Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO1685

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
105.007.156/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brand sportcomplex Uithof. Gesubrogeerd opstalverzekeraar Interpolis zoekt regres op de dakdekker. Consequenties Bedrijfsregeling Brandregres 2000. Dakdekkers-werkzaamheden onzorgvuldig uitgevoerd. Causaal verband met de brand aanvaard. Beroep Oranjedak op contractueel vervalbeding verworpen. Beroep Oranjedak op exoneratiebeding aanvaard. Voorgezet partijdebat nodig over derdenwerking exoneratiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 105.007.156/01

20 juli 2010

GERECHTSHOF TE ‘s-GRAVENHAGE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ORANJEDAK ZUID B.V. (voorheen: Steenmetz Daktechniek B.V.),

gevestigd te Best,

APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN HET INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, te Den Haag,

t e g e n

de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL APPEL, APPELLANTE IN HET INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. P.S. Kamminga, te Den Haag.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante, Oranjedak, is bij exploot van 16 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank ‘s-Gravenhage onder zaaknummer/rolnummer 257350/HA ZA 06-146 tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 25 juli 2007, met dagvaarding van geïntimeerde, Interpolis, voor dit hof.

1.2 Oranjedak heeft bij memorie negen grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Interpolis zal afwijzen en, uitvoerbaar bij voorraad, Interpolis zal veroordelen om aan haar terug te betalen, hetgeen Oranjedak uit hoofde van het vonnis waarvan beroep aan Interpolis heeft betaald, met veroordeling van Interpolis in de proceskosten van de beide instanties met inbegrip van de nakosten.

1.3 Interpolis heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden, alsmede een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van Oranjedak, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep.

1.4 Interpolis heeft ook van haar kant hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis onder aanvoering van één grief. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, in zover opnieuw rechtdoende alsmede uitvoerbaar bij voorraad, de wettelijke rente zal toewijzen zoals in hoger beroep gevorderd, met veroordeling van Oranjedak in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

1.5 Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op basis van de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven en de memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging nummer 2 onder 2.1 tot en met 2.14 een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in geding, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding om de volgende kwestie.

4.1.1 Op 5 april 2004 heeft een grote brand gewoed in het sportcomplex De Uithof in Den Haag. Tengevolge van deze

brand is schade ontstaan voor de eigenaar van De Uithof, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beheer- en Exploitatiemaatschappij De Uithof B.V. (verder: BEM). Ook een reeks andere in de Uithof gevestigde bedrijven heeft tengevolge van de brand schade geleden.

4.1.2 BEM heeft Oranjedak aangewezen als de veroorzaakster van de brand. Oranjedak exploiteert een dakdekkersbedrijf. Kort voor het uitbreken van de brand heeft zij in opdracht van BEM dakdekkerswerkzaamheden aan De Uithof uitgevoerd. Twee werknemers van Oranjedak, [werknemer 1] en [werknemer 2], hebben met behulp van een gasbrander nieuwe bitumen randstroken op het dak van de vergaderruimte/gewestruimte gebrand, daar waar dit dak grenst aan de gevel van de ijshockeyhal.

4.1.3 BEM had haar gebouwen tegen brandschade verzekerd bij Interpolis. BEM heeft van Interpolis een schade-uitkering groot € 5.814.533,50 ontvangen.

4.1.4 Interpolis zoekt in dit geding regres op Oranjedak. Zij houdt Oranjedak aansprakelijk voor de brandschade op de grond dat haar dakdekkers onzorgvuldig hebben gewerkt.

4.1.5 Oranjedak heeft zich in de algemene voorwaarden die zij gebruikt, gedeeltelijk vrijgetekend voor het aansprakelijkheidsrisico dat zij loopt. Het resterende aansprakelijkheidsrisico heeft zij verzekerd bij Nationale-Nederlanden.

4.1.6 Oranjedak heeft geweigerd om schade te vergoeden. Zij heeft zich op verschillende gronden verweerd tegen de vordering van Interpolis.

4.1.7 Interpolis heeft haar vordering op Oranjedak beperkt tot een bedrag groot € 500.000,- in overeenstemming met het maximum dat is voorzien in de Bedrijfsregeling Brandregres 2000.

