Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO1064

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
200.046.524
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming vaccinatie volgens Rijksvaccinatieprogramma

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/6

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.046.524

(zaaknummer rechtbank 264173 / FA RK 09-1496)

beschikking van de familiekamer van 31 augustus 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. J.R. Laoût te Baarn,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: mr. M.J.G. Jolink te Harderwijk.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 13 april 2010 een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 15 juni 2010 een brief van mr. Laoût van 15 juni 2010 met bijlagen;

- op 30 juni 2010 een brief van mr. Jolink van 29 juni 2010.

1.3 Ingevolge voormelde tussenbeschikking hebben partijen getracht via mediation te onderzoeken of zij het (onder meer) eens konden worden over het al dan niet laten vaccineren van [het kind]. Bij de onder 1.2 vermelde brief heeft mr. Laoût aangegeven dat het niet tot een mediation is gekomen en heeft tevens het verzoek gedaan de zaak met vier maanden aan te houden, zodat mogelijk een nieuwe poging tot mediation kan worden gedaan. Bij eveneens onder 1.2 vermelde brief heeft mr. Jolink aangegeven dat de man aanhouding van de zaak niet in het belang acht van [het kind] en het hof gevraagd een beschikking te geven. Het hof heeft daarop beslist een beschikking te geven.

2. De motivering van de beslissing

2.1 Het hof neemt over en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 13 april 2010, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2 In geschil is de vraag of aan de vader vervangende toestemming moet worden gegeven [het kind] te vaccineren, nu de moeder hieraan haar medewerking niet wil verlenen.

2.3 Ingevolge artikel 1:253a BW kunnen geschillen omtrent gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.4 De vader verzoekt vervangende toestemming ter vaccinatie van [het kind] omdat hij van mening is dat de moeder onterecht weigert haar medewerking te verlenen aan het inenten van [het kind] volgens het rijksvaccinatieprogramma en hij stelt voorts dat gevaccineerd worden in het belang is van [het kind], maar ook van algemeen belang aangezien diverse ziektes waartegen gevaccineerd wordt weer de kop op zullen steken indien de vaccinatiegraad onder de 80% daalt.

2.5 De moeder stelt dat het risico bestaat dat [het kind] schade oploopt door de inentingen en dat zij niet gedwongen mag worden [het kind] aan dit gevaar bloot te stellen. Ook stelt zij de antroposofische levenswijze aan te hangen en dat zij om die reden [het kind] niet wenst te confronteren met lichaamsvreemde stoffen.

2.6 De raad heeft ter mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven geen advies te kunnen geven met betrekking tot het verzoek van de man. De raad benadrukt dat het gaat om een punt in de opvoeding waar beide ouders het over eens moeten worden en wijst op het gevaar dat [het kind] erg belast wordt in het geval er meerdere opvoedingspunten zijn waar de ouders het niet over eens kunnen worden.

2.7 Het hof is het met de raad eens dat de beslissing tot het al dan niet laten vaccineren van [het kind] primair een aangelegenheid is van de gezaguitoefenende ouders en dat het het meest in het belang van [het kind] zou zijn als zij hierover in onderling overleg een beslissing zouden kunnen nemen. De moeder stelt dat het gedurende het huwelijk de bewuste keuze van zowel de vader als de moeder was om [het kind] niet te laten vaccineren. De vader heeft dit betwist. Het hof is van oordeel dat de vraag of er al dan niet overeenstemming is geweest, niet relevant is aangezien het de vader vrijstaat zijn thans ingenomen standpunt ten aanzien van de inenting te huldigen. Nu de ouders het niet met elkaar eens zijn zal het hof dan ook een beslissing moeten nemen.

2.8 De moeder heeft verzocht een deskundige te benoemen die een gewogen oordeel kan geven uit medisch oogpunt. De vader heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, maar vraagt het hof, daarnaast ook het RIVM, althans een medewerker van het RIVM, als deskundige te benoemen.

2.9 Ingevolge het eerste lid van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beslist de rechter in zaken betreffende minderjarigen, pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Naar het oordeel van het hof zal een deskundigenrapport in dit geval niet mede tot de beslissing van de zaak leiden en beschikt het hof over voldoende informatie om het verzoek te kunnen beoordelen. Het hof wijst het verzoek van de moeder dan ook af.

2.10 Zoals ook is overwogen door de rechtbank beoogt het rijksvaccinatieprogramma kinderen door middel van inenting te beschermen tegen ziekten die voor hen schadelijk kunnen zijn. In die visie is vaccineren in het belang van het kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid volgt en kinderen laat deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Gelet hierop acht het hof het in het belang van [het kind] dat hij wordt gevaccineerd. Daaraan doet niet af dat, zoals de vrouw betoogt, er ook medici zijn die kritisch staan tegenover het rijksvaccinatieprogramma.

2.11 De enkele omstandigheid dat de moeder stelt de antroposofische levenswijze aan te hangen, maakt het oordeel van het hof niet anders, nu zij deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover al van de juistheid van deze stelling uitgegaan moet worden, valt bovendien niet in te zien dat deze levensovertuiging van de moeder, gelet op het andersluidende standpunt van de vader dat breed gedragen wordt, aan vaccinatie van [het kind] in de weg zou staan.

2.12 De moeder stelt verder dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met de artikelen 3, 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de artikelen 3, 5, 16, 18 en 19 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK). De man heeft dit betwist. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van schending van een van de voormelde artikelen van het EVRM dan wel het IVRK. Het enkele feit dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven waar zij zich, gezien haar levenswijze, niet in kan vinden is hiertoe onvoldoende.

2.13 De moeder stelt dat [het kind] het risico loopt schade op te lopen als gevolg van de vaccinaties. De vader erkent dat er een (klein) risico is op bijwerkingen, maar stelt dat de risico’s op het escaleren van de kinderziekten waarvoor gevaccineerd wordt, groter zijn. Het hof is van oordeel dat hoewel het op zichzelf juist gesteld is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de moeder niets heeft gesteld op grond waarvan aangenomen kan worden dat [het kind] meer risico loopt dan enig ander kind.

2.14 De man heeft ter mondelinge behandeling aangegeven bereid te zijn navraag te doen bij het RIVM en het consultatiebureau met betrekking tot het eventueel opstellen van een aangepast schema van vaccinaties. Gezien de leeftijd van [het kind] is het goed mogelijk dat geadviseerd wordt bepaalde vaccinaties niet meer, of met een andere dosering uit te voeren. Het hof is van oordeel dat het in het belang is van [het kind] dat het al dan niet uitvoeren van het gehele rijksvaccinatieprogramma en het tijdstip van de eventuele vaccinaties in overeenstemming is met het daartoe in te winnen advies.

2.16 Het verzoek van de vader de bestreden beschikking te bekrachtigen met uitvoerbaar bij voorraad verklaring wijst het hof af, gezien het onomkeerbare karakter van de beslissing.

3. De slotsom

3.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, te bekrachtigen.

3.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

4. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 3 juni 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, M.F.J.N. van Osch en R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 31 augustus 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.