Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO1107

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
200.000.166/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op dwaling wegens uitlatingen tussenpersoon verworpen. Geen bijzondere omstandigheden die eisen dat Dexia meer dan 2/3 van de restschuld moet vergoeden. Wettelijke rente.

Wetsverwijzingen
Wet op het consumentenkrediet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA NEDERLAND N.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

VERWEERSTER IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam,

t e g e n

1. [ Geïntimeerde 1 ] en

2. [ Geïntimeerde 2 ],

beiden wonende te [ Z ], gemeente [ Z ],

GEÏNTIMEERDEN IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTEN IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. H.J. Bos te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna Dexia, [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] genoemd.

In deze zaak is een tussenarrest uitgesproken op 13 april 2010, hierna “het tussenarrest”. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot die datum wordt verwezen naar het tussenarrest.

Na het tussenarrest hebben partijen ieder – eerst [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ], daarna Dexia – een akte genomen waarbij zij zich hebben uitgelaten zoals in dat arrest bepaald. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben daarbij tevens aanvullende producties overgelegd.

Vervolgens is andermaal arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Grieven

Dexia heeft in het principaal beroep zeven grieven voorge¬steld en toegelicht. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben in het incidenteel beroep vier grieven voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memo¬ries.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.10, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Met grief I in het incidenteel beroep voeren [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] aan dat de kantonrechter een aantal door hen genoemde feiten ten onrechte niet als vaststaand heeft aangenomen. De grief faalt omdat het aan de kantonrechter is te bepalen welke feiten hij aan zijn beslissing ten grondslag legt. Over de juistheid van de door hem vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Het hof bouwt voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.

4.2 [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] zijn met elkaar gehuwd. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] zijn beiden zowel in augustus als november 1999 overeenkomsten tot effectenlease aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze (vier) overeenkomsten, hierna “de leaseovereenkomsten”, hebben zij geldbedragen van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] van Dexia hebben geleast. Over de geleende bedragen waren [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ], naar in de leaseovereenkomsten is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor hun rekening. De leaseovereenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. Tijdens de looptijd van de twee in augustus 1999 gesloten leaseovereenkomsten moeten [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] het door Dexia beschikbaar gestelde bedrag, vermeerderd met rente, in maandelijkse termijnen (terug)betalen. Zij zijn intussen alle vier – tussentijds, op 18 oktober 2004 - geëindigd met een schuld van [ Geïntimeerde 1 ] dan wel [ Geïntimeerde 2 ] aan Dexia. Die schulden zijn ontstaan doordat de geleaste effecten, die bij de beëindiging van de desbetreffende overeenkomsten zijn verkocht, bij verkoop minder hebben opgebracht dan de door [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] op grond van de leaseovereenkomsten geleende bedragen voorzover – wat betreft de eerste twee leaseovereenkomsten – deze nog niet waren afgelost. De verkoopopbrengst van de effecten is benut voor de terugbetaling van de geleende – wat betreft de eerste twee leaseovereenkomsten; nog niet afgeloste - bedragen maar was hiertoe niet toereikend. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben de restanten (de “restschulden”) onbetaald gelaten.

4.3 Bij brief van 11 juli 2005 van hun raadsman aan Dexia hebben [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd, op de grond dat deze tot stand zijn gekomen onder invloed van (verschoonbare) dwaling hunnerzijds. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben Dexia voorts aangesproken tot terugbetaling van de bedragen die [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] op de voet van de leaseovereenkomsten aan Dexia hebben betaald, met rente. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.4 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten vorderen [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ], kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd (althans vernietiging van de leaseovereenkomsten), een verklaring voor recht dat Dexia jegens [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] toerekenbaar is tekortgeschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling van Dexia tot vergoeding van de door hen geleden schade zoals gevorderd bij akte van 30 juli 2007. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld tot betaling van € 35.793,31 met rente en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen de veroordeling tot betaling van € 35.793,31 met rente en de daartoe leidende overwegingen richt zich het principaal beroep, tegen (onder meer) de afwijzing van de vordering tot vernietiging van de leaseovereenkomsten het incidenteel beroep.