4.1.8 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis het betoog van Oranjedak voor het overgrote deel verworpen en de vordering van Interpolis toegewezen.

4.2 De eerste grief van Oranjedak stelt aan de orde dat niet alleen BEM tengevolge van de brand schade heeft geleden, zodat het in de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 voorziene maximum van € 500.000,- niet althans niet in zijn geheel aan Interpolis toekomt.

Interpolis heeft dit uitgangspunt van Oranjedak niet bestreden maar van haar kant aangevoerd dat zij niet alleen aan BEM schade-uitkering heeft gedaan maar ook aan een aantal andere door de brand benadeelden. Ook ten aanzien van deze schade-uitkeringen zoekt zij als gesubrogeerd verzekeraar regres op Oranjedak, aldus Interpolis.

4.3 Interpolis heeft dusdoende de grondslag van haar regresvordering uitgebreid. Dat stond haar in hoger beroep in beginsel vrij. Het hoger beroep dient er immers voor om eventuele omissies uit de eerste aanleg te herstellen, ook voor de verwerende partij in hoger beroep. De memorie van antwoord bood voor Interpolis de eerste mogelijkheid om haar stellingen in hoger beroep aan te vullen. Die aanvulling was in zoverre niet tardief.

De aanvulling is niet zodanig van inhoud dat moet worden geoordeeld dat Interpolis deze stelling al in eerste aanleg te berde had moeten brengen, omdat anders het verdedigings-belang van Oranjedak al te zeer in het gedrang zou komen. Oranjedak had bovendien op deze uitbreiding bedacht kunnen en moeten zijn, omdat Interpolis al eerder gewag heeft gemaakt van andere benadeelden dan BEM, bijvoorbeeld in de brief van haar raadsman van 20 mei 2005 aan de raadsman van Oranjedak en in de nummers 1.1 en 1.2 van haar inleidende dagvaarding. Dat de eventuele aansprakelijkheid van Oranjedak jegens BEM anders moet worden beoordeeld dan de eventuele aansprakelijkheid van Oranjedak jegens de andere benadeelden maakt in dit verband verder geen verschil.

Dat betekent dat de aanvullende stellingen van Interpolis kunnen worden betrokken bij de bespreking van de eerste grief van Oranjedak.

4.4 Interpolis heeft gesteld dat zij behalve aan BEM schade-uitkeringen heeft gedaan aan een aantal benadeelden, waaronder:

- Stichting Zuid-Hollands Schaatscentrum,

- Uithof Karting,

- In- en Outdoor Sportcentrum De Uithof B.V.,

- Horeca Exploitatiemaatschappij De Uithof,

- Snowdome B.V.,

- Snowdome Beheer B.V.,

- Ooms Sport B.V.

Dat betekent dat gerede aanleiding bestaat te veronderstellen dat Interpolis in elk geval een gedeelte van het in de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 voor regres voorziene maximum van € 500.000,- toekomt.

4.5 Dat regres achterwege zou moeten blijven, omdat zich misschien nog door de brand benadeelde onverzekerde derden zullen melden is zoveel jaren na de brand een speculatieve stelling die niet in de weg kan staan aan het regres dat Interpolis zoekt.

Het hof zal daarom aan dit verweer van Oranjedak tegen regres voorbijgaan.

4.6 Verder houden de stellingen van Oranjedak niets in dat erop wijst dat met het oog op de verdeling van het voor regres beschikbare bedrag reeds in dit geding rekening moet worden gehouden met gesubrogeerde verzekeraars die geen verhaal zoeken. Ook in zover zal het hof aan haar verweer voorbijgaan.

4.7 Conclusie uit bovenstaande overwegingen is dat Interpolis tot een bedrag van € 500.000,- regres kan nemen op Oranjedak en wel voor zover de aansprakelijkheid van Oranjedak jegens haar verzekerden wordt aanvaard en voor zover in de hierna te noemen aktewisseling komt vast te staan dat Interpolis de gestelde betalingen aan haar verzekerden heeft gedaan. Voor het overige faalt de eerste grief van Oranjedak.

4.8 De tweede grief van Oranjedak gaat over de vraag of aan Oranjedak kan worden verweten dat haar werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] de overeengekomen dakdekkerswerkzaamheden onzorgvuldig hebben uitgevoerd.

