen de afwijzing van de vordering jegens Weerman.

4.2 Anders dan de kantonrechter heeft overwogen is het hof van oordeel dat [Bedrijf X]

de leaseovereenkomst met betrekking tot de Mercedes niet van Weerman heeft overgenomen als bedoeld in artikel 6:159 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). [Bedrijf X] is niet getreden in de contractuele positie van Weerman. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat [Bedrijf X] op 24 november 2006 een Mantelovereenkomst met Business Lease heeft gesloten en vervolgens een nieuw leasecontract -met een nieuw contractsnummer- betreffende de Mercedes. De daarbij overeengekomen leasetermijnen zijn afwijkend van de leasetermijnen in de leaseovereenkomst met Weerman. Het hof merkt in dit verband nog op dat Weerman geen akte -vereist voor een contractsovername als bedoeld in artikel 6:159 BW- in het geding heeft gebracht en daarmee haar stelling dat hiervan sprake zou zijn onvoldoende heeft onderbouwd. Aldus slaagt grief I

4.3 De kantonrechter heeft -terecht- geoordeeld dat [X] door zijn handelwijze met betrekking tot de geleasede Mercedes onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Business Lease. Ook Weerman gaat daar vanuit. [X] heeft de -via Business Lease- door zijn werkgever Weerman aan hem ter beschikking gestelde auto verduisterd. Voor de schade die hierdoor bij Business lease is ontstaan is [X] op grond van artikel

6:162 BW aansprakelijk. Ingevolge artikel 6:170 BW is ook Weerman als werkgever aansprakelijk voor deze schade. Business lease heeft artikel 6:170 BW echter niet aan haar vordering ten grondslag gelegd. Ingevolge artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. Nu deze grondslag door Business Lease niet is aangevoerd en ook geen onderdeel van het debat tussen partijen is geweest, kan een beslissing op deze grondslag voor Weerman verrassend zijn zodat het in de rede ligt dat Weerman zich hierover eerst kan uitlaten. Het hof zal Weerman hiertoe echter niet in de gelegenheid stellen omdat ook op de wel door Business Lease aangevoerde grondslag de vordering jegens Weerman toewijsbaar is. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

4.4 Uit hetgeen onder 3.2 en 4.2 is overwogen volgt dat de leaseovereenkomst tussen Business Lease en Weerman betreffende de Mercedes per 1 oktober 2006 is beëindigd. Weerman heeft niet betwist dat op hun leaseverhouding -het betreft operational lease- de bepalingen betreffende de huur -boek 7 titel 4 BW - van toepassing zijn. Business Lease heeft in dit verband een beroep gedaan op de artikelen 7:218 en 7:222 BW.

Bij de beëindiging van de leaseovereenkomst per 1 oktober 2006 was Weerman gehouden de Mercedes weer ter beschikking te stellen aan Business Lease, zie artikel 7:224 BW alsmede artikel 16 lid 1 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Business lease is er toen van uitgegaan dat de Mercedes zich nog onder [X] -de berijder van de auto- bevond en dat daarin geen wijziging behoefde plaats te vinden in verband met de daarop onmiddellijk aansluitende leaseovereenkomst met [Bedrijf X]. Vast staat dat [X] op dat moment niet meer de feitelijke macht over de auto had zodat hij -via [Bedrijf X]- de Mercedes ook niet is gaan houden voor Business Lease. Aldus moet worden geconcludeerd dat Weerman bij het einde van de leaseovereenkomst de Mercedes niet -via [X] en [Bedrijf X]- weer ter beschikking heeft gesteld aan Business Lease. Weerman is dus tekortgeschoten in haar verplichting jegens Business Lease. Deze tekortkoming kan aan Weerman worden toegerekend nu [X] de Mercedes met haar toestemming in gebruik had, zie artikel 7:219 BW. Het hof merkt op dat Weerman ook niet heeft aangevoerd dat het handelen met betrekking tot de Mercedes van haar werknemer [X] niet voor haar risico komt. Weerman is derhalve in beginsel aansprakelijk voor de door Business lease geleden schade.