4.5 Na de akte uitlating productie in incidenteel appel zijn door de Hoge Raad en door dit hof verschillende arresten uitgesproken in zaken naar aanleiding van effectenleaseovereenkomsten, waarin voor een groot deel dezelfde kwesties aan de orde zijn geweest als in het huidige geding. Het hof noemde in het tussenarrest reeds de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (RvdW 2009, 683, 684 en 685) alsmede de arresten van dit hof van 9 december 2008, LJN BG6261 en LJN BG6263 (NJF 2009, 18, JOR 2009, 41), 10 februari 2009, LJN BH2362 (JOR 2009, 323) en 1 december 2009, LJN BK4978 (NJF 2010, 12, JOR 2010, 66), LJN BK4981, LJN BK4982 en LJN BK4983. Bij het tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de mogelijke betekenis van hetgeen in de zojuist genoemde arresten is overwogen en beslist voor de standpunten die zij in dit geding hebben betrokken, een en ander zoals in het tussenarrest vermeld. Van deze gelegenheid hebben beide partijen gebruik gemaakt.

4.6 Voor zover [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hun betoog in grief II in het incidenteel beroep dat zij de leaseovereenkomsten zijn aangegaan onder invloed van dwaling en dat deze daarom vernietigbaar zijn, hebben willen handhaven, miskennen zij dat voor diegenen die zich redelijke inspanningen getroostten – zoals van [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] mocht worden verwacht - uit de bewoordingen van de leaseovereenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat deze voorzagen in de verstrekking van geldleningen door Dexia, dat de geleende bedragen zouden worden belegd in effecten, dat over die bedragen rente was verschuldigd, ook na drie respectievelijk vijf jaar, en dat de geleende bedragen moesten worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan. Hiermee zijn door Dexia op wezenlijke punten voldoende duidelijke inlichtingen verstrekt om een eventuele onjuiste voorstelling bij [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] over de eigenschappen van de leaseovereenkomsten en de eraan verbonden risico’s te voorkomen, zodat niet kan worden gezegd dat Dexia is tekortgeschoten in de nakoming van een op haar rustende mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, BW. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] kunnen zich daarom niet met vrucht op dwaling beroepen. Het hof verwijst verder naar hetgeen omtrent een vergelijkbaar beroep op dwaling is overwogen en beslist in het arrest van dit hof van 1 december 2009, LJN BK4982, onder 4.7 en 4.8. Het daar overwogene geldt ook thans.

4.7 Voor zover Dexia haar stellingen dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van een op haar rustende zorgplicht bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, dat geen oorzakelijk verband (zoals bedoeld in artikel 6:162 BW) bestaat tussen een zodanig tekortschieten en de schade die [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] door het aangaan van de leaseovereenkomsten hebben geleden en dat (een deel van) deze schade niet in een zodanig verband staat met het gestelde tekortschieten dat zij Dexia als een gevolg daarvan kan worden toegerekend (zoals bedoeld in artikel 6:98 BW) heeft willen handhaven, stuiten die stellingen alle af op hetgeen in de onder 4.5 genoemde arresten is overwogen en beslist. Zij behoeven derhalve geen nadere bespreking. Geen nadere bespreking behoeft voorts hetgeen Dexia met betrekking tot (de niet-toepasselijkheid van) de Wet op het consumentenkrediet, de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 en de gedragingen van de bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten betrokken tussenpersoon heeft aangevoerd, reeds omdat dit een en ander niets afdoet aan de aansprakelijkheid van Dexia wegens het tekortschieten in de nakoming van haar zorgplicht en evenmin bepalend is voor de omvang van haar vergoedingsplicht.

4.8 In hun akte na het tussenarrest hebben [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] zich op het standpunt gesteld dat de uit de vier leaseovereenkomsten voortvloeiende financiële verplich-tingen naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware last op hen legden (uitgaande van het tijdstip waarop de leaseovereenkomsten tot stand zijn gekomen), zodat in beginsel uitsluitend tweederde van de restschulden voor vergoeding in aanmerking komt. Dit standpunt is door Dexia niet betwist, zodat Dexia in beginsel een totaalbedrag van € 19.049,20 (tweederde gedeelte van het totaal van de restschulden, zijnde € 28.573,80) als schadevergoeding verschuldigd is.