Zou dat niet het geval zijn, dan komt aan Interpolis op de voet van de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 geen regres toe.

4.9 Bij de beoordeling van deze kwestie stelt het hof voorop dat het in dit verband gaat om onzorgvuldigheid in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Voorts wil het hof hier niet onvermeld laten dat het gebrekkig is geïnformeerd over de exacte gedragingen van [werknemer 1] en [werknemer 2], omdat van geen van beiden enige verklaring in het geding is gebracht. Het partijdebat heeft zich dan ook geconcentreerd op de meer algemene vraag wat in de omstandigheden van dit geval van een redelijk bekwaam en redelijk handelend dakdekker mocht worden verwacht, meer in het bijzonder de vraag of gebruik had mogen worden gemaakt van de zogenoemde open-vuurmethode.

Tot de omstandigheden van het geval behoort hier met name - dat op een gedeelte van een dak werd gewerkt ter hoogte van een opgaande gevel van de ijshockeyhal, waardoor rekening diende te worden gehouden met kieren en spleten tussen de ondergrond waarop werd gebrand en dat opgaande detail,

- dat de beplating van de opgaande gevel van de ijshockeyhal niet uit brandbare materialen bestond maar het gevelmateriaal achter de beplating in elk geval voor een deel wel,

- dat het dak ook naar behoren gedekt had kunnen worden zonder gebruik te maken van open vuur.

4.10 Oranjedak wil in hoger beroep aan het door haar in eerste aanleg bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte rapport van BDA Dakadvies B.V. toegelicht bij brief van 29 februari 2008 ontlenen dat haar geen onzorgvuldig handelen of nalaten valt te verwijten.

Interpolis heeft daartegenover staande gehouden dat [werknemer 1] en [werknemer 2] onzorgvuldig hebben gewerkt door gebruik te maken van de open-vuurmethode. Zij heeft daarbij verwezen naar de in de dakdekkersbranche geldende richtlijnen, bijvoorbeeld die van Vebidak.

4.11 Naar het oordeel van het hof kunnen de algemene beschouwingen waarmee Oranjedak heeft betoogd dat haar geen onzorgvuldigheid valt te verwijten niet afdoen aan het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van [werknemer 1] en [werknemer 2], omdat zij zich in de gegeven situatie hadden moeten onthouden van toepassing van de open-vuurmethode.

Oranjedak ziet er ten onrechte aan voorbij dat het rapport van BDA Dakadvies de mogelijkheid openhoudt dat de door Oranjedak gekozen werkwijze brand heeft veroorzaakt. BDA schrijft immers

- dat voor zover waarneembaar (cursivering hof) de kieren tussen de verschillende houten onderdelen van de bouwkundige dakrandopstand beperkt zijn,

- dat voor zover waarneembaar (cursivering hof) ter plaatse van de nog intacte gevelconstructie de gevelspouw schoon is (4.1.2),

- dat de vlam van de gasbrander niet of nauwelijks (cursivering hof) met de houten onderdelen van de bouwkundige dakrandopstand in contact kon komen of dat de vlam in de kieren van de houten opstand slaat (4.2.2),

- alsmede dat het brandbare materiaal vlam kan vatten na langer contact met de vlam van een gasbrander (6.3).

Daarmee is gegeven dat de dakdekwerkzaamheden een brandrisico meebrachten. Dat geldt dus ook in het geval de dakdekkers omzichtig zijn te werk gegaan en zich hebben ingespannen om het brandrisico dusdoende zo klein mogelijk te houden.

4.12 Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat dit risico Oranjedak had behoren te weerhouden van toepassing van de open-vuurmethode. De stellingen van Oranjedak houden niets althans onvoldoende in om te oordelen dat dit in de omstandigheden van dit geval niet van haar had kunnen worden gevergd. Zij houden met name een ontoereikend aanknopingspunt in om te oordelen dat Oranjedak gelet op de door haar uit te voeren werkzaamheden geen rekening behoefde te houden met een smeulproces achter de niet brandbare gevelbeplating.

