Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO1690

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
04/02821
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De navorderingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met een tussen de inspecteur en belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin is opgenomen dat afstand wordt gedaan van het aanwenden van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep. Indien een belanghebbende stelt dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen dient de belastingrechter de juistheid van die stelling te kunnen beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2536
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van wijlen [X], laatst wonende te [Z], belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi, kantoor Amersfoort, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Op 16 juli 2004 is ter griffie een beroepschrift ontvangen, ingediend door mr. S. Bharatsingh te Hilversum, gemachtigde. Het beroepschrift is bij schrijven van 27 april 2005 door de gemachtigde gemotiveerd.

1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1999, uitkomende op een te betalen bedrag van f 25.508.

1.3. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag is bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 7 juli 2004, niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Het beroep strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslag en vergoeding van proceskosten.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel (subsidiair) ongegrond verklaren van het beroep.

1.6. Gelijktijdig met het onderhavige beroepschrift zijn ter griffie door de gemachtigde ingediende beroepschriften ontvangen betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen. De beroepschriften zijn ingeschreven onder de kenmerknummers 04/02810 tot en met 04/02859. In het beroep met kenmerk 04/02823 is op 14 maart 2006 uitspraak gedaan en in het beroep met kenmerk 04/02822 op 27 maart 2009. De beroepen met kenmerk 04/02826 en 04/02838 zijn bij brief van 10 september 2007 door een andere gemachtigde overgenomen.

De gemachtigde heeft op 22 juli 2004 en 19 en 24 augustus 2004 beroepen ingesteld betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen, welke zijn ingeschreven onder respectievelijk kenmerk 04/02982, 04/02986, 04/03325 en 04/03373.

1.7. De hierna genoemde stukken zijn door de gemachtigde in enkelvoud ingediend ten behoeve van alle voornoemde beroepen gezamenlijk, tenzij anders is vermeld.

1.8. Bij brief van 30 september 2005 heeft de gemachtigde een conclusie van repliek ingezonden. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.9. Van het verhandelde ter zitting van 3 februari 2006 in de procedure met kenmerk 04/02853 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 7 december 2007 aan partijen is gezonden. De eveneens voor 3 februari 2006 geplande onderzoeken ter zitting in de overige beroepen zijn op verzoek van de gemachtigde uitgesteld. Naar aanleiding van het ter zitting namens de gemachtigde ingediende verzoek zijn al deze beroepen hierna gezamenlijk behandeld, in verband waarmee de gemachtigde op 8 februari 2006 kopieën van aan de inspecteur gerichte brieven naar het Hof heeft ingestuurd, alsmede een brief aan het Hof met daarin een verzoek tot openbaarmaking van het door de Belastingdienst gehanteerde Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Voorts is in deze brief vermeld dat de door de gemachtigde ingediende stukken mede betrekking hebben op de door mr. L.M. Lalji ingediende beroepen betreffende in het kader van het Rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen en daarbij genomen boetebeschikkingen, welke beroepen bij het Hof zijn ingeschreven onder de kenmerknummers 04/02749 tot en met 04/02757 en 04/03175.

1.10. De griffier heeft partijen bij brief van 15 februari 2006 meegedeeld dat de Eerste Meervoudige Belastingkamer het beroep voor wat betreft de "8:29/8:42-procedure" heeft verwezen naar de Derde Meervoudige Belastingkamer. Hiertoe is door de Eerste Meervoudige Belastingkamer het volledige procesdossier aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gesteld.

1.11. Voor het verloop van de 8:29/8:42-procedure verwijst het Hof naar hetgeen daarover is opgenomen in de door de Derde Meervoudige Belastingkamer gedane tussenuitspraak van 20 juni 2006 (hierna: de tussenuitspraak). In de tussenuitspraak is geoordeeld dat een beperking van de kennisname van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven tot in de uitspraak aangegeven gedeelten (hierna: de Amsterdamse versie) gerechtvaardigd moet worden geacht. Vervolgens heeft de inspecteur de gemachtigde de Amsterdamse versie doen toekomen.