4.9 Voor zover [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] betogen dat hun vordering tot een hoger bedrag moet worden toegewezen, omdat, kort gezegd, er sprake is van omstandigheden die op grond van het bepaalde in artikel 6:101, eerste lid, BW meebrengen dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Dexia in het geheel niet of in geringere mate dan met eenderde moet worden verminderd, kunnen zij in hun betoog niet worden gevolgd. Daartoe geldt het volgende.

4.10 Hetgeen [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben aangevoerd terzake van hun financiële verplichtingen ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten kan reeds niet tot een ander oordeel leiden, nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat, indien met deze verplichtingen rekening zou worden houden, er wél sprake zou zijn van een onaanvaardbaar zware financiële last. Het betoog van [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] dat Dexia zich, bij het aangaan van de leaseovereenkomsten, ook van hun toekomstige financiële omstandigheden rekenschap had moeten geven stuit af op hetgeen door de Hoge Raad en dit hof terzake in de onder 4.5 genoemde arresten is overwogen. Voor wat betreft de rentebetalingen in verband met de hypothecaire lening wordt er op gewezen dat de veroordeling tot betaling van wettelijke rente over het toegewezen gedeelte van de restschuld in vergoeding van dergelijke kosten beoogt te voorzien, zodat ook daarin geen aanleiding bestaat tot een van eerdergenoemde arresten afwijkende schadeverdeling. Voor zover met de hypothecaire lening het niet toegewezen gedeelte van de restschuld is betaald, valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de door [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] over dat gedeelte verschuldigde rente voor rekening van Dexia komt.

4.11 De stelling dat [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] zich, tevergeefs, redelijke inspanningen hebben getroost teneinde hun verplichtingen en de daaraan verbonden risico’s uit de leaseovereenkomsten te begrijpen en dat het aan het tekortschieten van Dexia is te wijten dat zij deze niet hebben begrepen, wat er van deze stelling ook zij, komt reeds in de onder 4.8 en 4.9 verwoorde schadeverdeling tot uitdrukking. Het tekortschieten van Dexia is daarbij immers duidelijk zwaarder gewogen dan de aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] toe te rekenen omstandigheid dat zij de leaseovereenkomsten zijn aangegaan zonder – volgens hun eigen stelling – deze te begrijpen en in weerwil van hetgeen zij – gelet op het onder 4.6 overwogene – ter zake hadden kunnen weten als zij zich daarin behoorlijk hadden verdiept, alvorens de leaseovereenkomsten aan te gaan. Andere omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Dexia met minder dan eenderde van de restschuld moet worden verminderd, zijn gesteld noch gebleken.

4.12 De slotsom van een en ander luidt, dat de grieven in incidenteel beroep falen. Grief IV in incidenteel beroep, strekkend tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, faalt op de enkele grond dat [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] ook in hoger beroep hebben nagelaten de beweerde verrichtingen (anders dan die ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak) afdoende te omschrijven. Grief VI in het principaal beroep slaagt en de grieven I tot en met V in het principaal beroep zijn tevergeefs voorgesteld. Grief VII in het principaal beroep komt enerzijds op tegen het oordeel van de kantonrechter betreffende de data vanaf welke Dexia aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] de wettelijke rente dient te vergoeden over door laatstgenoemden uit hoofde van de geldlening betaalde maandtermijnen en is uitsluitend subsidiair voorgesteld. Zij is voorgesteld voor het geval het hof zou oordelen dat Dexia aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] de door hen betaalde maandtermijnen zou dienen te vergoeden. Blijkens het hierboven overwogene is Dexia daartoe niet gehouden, zodat voor een verplichting van Dexia tot betaling van de wettelijke rente over door [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] aan haar betaalde maandtermijnen geen grond bestaat en de grief in zoverre geen verdere bespreking behoeft. Met de grief komt Dexia anderzijds op tegen de beslissing van de kantonrechter de wettelijke rente over de totale betaalde restschuld van € 28.573,80 toe te wijzen en niet over 60% van de betaalde restschuld (het percentage dat de kantonrechter toewijst). De wettelijke rente is verschuldigd voor het gedeelte van de restschuld dat Dexia aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] moet terugbetalen. In zoverre slaagt de grief.