Het baat Oranjedak niet dat de praktijk van alledag in de dakdekkersbranche toentertijd zou hebben ingehouden dat

-in afwijking van de richtlijnen- niet altijd werd zorggedragen voor optimale brandpreventie. Dit geldt te meer nu het betoog van Oranjedak geen aanwijzing bevat dat zij zich met BEM heeft verstaan over het door haar, Oranjedak, gekozen veiligheidsniveau.

4.13 Conclusie van deze overwegingen is dat Oranjedak met grief 2 geen succes heeft.

4.14 Grief 3 gaat over het causaal verband tussen de dakdekkerswerkzaamheden en de brand.

Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat Oranjedak ingang wil doen vinden dat de brand niet het gevolg is van de omstreden dakdekkerswerkzaamheden maar het betoog van Oranjedak bevat niets dat het ontstaan van de brand kan verklaren. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend maar valt wel op omdat, gegeven het brandrisico dat met de dakdekkerswerkzaamheden was gemoeid, aan de motivering van de betwisting van het causale verband tussen de werkzaamheden en de brand de nodige eisen mogen worden gesteld.

4.15 Aan het tijdsverloop tussen de werkzaamheden en de brand kan Oranjedak niet ontlenen dat de brand een andere oorzaak moet hebben gehad.

Zonder toelichting, die ontbreekt, baat de enkele stelling dat het onaannemelijk is dat een smeulproces is ontstaan Oranjedak niet. Oranjedak heeft immers niet bestreden dat een dergelijk langdurig smeulproces in beginsel mogelijk is.

Dat de harde wind en een langdurig smeulproces niet zouden kunnen samengaan, overtuigt niet, alleen al omdat het brandbare materiaal waarom het gaat zich achter de gevelbeplating bevond, zodat bezwaarlijk valt in te zien dat de harde wind daarop vat kan hebben gehad.

Dat een van de dakdekkers om ongeveer 15.30 uur dicht in de buurt van de brand is geweest en geen brand heeft geroken legt evenmin veel gewicht in de schaal, nu onbestreden is gebleven dat binnen in de ijshockeyhal rondom diezelfde tijd brand werd gezien en geroken ter hoogte van de plaats waar de dakdekkers hadden gewerkt (verklaringen van [X] en [Y], gevoegd bij het rapport van Biesboer Expertise B.V. d.d. 15 juni 2004).

4.16 Met de rechtbank komt het hof dan ook tot de conclusie dat de brand het gevolg is van de dakdekkerswerkzaamheden.

Grief 3 faalt.

4.17 Met grief 4 betoogt Oranjedak dat de brandschade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan BEM kan worden toegerekend, te weten de constructie van de ijshockeyhal en de daarbij gebruikte materialen.

Als zorgvuldig werkend dakdekker heeft Oranjedak rekening te houden met het brandrisico dat inherent is aan het gebouw waaraan zij werkt. Niet uitgesloten is dat zich een risico verwezenlijkt waarmede zij redelijkerwijze geen rekening behoefde te houden. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De stellingen van Oranjedak houden niets in dat daarop wijst.

De constructie van de ijshockeyhal en de daarbij gebruikte materialen kunnen dus niet als oorzaak van de brand aan BEM worden toegerekend.

4.18 Op de voet van bovenstaande overwegingen moet met de rechtbank worden geoordeeld dat Oranjedak de stellingen van Interpolis en de rapportage van Biesboer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bij gebreke van stellingen die hout snijden mag bewijslevering achterwege blijven. Dat geldt ook als in aanmerking wordt genomen, dat in dit geding op Interpolis de last rust te bewijzen dat Oranjedak de van haar verlangde dakdekkerswerkzaamheden onzorgvuldig heeft uitgevoerd.

De rechtbank mocht dus voorbijgaan aan het algemene bewijsaanbod van Oranjedak. In hoger beroep is het niet anders.

Grief 5 loopt daarop stuk.

4.19 Met grief 6 wil Oranjedak bereiken dat haar beroep op het vervalbeding dat deel uitmaakt van de door haar gebruikte algemene voorwaarden wordt aanvaard.

Het vervalbeding staat in artikel 9 van die voorwaarden en houdt in, kort gezegd, dat Oranjedak slechts gedurende een jaar na 5 april 2004 wegens een toerekenbare tekortkoming of op grond van onrechtmatig handelen in rechte zou kunnen worden aangesproken. Die termijn is overschreden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van Oranjedak op het vervalbeding gezien (de inhoud en het verloop van) de correspondentie tussen de advocaten van Oranjedak en Interpolis die is voorafgegaan aan de start van dit geding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het hof is het met de rechtbank eens en overweegt daarover als volgt.