Na verzending van de tussenuitspraak is het procesdossier weer ter beschikking gesteld aan de Eerste Meervoudige Belastingkamer. Die kamer heeft geen kennis genomen van de aan de Derde Meervoudige Belastingkamer ter beschikking gestelde integrale versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, welke versies in verzegelde enveloppen op het gerechtshof worden bewaard. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van het beroep weer overgenomen.

1.12. In verband met de vaststelling van data voor nadere onderzoeken ter zitting en verzoeken van de gemachtigde getuigen en deskundigen te horen en de inspecteur te gelasten nadere stukken over te leggen zijn na te noemen brieven verzonden:

- door de gemachtigde: gedagtekend 12 oktober 2006, 16 november 2006, 21 november 2006, 1 december 2006, 4 december 2006, 14 december 2006, 21 december 2006, 9 januari 2007, 15 januari 2007 en 31 januari 2007;

- door de inspecteur: gedagtekend 4 januari 2007 en

- door de griffier: gedagtekend 8 november 2006, 17 november 2006, 18 december 2006, 15 januari 2007 en 22 januari 2007.

1.13. Van het verhandelde ter zittingen van 15 december 2006, 2 februari 2007 en 2 maart 2007 zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften op respectievelijk 15 januari 2007, 14 februari 2007 en 15 maart 2007 aan partijen zijn gezonden. Een afschrift van het proces-verbaal van de als getuige afgelegde verklaring van A.J. Apeldoorn op 2 februari 2007 is op 12 februari 2007 aan partijen gezonden. Bij brief van 8 maart 2007 heeft de griffier de in die brief genoemde stukken naar de gemachtigde gezonden.

1.14. De griffier heeft bij brief van 5 maart 2007 partijen in de gelegenheid gesteld opgaaf te doen van eventueel door hen te leveren getuigenbewijs. De inspecteur heeft telefonisch laten weten van deze gelegenheid geen gebruik te maken. De gemachtigde heeft deze opgaaf gedaan bij brief van 30 maart 2007. Bij brief van 24 mei 2007 heeft de griffier meegedeeld dat het Hof het verzoek tot het horen van deze getuigen heeft afgewezen.

1.15. Op 22 maart 2007 heeft de gemachtigde een nader stuk ingezonden met betrekking tot het gebonden zijn van belanghebbende aan de (onder de feiten omschreven) vaststellingsovereenkomst. De inspecteur heeft hierop gereageerd door middel van een nader stuk van 25 april 2007 waarvan de gemachtigde een afschrift heeft ontvangen.

1.16. Bij brief van 6 november 2007 heeft de gemachtigde een nader stuk ingestuurd, waarvan een afschrift bij brief van 8 november 2007 aan de inspecteur is gezonden.

1.17. Aan het onderzoek ter zitting van 16 november 2007 zijn toegevoegd de door de gemachtigde ingediende beroepen van 24 januari 2005 en 31 januari 2005, respectievelijk ingeschreven onder kenmerk 05/00561, 05/00645 en 05/00646, welke beroepen eveneens betrekking hebben op aanslagen en beschikkingen opgelegd in het kader van het Rekeningenproject. De hiervoor en de hierna genoemde door de gemachtigde ingediende stukken worden geacht mede betrekking te hebben op deze beroepen. Het onderzoek ter zitting van 16 november 2007 is geschorst in verband met een door de gemachtigde ingediend verzoek tot wraking van de zitting hebbende leden van de Eerste Meervoudige Belastingkamer, welk verzoek door de Eerste Meervoudige Burgerlijke Kamer (wrakingskamer) bij beschikking van 16 november 2007, nr. R07/1278, ongegrond is verklaard. Na hervatting van het onderzoek is op verzoek van de gemachtigde de door hem meegebrachte S. Roels als getuige gehoord. Het proces-verbaal van de door S. Roels afgelegde verklaring is ter zitting aan partijen uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 8 januari 2008 aan partijen is gezonden.

1.18. Op 19 december 2007 heeft de gemachtigde een aanvullend materieel beroepschrift ingezonden. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 29 januari 2008. Een afschrift hiervan is bij brief van 1 februari 2008 naar de wederpartij gezonden.

