Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0369

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
09/00342
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft zij naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat zij in 2005 redelijkerwijs kon verwachten dat zij van haar activiteiten verricht als psychotherapeute, met als specialisatie muziek- en dramatherapie, voordeel kon verwachten. Dat de inspecteur betoogt dat voor situaties als die van belanghebbende artikel 3.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in het leven zou zijn geroepen, wat daar verder ook van zij, doet niet af aan het feit dat voor het onderhavige jaar beoordeeld dient te worden of sprake is van een bron.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.94
Wet inkomstenbelasting 2001 3.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/65.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00342

7 oktober 2010

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/4650 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde J.A. Klaver,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 29 augustus 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.245 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.518.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 mei 2008, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 30 maart 2009, aan partijen verzonden op 1 april 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.385.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 mei 2009 en aangevuld op 6 juni 2009. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op 30 augustus 2010 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Deze zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende. Op 1 september 2010 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Tijdens de zitting is [A] als getuige gehoord. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2005) en in de jaren 2006, 2007 en 2008 in loondienst gewerkt bij [B]. De inkomsten uit die dienstbetrekking bedroegen in die jaren respectievelijk € 14.888, € 16.043, € 16.484 en € 19.069. Voorts heeft belanghebbende in de hiervoor genoemde jaren werkzaamheden in loondienst verricht bij [C]. De inkomsten uit die dienstbetrekking bedroegen respectievelijk € 16.778, € 18.981, € 18.926 en € 24.793.

2.2. In het jaar 2005 heeft belanghebbende, naast haar dienstbetrekkingen, activiteiten verricht als psychotherapeute, met als specialisatie muziek- en dramatherapie. Haar (bruto) inkomsten in 2005 en 2006 bedroegen € 405 respectievelijk € 135. De door belanghebbende bij het doen van aangifte opgevoerde kosten in die jaren bedroegen respectievelijk € 3.087 en € 3.804. In 2005 en 2006 had belanghebbende één cliënt.

2.3. In de aangifte ib/pvv voor het jaar 2005 heeft belanghebbende een bedrag van € 2.682 als negatief resultaat uit een werkzaamheid vermeld. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur dit bedrag gecorrigeerd. Ook in 2006 heeft belanghebbende in haar aangifte ib/pvv een negatief resultaat uit overige werkzaamheden opgenomen. In 2007 heeft belanghebbende in haar aangifte ib/pvv de inkomsten uit haar activiteiten als muziek-/dramatherapeute verantwoord als winst uit onderneming. De aangegeven omzet in dit jaar bedraagt € 87, de aangegeven belastbare winst bedraagt -/-€ 2.318.

2.4. In 2008 heeft belanghebbende ontslag genomen bij [A] en per 1 september 2009 heeft zij haar dienstverband bij [B]opgezegd.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een samenwerkingsconvenant 2008 tussen de Praktijk [C] en belanghebbende. Dit convenant is ondertekend op 1 augustus 2008. Op 1 januari 2009 en 1 januari 2010 zijn eveneens samenwerkingsconvenanten tussen de Praktijk [C] en belanghebbende gesloten voor 2009 respectievelijk 2010. In de aanhef van voornoemde convenanten is opgenomen dat de Praktijk [C] (in de persoon van [C]) en belanghebbende, als zelfstandig therapeut, zijn overeengekomen samen te werken om de therapieën van de zelfstandig therapeut (belanghebbende) vanuit Praktijk [C] aan te bieden via het contract dat Praktijk [C] heeft met verzekeringsmaatschappijen.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een groepspraktijkovereenkomst voor 2009 tussen de Praktijk [C] en Achmea Zorg voor vrijgevestigde psychiaters, psychotherapeuten en klinisch psychologen met ondersteunend personeel. In de bijlage “ondersteunend personeel” bij deze overeenkomst is belanghebbende vermeld met de functie muziektherapeute/psychodramatherapeute.

2.7. Tot de gedingstukken behoort een aantal in 2005 gedateerde facturen van belanghebbende aan een cliënt met als omschrijving ‘therapie’. Voorts behoort tot de gedingstukken een aantal in 2008 gedateerde facturen vanuit voornoemd samenwerkingsconvenant aan verschillende personen waaronder vijf facturen van ‘Praktijk Creatieve therapie [X]’. Het op deze vijf facturen in rekening gebrachte bedrag, waarvoor is verzocht om de betaling over te maken op rekening van belanghebbende, bedraagt € 946,75.