4.20 Het vervalbeding functioneert binnen de contractuele relatie van opdracht die Oranjedak en BEM begin 2004 hebben tot stand gebracht. Dat betekent dat Oranjedak en BEM zich jegens elkaar hadden te gedragen met inachtneming van hetgeen de redelijkheid en billijkheid tussen contractspartijen verlangt.

De brief van 7 februari 2005 van de advocaat van Interpolis aan de advocaat van Oranjedak maakte onmiskenbaar duidelijk dat Interpolis rekening hield met een vervalbeding in de algemene voorwaarden die Oranjedak had gebruikt en dat Interpolis daarover informatie zocht. Op die vraag is vóór 5 april 2005 een adequaat antwoord uitgebleven. Dat Interpolis (BEM) de inhoud van de voorwaarden op dit punt niet kende en Oranjedak dat wist, doet in verband met het bepaalde in artikel 6:232 BW niet af aan de binding van Interpolis aan deze voorwaarden. Dat betekent evenwel niet dat het Oranjedak vrijstond om Interpolis onkundig te laten van het vervalbeding dat haar boven het hoofd hing. Het moge zo zijn dat het Oranjedak toentertijd nog niet duidelijk was in welke rechten Interpolis was gesubrogeerd, dat neemt niet weg dat Oranjedak er ernstig rekening mee te houden had dat het onder meer ging om de rechten die BEM kon ontlenen aan haar contractuele relatie met Oranjedak. Oranjedak wist immers dat het ging om de schadelijke gevolgen van de brand die was ontstaan in de Uithof, kort nadat twee van haar dakdekkers aldaar in opdracht van BEM dakdekkerswerkzaamheden hadden uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de vraag naar de inhoud van de gebruikte algemene voorwaarden reeds dat Interpolis zich –in ieder geval mede– op een contractuele relatie wilde beroepen. Alleen al daarom stond het Oranjedak niet vrij om te handelen alsof de contractuele relatie tussen haar en BEM Interpolis niet aanging. In aanmerking genomen het evidente belang dat Interpolis had bij kennisneming van het vervalbeding moet worden geoordeeld dat Oranjedak Interpolis had behoren te informeren of althans haar tijdig duidelijk had behoren te maken dat zij haar informatie elders moest zoeken. Nu die informatie door Oranjedak niet is verstrekt, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om Oranjedak toe te staan rechten aan haar vervalbeding te ontlenen.

Grief 6 mislukt daarom.

4.21 Grief 7 van Oranjedak is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van Oranjedak op haar exoneratieclausule gelet op de ernst van het verwijt dat Oranjedak kan worden gemaakt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het exoneratiebeding in kwestie luidt als volgt”:

“Steenmetz beperkt, behoudens in het geval van opzet en roekeloosheid, in het geval mocht worden geoordeeld dat zij naast of in plaats van hetgeen in het vorige lid omtrent haar aansprakelijkheid is bepaald, op grond van welke titel dan ook een schadevergoeding verschuldigd is, haar aansprakelijkheid tot een maximum van 75% van de voor de betreffende prestatie overeengekomen prijs. (…)

4. Voor zover van toepassing geldt in afwijking van hetgeen in het vorige lid is bepaald, dat Steenmetz nimmer aansprakelijk is voor (ernstige) fouten, die worden verricht door de bij haar te werk gestelde personen die niet tot de bedrijfsleiding behoren. (…)”

Oranjedak heeft uiteengezet dat zij zich rekenschap heeft gegeven van het voor haar bedrijf noodzakelijke risicobeheer. Zij heeft ervoor gekozen om zich in de door haar gebruikte algemene voorwaarden vrij te tekenen tot het niveau dat in de rechtspraak is aanvaard en, naar het hof begrijpt, zich voor het overige verzekerd voor zover zij risico’s niet zelf wenst te dragen.