1.19. Van het verhandelde ter zitting van 22 februari 2008 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden bij brief van 9 mei 2008. In reactie op een brief van de griffier van 9 mei 2008 heeft de gemachtigde bij brief van 15 mei 2008 meegedeeld dat zijn ter zitting van 22 februari 2008 gedane mededeling dat hij de verdediging staakt niet meebrengt dat hij in de onderhavige beroepen geen gemachtigde meer is.

1.20. Bij brief van 4 april 2008 heeft mr. Lalji een afschrift ingezonden van een ontvangstbevestiging van de Europese Commissie inzake een door de gemachtigde op 25 maart 2008 naar de Europese Commissie gestuurde brief over Belastingen/Douane.

1.21. Bij brief van 23 mei 2008 heeft de gemachtigde verzocht tot heropening van het onderzoek in verband met de door de Hoge Raad op 25 april 2008 gewezen arresten inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij brief van 30 mei 2008 heeft het Hof dit verzoek afgewezen en de brief geretourneerd.

Bij brief van 23 juni 2008 heeft de griffier partijen bericht dat het onderzoek zal worden heropend in verband met het door de Hoge Raad op 9 mei 2008 gewezen arrest nr. 41.255, gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN BD1042.

De gemachtigde is daarbij verzocht bescheiden over te leggen en zijn verzoek tot het horen van getuigen te specificeren. In dit kader zijn na te noemen brieven verzonden:

- door mr. Lalji: gedagtekend 24 juli 2008 en 10 september 2008;

- door de gemachtigde: gedagtekend 30 juni 2008, 9 juli 2008, 3 september 2008 en 15 oktober 2008 alsmede

- door de griffier: gedagtekend 2 juli 2008, 29 augustus 2008, 29 september 2008 en 10 oktober 2008.

De griffier heeft bij brief van 20 oktober 2008 meegedeeld dat het Hof het gedane aanbod heeft afgewezen.

1.22. In voormelde brief van 20 oktober 2008 heeft de griffier verwezen naar de telefonisch gemaakte afspraak met de gemachtigde om op 17 december 2008 om 10.00 uur een nader onderzoek ter zitting te houden, waarbij mede is gewezen op de gewijzigde samenstelling van de kamer. De formele uitnodiging ter zitting te verschijnen is partijen toegezonden bij brief van 21 oktober 2008, waarbij als bijlage een lijst met namen van de belanghebbenden en kenmerknummers van de beroepen is gevoegd.

Bij faxbericht van 22 oktober 2008 heeft de gemachtigde bericht dat al zijn cliënten hem te kennen hebben gegeven de zitting te willen bijwonen. In reactie hierop heeft de griffier bij brief van 30 oktober 2008 de daarop betrekking hebbende agendering toegezonden.

De inspecteur heeft bij brief van 31 oktober 2008 enkele correcties/aanvullingen op deze agendering gegeven, waarvan bij brief van 6 november 2008 een kopie aan de gemachtigde is gezonden.

De gemachtigde heeft bij brief van 26 november 2008 zijn standpunt nader toegelicht en aan de griffier bericht dat hij voornemens is voor de zitting van 17 december 2008 de belanghebbenden in de beroepen, ingeschreven onder nummer 04/02812, 04/02816, 04/02817 en 04/02830 mee te nemen naar de zitting om respectievelijk 09.00 uur, 10.00 uur, 11.00 uur en 13.30 uur, en dat hij vanaf 14.30 uur verhinderd is.

In reactie hierop heeft de griffier de gemachtigde bij brief van 28 november 2008 bericht dat het Hof geen reden ziet om af te wijken van de eerder verzonden agendering.