4.5 Weerman heeft gesteld dat bij de afrekening per 1 oktober 2006 aan haar finale kwijting is verleend althans dat zij daar gerechtvaardigd op heeft vertrouwd. Business Lease heeft deze stelling gemotiveerd bestreden. Weerman heeft deze stelling vervolgens op geen enkele wijze nader onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij gaat. Het hof merkt hierbij op dat, zo een finale kwijting zou moeten worden aangenomen, het beroep van Business Lease op dwaling zou zijn gehonoreerd. Beide partijen zijn er daarbij dan vanuit gegaan dat de Mercedes zich nog onder [X] bevond waarmee Weerman zou hebben voldaan aan haar verplichting tot het weer ter beschikking stellen van de Mercedes aan Business Lease. Aldus zou er sprake zijn geweest van wederzijdse dwaling die naar het oordeel van het hof niet voor rekening van Business Lease behoort te blijven, zie artikel

6:228 lid 1 sub c en lid 2 BW.

4.6 Uit het bovenstaande volgt dat Weerman aansprakelijk is voor de door Business Lease geleden schade. Hetgeen Business Lease daartoe in haar grieven nog heeft aangevoerd behoeft daarmee geen nadere bespreking meer.

De devolutieve werking van het appel brengt mee dat thans ook de overige -in appel niet prijsgegeven- verweren uit de eerste aanleg aan de orde komen.

4.7 Weerman heeft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden betwist. In zowel de door Weerman gesloten mantelovereenkomst als het leasecontract wordt op duidelijke wijze naar deze voorwaarden verwezen. Nu Weerman geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat de algemene voorwaarden ondanks deze duidelijke verwijzingen niet van toepassing zijn gaat het hof aan deze stelling voorbij. Hetzelfde gaat op voor -zo begrijpt het hof de stellingen van Weerman- dat het beroep op de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Business Lease haar thans aanspreekt. Weerman voert ook hiertoe geen relevante feiten en omstandigheden aan.

4.8 In eerste aanleg heeft Weerman de omvang van de gevorderde schadevergoeding betwist. Bij vonnis in eerste aanleg van 21 mei 2008 is Business Lease in de gelegenheid gesteld de gevorderde schadevergoeding nader te onderbouwen. Business Lease heeft dit vervolgens ook gedaan bij akte van 16 juli 2008. Weerman heeft op deze nadere onderbouwing niet meer gereageerd omdat in het vonnis van 21 mei 2008 de vordering van Business Lease op haar reeds was afgewezen. De vordering van Business Lease in hoger beroep is gebaseerd op de nadere onderbouwing in de akte van 16 juli 2008. Weerman heeft deze onderbouwing in hoger beroep niet betwist zodat deze schade vast staat.

Slotsom

4.9 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden vonnissen van 21 mei 2008 en 26 november 2008, voor zover tegen Weerman gewezen, moeten worden vernietigd en dat de vordering van Business Lease op Weerman alsnog moet worden toegewezen. Weerman zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 21 mei 2008 en 26 november 2008 voor zover tussen Business Lease en Weerman gewezen en doet opnieuw recht;

veroordeelt Weerman om aan Business Lease te betalen, aldus dat wanneer [X] of [Bedrijf X] betalen Weerman tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, het bedrag van

€ 88.9360,06, te vermeerderen met de contractuele rente over het bedrag van € 80.448,45 vanaf 5 juni 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Weerman in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Business Lease voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 1.200,- voor salaris,

€ 199,- voor griffierecht en € 70,85 voor kosten van het exploot, en voor wat betreft het hoger beroep tot aan deze uitspraak begroot op € 3.262,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 508,- voor griffierechten en op € 143,60 voor explootkosten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. P. Fokker, H. Wammes en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2010.