4.22 Interpolis heeft in de eerste plaats verdedigd dat het exoneratiebeding geen deel uitmaakt van de door BEM en Oranjedak gesloten overeenkomst. Voor zover nodig overweegt het hof hierover dat het met de rechtbank op identieke gronden van oordeel is dat de algemene voorwaarden van Oranjedak tussen BEM en Oranjedak integraal van toepassing zijn geworden.

Interpolis heeft verder in het bijzonder betoogd dat grond bestaat het exoneratiebeding in dit geval buiten toepassing te laten.

4.23 Het hof verwerpt het betoog van Interpolis, voor zover het de aansprakelijkheid van Oranjedak jegens BEM betreft.

De stellingen van Interpolis leveren onvoldoende aanknopingspunt op om te oordelen dat Oranjedak in dit geval geen recht zou mogen ontlenen aan de door haar jegens BEM bedongen exoneratie. Het beroep van Oranjedak op haar exoneratiebeding is, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van opzet of grove schuld van de directie of de bedrijfsleiding van Oranjedak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Het gaat immers om een beding tussen zakelijke partijen die, naar mag worden aangenomen, zich ieder voor zich rekenschap hebben gegeven van de risico’s die zij in het maatschappelijk verkeer lopen en die daarvoor hun eigen oplossingen hebben gekozen, waaronder verzekering en exoneratie. Een dergelijk risicobeheer is in hoge mate toelaatbaar. Dat geldt ook voor een exoneratiebeding dat kan meebrengen dat omvangrijke schade niet kan worden verhaald op de aansprakelijke partij. De mogelijkheid van contractuele exoneratie is in de rechtspraak aanvaard voor schade die is voortgekomen uit onzorgvuldig gedrag van ondergeschikten, ook onzorgvuldig gedrag van een zwaarder kaliber, zodat in de zwaarte van de fouten van de werknemers van Oranjedak evenmin reden kan worden gezien om exoneratie tegen te houden. Gesteld noch gebleken is tot slot dat aan leidinggevenden van Oranjedak in dit verband relevante verwijten kunnen worden gemaakt. Op de voet van de stellingen van Interpolis kan [werknemer 2] in dit verband niet worden beschouwd als leidinggevende ondergeschikte die behoort tot de bedrijfsleiding van Oranjedak.

Dat betekent dat Oranjedak succes heeft met haar zevende grief, voor zover het haar contractuele aansprakelijkheid jegens BEM betreft.

4.24 De vraag of Oranjedak ook rechten aan haar exoneratiebeding kan ontlenen jegens andere door de brand benadeelde partijen waarmee zij geen contractuele relatie had, moet afzonderlijk onder ogen worden gezien.

Het partijdebat heeft zich tot nu toe ternauwernood uitgestrekt tot de derdenwerking van het exoneratiebeding, Oranjedak heeft de kwestie aangeroerd bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Die gang van zaken verbaast niet, omdat Interpolis zich pas bij memorie van antwoord heeft gepresenteerd als gesubrogeerd verzekeraar van door de brand benadeelde derden.

Het komt het hof raadzaam voor om partijen in dit stadium van het geding nog de gelegenheid te bieden om bij akte hun standpunt aangaande de eventuele derdenwerking van het exoneratiebeding van Oranjedak toe te lichten. Het hof zal eerst Interpolis aan het woord laten, Oranjedak zal daarop mogen reageren.

4.25 Bij gelegenheid van deze aktewisseling dient Interpolis ook uiteen te zetten, welke betalingen zij precies aan welke verzekerden heeft gedaan en (in verband met de gevorderde rente) op welk moment. Voorts dient zij daarvan bewijsstukken over te leggen, nu de betalingen en de daaruit voortvloeiende subrogatie door Oranjedak zijn betwist.

4.26 Grief 8 in het principaal behoeft geen afzonderlijke bespreking meer. Grief 9 in het principaal appel laat het hof rusten tot na de hierboven bedoelde aktewisseling.

Hetzelfde geldt voor de grief van Interpolis in het incidenteel appel, welke grief verder op zichzelf geen bezwaar van Oranjedak heeft ontmoet.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol 7 september 2010 voor een akte aan de zijde van Interpolis met de hierboven in rechtsoverweging 4.24 en 4.25 omschreven doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, G.B.C.M. van der Reep en J.C.W. Rang en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010 door de rolraadsheer.