4.13 Uit het hierboven overwogene volgt dat de vordering van [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] toewijsbaar is tot een hoofdsom van € 19.049,20, te vermeer¬deren met de wettelijke rente vanaf de dag waarop [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] de restschuld ten bedrage van € 28.573,80 aan Dexia hebben betaald, te weten 21 oktober 2004.

4.14 Aan het slot van de appeldagvaarding heeft Dexia gesteld dat zij op grond van het bestreden vonnis aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] € 50.560,60 heeft betaald. Het betaalde bedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen: een hoofdsom ad € 35.793,31, vermeerderd met wettelijke rente over 66% van de inleg ad € 8.218,56, alsmede wettelijke rente vanaf 21 oktober 2004 over de totale restschuld van € 28.573,80 ad € 3.860,13 en de proceskosten ad € 2.688,60. [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] hebben deze betaling niet bestreden, zodat van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan. Dexia heeft voorts gesteld dat zij aanspraak maakt op terugbetaling van het genoemde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 september 2007, zijnde de dag van betaling. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat op Dexia de verplichting rust van de aan haar betaalde restschuld ad € 28.573,80 tweederde deel ad € 19.040,20 aan [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] terug te betalen, te vermeerden met wettelijke rente vanaf 21 oktober 2004. Tot 5 september 2007 was Dexia daarover een bedrag van € 2.573,42 aan wettelijke rente verschuldigd (tweederde deel van het door Dexia betaalde bedrag van € 3.860,13). Daaruit volgt dat Dexia € 26.258,38 (€ 50.560,60 minus € 19.040,20, vermeerderd met € 2.573,42 wettelijke rente alsmede € 2.688,60 betaalde proceskosten) onverschuldigd heeft betaald. Haar vordering tot terugbetaling is tot het bedrag van € 26.258,38 toewijsbaar. Over dit bedrag is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf 5 september 2007, de dag van betaling.

4.15 Partijen hebben geen voldoende concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan hun beider bewijsaanbod komt derhalve geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Hetgeen [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] in eerste aanleg hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun eis en Dexia tot verweer tegen hun eis, voor zover dit niet reeds eerder is besproken en als gevolg van de hierboven gegeven oordelen opnieuw aan de orde zou moeten komen, kan evenmin leiden tot een andere beoordeling.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat het principaal beroep deels slaagt, dat het vonnis waarvan beroep deels niet in stand kan blijven zodat het in zoverre zal worden vernietigd en voor het overige zal worden bekrachtigd, en dat het incidenteel beroep faalt.

Nu is geoordeeld dat Dexia is tekortgeschoten in de nakoming van haar bijzondere zorgplicht, op die grond een verplichting harerzijds tot schadevergoeding is aangenomen en de vordering van [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] in zoverre deels gegrond is bevonden, moet Dexia worden beschouwd als de partij die in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld. De veroordeling van Dexia in de proceskosten van de eerste aanleg zal daarom in stand worden gelaten.

[ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] zullen, als de in het principaal beroep grotendeels en in het incidenteel beroep geheel in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het principaal en van het incidenteel beroep.

6. Beslissing

Het hof:

in het principaal beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor wat betreft het dictum onder I; en

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Dexia te betalen een bedrag van € 26.258,38, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 september 2007 tot en met de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis voor al het overige;

verwijst [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] in de proceskosten van het principaal beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 335,31 wegens verschotten en € 2.446,50 aan kosten advocaat;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

verwijst [ Geïntimeerde 1 ] en [ Geïntimeerde 2 ] in de proceskosten van het incidenteel beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op nihil wegens verschotten en € 1.223,25 aan kosten advocaat;

in het principaal en het incidenteel beroep:

verklaart alle hierboven uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Clement, M.P. van Achterberg en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 oktober 2010 door de rolraadsheer.