1.23. Het onderzoek ter zitting op 17 december 2008 is geschorst in verband met een door de gemachtigde ingediend verzoek tot wraking van mrs. Onnes en Goes, respectievelijk voorzitter en lid van de Eerste Meervoudige Belastingkamer, welk verzoek door de Eerste Meervoudige Burgerlijke Kamer (wrakingskamer) bij beschikking van 17 december 2008, nr. 200.020.889/01, niet-ontvankelijk is verklaard, waarna het onderzoek ter zitting is hervat. Van het verhandelde ter zitting van 17 december 2008 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij brief van 6 februari 2009 aan partijen is verzonden. De bij het proces-verbaal behorende bijlage is bij brief van 9 februari 2009 aan partijen gezonden.

1.24. Ter zitting van 17 december 2008 heeft het Hof aan partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten, maar dat in verband met door de Hoge Raad gestelde vragen, zoals verwoord in zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA8179, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepassing van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), is besloten het beroep te splitsen in enerzijds een beroep inzake navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, lid 4, AWR en anderzijds een beroep inzake navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, lid 3, AWR. Gelet op het antwoord van het Hof van Justitie op deze vragen, zoals verwoord in het arrest van 11 juni 2009 onder nummer C-155/08 en C-157/08, LJN BI8987, ziet het Hof reden van dit besluit terug te komen.

1.25. Bij brief van 31 oktober 2008 heeft de inspecteur bericht dat belanghebbende op 25 oktober 2007 is overleden.

Ter zitting van 17 december 2008 is de namens de gemachtigde aanwezige mr. Lalji verzocht een verklaring van erfrecht in te zenden. Dit verzoek is bij de aan de gemachtigde gerichte brief van 9 januari 2009 herhaald.

De gemachtigde heeft in reactie daarop in zijn brief van 11 februari 2009 aangeven dat een door hem naar het adres van belanghebbende gezonden verzoek om een verklaring van erfrecht retour is gekomen met de aantekening "geadresseerde overleden". Voorts heeft hij in die brief gemeld dat zich tot dusver geen erfgenamen hebben gemeld. De inspecteur heeft op verzoek van de griffier bij brief van 24 februari 2009 het adres van een van de erfgenamen doorgegeven. De erven van belanghebbende hebben bij brief van 11 maart 2009 verklaard dat zij de procedure wensen voort te zetten met handhaving van mr. S. Bharatsingh als hun gemachtigde.

1.26. Bij brieven van 22 juli 2009 en 22 april 2010 heeft de gemachtigde verzocht tot heropening van het onderzoek. De griffier heeft bij brieven van respectievelijk 20 augustus 2009 en 6 mei 2010 aan de verzoeker bericht dat deze verzoeken zijn afgewezen.

1.27. De Eerste Meervoudige Belastingkamer heeft het beroep vervolgens ter verdere behandeling verwezen naar de Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer.

2. Geschil

2.1. De navorderingsaanslag waarop het geschil betrekking heeft is opgelegd in het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar houders van bankrekeningen, vermeld op door de Belgische autoriteiten bij brief van 27 oktober 2000 aan de Nederlandse belastingdienst verstrekte fotokopieën, het zogenaamde Rekeningenproject. In de uitspraak van dit Hof van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN BJ1298, is dit project nader omschreven en heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent een aantal algemene, dus niet specifiek op belanghebbende betrekking hebbende, geschilpunten naar aanleiding van de in het kader van dit project opgelegde (navorderings)aanslagen.

Dit oordeel komt er op neer dat de inspecteur niet gehouden is meer stukken in te brengen dan hij heeft gedaan, de op deze fotokopieën vermelde rekeningen betrekking hebben op bij de KB-Luxbank te Luxemburg aangehouden bankrekeningen en dat de fotokopieën als bewijsmiddel mogen worden gebruikt.

2.2. Noch de in het onderhavige geding ingebrachte stukken met betrekking tot deze algemene geschilpunten, noch hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, noch hetgeen de getuigen hebben verklaard tijdens de onder 1 vermelde getuigenverhoren, geeft het Hof reden voor een ander oordeel. Derhalve volstaat het Hof voor zijn beslissingen ten aanzien van die geschilpunten met een verwijzing naar zijn uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349.

2.3. Voor het onderhavige geschil resteert de vraag of tussen belanghebbende en de inspecteur een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst is gesloten.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is geboren in 1919. Zij is overleden op 25 oktober 2007.