2.8. Tot de gedingstukken behoren facturen uit 2009 van de ‘Praktijk Creatieve therapie [X]’ tot een totaal bedrag van € 7.896.

2.9. De rechtbank heeft een bron van inkomen aanwezig geacht en het beroep gegrond verklaard. De met betrekking tot het onderhavige jaar opgevoerde kosten heeft zij echter terug gebracht tot € 1.178 zodat een negatief resultaat uit overige werkzaamheden resteert van € 773.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is in geschil of de activiteiten van belanghebbende als muziek-/dramatherapeute (hierna: haar activiteiten) in het jaar 2005 kunnen worden aangemerkt als bron van inkomen (resultaat uit een werkzaamheid). Niet in geschil is dat indien die vraag bevestigend wordt beantwoord de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Van een bron van inkomen is – kort gezegd – sprake indien wordt deelgenomen aan het economische verkeer, voordeel wordt beoogd en voordeel redelijkerwijs kan worden verwacht. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een bron van inkomen voor belanghebbende in 2005 is niet in geschil dat belanghebbende in dat jaar en nadien met haar activiteiten deelneemt aan het economische verkeer. Ook is niet in geschil dat belanghebbende beoogde met haar activiteiten voordeel te behalen. Tussen partijen is wel in geschil of belanghebbende ook redelijkerwijs voordeel kon verwachten.

4.2. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken op grond waarvan – in weerwil van de negatieve resultaten die in het onderhavige jaar en de jaren nadien zijn behaald – kan worden geoordeeld dat zij van haar activiteiten, zij het ook in de toekomst, redelijkerwijs voordeel kon verwachten.

4.3. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zodanige concrete feiten en omstandigheden heeft weten aan te voeren. Het Hof neemt daartoe in aanmerking de overgelegde facturen uit 2005, 2008 en 2009, de samenwerkingsconvenanten voor de jaren 2008, 2009 en 2010 en de groepspraktijkovereenkomst voor 2009 tussen de Praktijk [C] en Achmea Zorg. Volgens belanghebbende heeft haar praktijk een lange aanlooptijd gehad maar bedraagt de omzet (inmiddels) circa € 30.000 (2009). De over 2010 te behalen omzet schat zij op € 50.000. De inspecteur heeft weliswaar aangevoerd dat hij de cijfers over 2009 en 2010 niet heeft kunnen controleren, maar het Hof ziet geen grond aan belanghebbendes verklaring op dit punt geen geloof te hechten. Dit te meer nu de inspecteur ter zitting van het Hof heeft verklaard dat er vanaf 2008/2009 “schot in de zaak komt”. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat zij in 2005 reeds brieven aan huisartsen heeft gezonden met het verzoek om patiënten naar haar te verwijzen. De getuige [A], vanaf 1997/1998 collega van belanghebbende, heeft verklaard dat zij dergelijke brieven van belanghebbende destijds heeft gezien en dat deze brieven in een later stadium in haar (eigen) praktijk nog als basis hebben gediend. Ook heeft belanghebbende gewezen op de bij haar in 2005 levende verwachting dat voor therapeuten zoals zij een vermelding in het BIG-register mogelijk zou worden, hetgeen zou betekenen dat de door haar aangeboden therapiëen zouden worden vergoed door ziektekostenverzekeraars. Volgens belanghebbende werd in 2005 vanuit de beroepsvereniging al heel hard aan de weg getimmerd om de BIG-registratie te krijgen. Door de getuige [A] is het beeld bevestigd dat de vakvereniging zich in die periode inzette voor registratie van dergelijke therapeuten in het BIG-register.

Met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, in onderlinge samenhang bezien, heeft zij naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat zij in 2005 redelijkerwijs kon verwachten dat zij van haar activiteiten voordeel kon verwachten.

Hetgeen door de inspecteur hiertegen is aangevoerd, is onvoldoende om anders te concluderen. Dat de inspecteur betoogt dat voor situaties als die van belanghebbende artikel 3.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in het leven zou zijn geroepen, wat daar verder ook van zij, doet niet af aan het feit dat voor het onderhavige jaar beoordeeld dient te worden of sprake is van een bron.

4.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat de activiteiten van belanghebbende voor het jaar 2005 een bron van inkomen vormen.

4.5. De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.

5. Kosten

Nu het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, heeft belanghebbende recht op vergoeding van kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze vergoeding op een bedrag van € 644 (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

6. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep van € 644;

- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 447.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 7 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.