3.2. In het kader van het hiervoor genoemde Rekeningenproject heeft de Belastingdienst belanghebbende op 22 maart 2002 inlichtingen gevraagd. In haar antwoord heeft belanghebbende verklaard dat zij in 1999 een rekening had geopend bij KBL in Duitsland met het rekeningnummer [09876543]. Aansluitend op dit antwoord heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek en aangegeven dat zij zich kon laten vergezellen door een vertegenwoordiger.

Het mede door belanghebbende voor juist en volledig getekende verslag van dit gesprek op 7 oktober 2002 vermeldt dat belanghebbende verklaarde dat zij persoonlijk met haar dochter een spaarrekening in Duitsland had geopend, dat zij de dagafschriften thuis ontving, dat de storting op de rekening deels uit contanten had bestaan, dat de rente en het tegoed niet waren aangegeven en dat zij de rekening in 2001 had opgeheven. Daarnaast heeft zij verklaard dat een vriendin mogelijk ooit nog een rekening in het buitenland had geopend, dat zij een brief zou sturen naar de buitenlandse bank en het resultaat zou meedelen aan de inspecteur. Belanghebbende heeft tijdens het gesprek een openingsbericht van de Deutsche Bank overgelegd.

3.3. Op 21 oktober 2002 heeft de Kredietbank Luxembourg op verzoek van belanghebbende diverse stukken aan haar toegestuurd waaronder een bevestiging dat een rekening met het nummer [123456] was geopend in 1990. Tot de stukken behoorden ook saldogegevens met betrekking tot dit rekeningnummer. Op 16 november 2002 heeft belanghebbende deze stukken aan de inspecteur toegezonden.

3.4. De inspecteur heeft na kennisneming van deze stukken een bedrag aan na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting berekend over de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede boeten (50% van de enkelvoudige belasting) en bedragen aan heffingsrente. Het totaalbedrag van deze berekening kwam uit op een te betalen bedrag van f 25.507.

3.5. Op 28 november 2002 heeft de inspecteur een vaststellingsovereenkomst aan belanghebbende verzonden waarin stond vermeld dat partijen uit praktische overwegingen waren overeengekomen het te betalen bedrag te laten heffen in één navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999. Voorts bevatte de overeenkomst de passage dat geen bezwaar en/of beroep zou worden aangetekend, dat belanghebbende was geïnformeerd over de op te leggen boete en dat zij voldoende tijd had gehad om zich te beraden. De hiervoor genoemde berekening was bij de overeenkomst gevoegd.

Op 9 december 2002 heeft belanghebbende de vaststellingsovereenkomst getekend en teruggestuurd naar de inspecteur.

3.6. De inspecteur heeft de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd met vaststelling van een vermogen op een zodanig bedrag dat daaruit een bedrag van f 25.508 aan verschuldigde belasting resteert. Het aanslagbiljet vermeldt geen afzonderlijk bedrag aan boete of heffingsrente.

3.7. In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 2 maart 2007 is onder meer het volgende opgenomen:

“* kenmerk 04/02821 Bij de Hoge Raad ligt de vraag of de vaststellingsovereenkomst geldig is. Ik stuur u mijn beroepschrift in cassatie toe."

In zijn brief van 22 maart 2007 heeft de gemachtigde onder meer het volgende opgenomen:

"Refererend aan de mondelinge zitting d.d. 2 maart jl., bericht ik u als volgt:

I. Ten aanzien van individuele belanghebbenden

Kenmerk BK 03/03663

Inzake mevrouw [A] gelieve u bijgaand op voorhand aan te treffen het beroepschrift in cassatie en de toelichting naar aanleiding van het verweerschrift van de staatssecretaris.”

De desbetreffende bijlage betrof het beroep in cassatie tegen de uitspraak van dit gerechtshof met kenmerk 03/03663 van mevrouw [A] en betreft de vraag of de door die belanghebbende en de inspecteur gesloten vaststellingsovereenkomst en de daarop gebaseerde navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 op rechtens juiste wijze tot stand zijn gekomen.

In zijn reactie op dit schrijven heeft de inspecteur bij brief van 25 april 2007 over de desbetreffende cassatieprocedure onder meer het volgende geschreven:

"Anders dan in de zaak waarvan de gemachtigde het beroepschrift in cassatie heeft overgelegd heeft (Hof: belanghebbende) de vaststellingsovereenkomst niet onmiddellijk na het voeren van een (intensief) gesprek ondertekend. Zij heeft (thuis) een schriftelijk aanbod gehad dat zij na kalm en rustig beraad eveneens schriftelijk heeft aanvaard."

4. Standpunten van parijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en de processen-verbaal van de zittingen.

5. Beoordeling van het geschil

Overwegingen van algemene aard

5.0.1. De gemachtigde heeft verzoeken van algemene aard ingediend. Het betreft:

* verzoeken tot heropening van het onderzoek, gedaan bij:

- brief van 23 mei 2008 onder verwijzing naar twee arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008 en

- brieven van 22 juli 2009 en 22 april 2010, onder verwijzing naar de arresten van respectievelijk het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009 (LJN BI8987) en van de Hoge Raad van 26 februari 2010 (LJN BJ9120), alsmede

* verzoeken tot het horen van getuigen, gedaan bij brieven van 30 maart 2007 en 15 oktober 2008 en

* diverse verzoeken tot aanhouding van het onderzoek, laatstelijk gedaan ter zitting van 17 december 2008, alwaar het Hof deze verzoeken heeft afgewezen onder opgaaf van de gronden daarvoor.

5.0.2. Het Hof wijst het verzoek om heropening van het onderzoek naar aanleiding van de door de gemachtigde genoemde arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008 af. Voor zover die arresten al op het onderhavige beroep betrekking kunnen hebben, verwijst het Hof naar onderdeel 5.0 van de onder 2.1 genoemde uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349. Voor toewijzing van een verzoek tot heropening van het onderzoek naar aanleiding van de door de gemachtigde genoemde arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 kan aanleiding bestaan als er sprake is van enige overschrijding van de vijfjaarstermijn, iets dat bij de in geschil zijnde navorderingsaanslag niet aan de orde is.

De ontvankelijkheid van het beroep en het bezwaar

5.1. Indien een belanghebbende stelt dat een vaststellingsovereenkomst (met daarin zoals in casu de passage dat geen bezwaar en/of beroep zou worden aangetekend) niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, moet hij deze stelling kunnen voorleggen aan de belastingrechter. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur dan ook ten onrechte gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard en heeft hij evenzeer ten onrechte belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. De uitspraak op bezwaar dient dan ook reeds daarom te worden vernietigd.

Omdat de door de inspecteur uitgesproken niet-ontvankelijkheid uitsluitend gebaseerd is op het al dan niet gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst en het Hof dit geschilpunt ten gronde zal beoordelen is er geen reden tot terugwijzen van het geschil naar de inspecteur overeenkomstig HR 11 juli 2008, nr. 41.953, LJN BD6825.

De vaststellingsovereenkomst

5.2. Op basis van de door belanghebbende na het gesprek op 7 oktober 2002 aangeleverde stukken heeft de inspecteur de verschuldigde belasting, de boete en de heffingsrente over een aantal jaren berekend. Dit bedrag heeft hij vastgelegd in de door belanghebbende getekende vaststellingsovereenkomst en door middel van een navorderingsaanslag VB geheven. Belanghebbende heeft zich blijkens haar ondertekening met de berekening van de verschuldigde bedragen akkoord verklaard en zij heeft dit ook gedaan met betrekking tot de gevolgde werkwijze, te weten het vaststellen van de te betalen bedragen door middel van de in geschil zijnde navorderingsaanslag.

5.3. De gemachtigde heeft in het bezwaarschrift van 16 juni 2004 in algemene termen gronden aangevoerd en onder meer gesproken over het uitoefenen van druk en dwang op belastingplichtigen (waarvan hij ruim 160 met name noemt). De gemachtigde heeft in dit bezwaar de vaststellingsovereenkomst niet specifiek genoemd en ook niet aangegeven op welke manier deze belanghebbende die druk of dwang zou hebben ervaren.

De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de gang van zaken weergegeven en uitdrukkelijk betwist dat hij bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst onaanvaardbare druk of dwang heeft uitgeoefend.

5.4. Bij het opgeven van de gronden voor zijn beroep op 27 april 2005 heeft de gemachtigde betwist dat de inspecteur gebruik mocht maken van de in het kader van het Rekeningenproject verkregen gegevens. Hij heeft echter geen zinsnede gewijd aan de vaststellingsovereenkomst, laat staan aan de vraag of belanghebbende terzake druk of dwang zou hebben ervaren.

5.5. Voor zover de gemachtigde met hetgeen hij in zijn brief van 22 maart 2007 heeft opgenomen en onder 3 is weergegeven bedoelt te verwijzen naar de ter zitting van 2 maart 2007 behandelde beroepen waarin een vaststellingsovereenkomst is gesloten zoals de onderhavige, merkt het Hof op dat de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat het als bijlage opgenomen beroepschrift in cassatie ziet op een vergelijkbare zaak. De gemachtigde heeft hier tegenover niet aannemelijk gemaakt dat de in die procedure aangevoerde grieven ook op het onderhavige beroep van toepassing zijn. Het Hof laat de desbetreffende procedure dan ook verder buiten beschouwing.

5.6. In zijn nader stuk van 19 december 2007, opgesteld na het overlijden van belanghebbende, heeft de gemachtigde gegevens gevraagd uit de aangiftes van belanghebbende, heeft hij de redelijke schatting betwist, de inspecteur van willekeur beticht, gewezen op de mentale toestand van belanghebbende (aangeduid als “hij”), de twaalfjaarstermijn bestreden, het rechtmatig gebruik van microfiches betwist en een boeteverweer gevoerd en in dat kader heeft hij aangeboden dat zijn cliënt aanwezig zou kunnen zijn bij een mondelinge behandeling.

Nadien heeft de gemachtigde geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij van oordeel is dat in het concrete geval van belanghebbende sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang.

5.7. Gelet op de expliciete betwisting door de inspecteur dat er sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang, waarbij hij wijst op het feit dat belanghebbende in eerste instantie zelf antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, persoonlijk aanwezig is geweest bij het gesprek en het verslag voor juist en volledig heeft getekend, na het gesprek zelf informatie heeft opgevraagd bij Kredietbank Luxembourg, de van die bank ontvangen bescheiden zelf heeft verstrekt aan de Belastingdienst en ruim een week na toezending van de vaststellingsovereenkomst deze heeft ondertekend en geretourneerd, acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van enig wilsgebrek bij het tot stand komen van die vaststellingsovereenkomst.

Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het Besluit van 1 december 1997, AFZ97/2412,V-N 1997/4702.

5.8. Gelet op het voorgaande ziet het Hof geen reden belanghebbende niet gebonden te achten aan de vaststellingsovereenkomst. Nu partijen destijds zijn overeengekomen dat een bedrag van f 25.507 zou worden geheven, de inspecteur dienovereenkomstig de vaststellingsovereenkomst heeft uitgevoerd door middel van het opleggen van een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 en de gemachtigde geen bezwaar heeft gemaakt tegen het na kennelijke afronding op f 25.508 vastgestelde bedrag, ziet het Hof geen reden het geheven bedrag lager vast te stellen, wat er zij van de onderbouwing van het geheven bedrag.

5.9. De overige door de gemachtigde ingenomen stellingen behoeven geen bespreking.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, zal het Hof de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het beroep. Overeenkomstig de onderbouwing als verwoord in diverse bij de gemachtigde en de inspecteur bekende uitspraken (zie onder meer de uitspraak van 23 september 2010, kenmerk P04/02820, LJN BN8610) resulteert dit in het bedrag van € 505.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- handhaaft de opgelegde navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 505 en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 37 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 14 oktober 2010 door mr. J.P.A. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.