Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9719

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
07-10-2010
Zaaknummer
200.059.232-01 en 200.059.233-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet -ontvankelijk. In appelschrift geen enkele grond aangegegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 28 mei 2010 in de zaak met zaaknummers 200.059.232/01 en 200.059.233/01 van:

1. [ Appellant 1 ], en

2. [ Appellant 2 ],

wonende te [ L ],

advocaat: mr. A.A. Namaki te ‘s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellanten – [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] – zijn bij op 10 maart 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Alkmaar van 2 maart 2010 met insolventienummers 07/254 R en 07/255 R, waarbij ten aanzien van appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd op de wijze zoals in het dictum van die beslissing is vermeld.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 11 mei 2010. Bij die behandeling zijn appellanten verschenen, bijgestaan door hun advocaat voornoemd. Voorts is de bewindvoerder, S.F. Hoogenkamp, verschenen.

2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1. Appellanten zijn bij brief van 10 maart 2010 in hoger beroep gekomen tegen genoemd vonnis van de rechtbank Alkmaar. Aan die brief was een kopie van dat vonnis gehecht. Bij die brief hebben zij geen bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. Wel is aangevoerd dat de gronden waarop het hoger beroep berust zo spoedig mogelijk in een volgend schrijven toegezonden zullen worden. Appellanten hebben bij fax op 4 mei 2010 de gronden waarop het hoger beroep berust aan het hof doen toekomen.

2.2. Het hof is van oordeel dat nu appellanten geen enkele grond in hun hoger beroepschrift van 10 maart 2010 hebben geformuleerd, niet is voldaan aan het vereiste dat het beroepschrift de gronden bevat waarop het hoger beroep berust. Bij gebreke van deze gronden in het beroepschrift dienen appellanten in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het feit dat de raadsman – zoals hij heeft aangevoerd – op 9 of 10 maart 2010 gesproken heeft met een onbekende medewerkster van de griffie van het hof die hem telefonisch heeft gezegd dat hij de gronden van het hoger beroep nader kon aanvullen, maakt niet dat door appellanten aan bovengenoemd wettelijk vereiste is voldaan.

2.3. Gelet op het voren overwogene wordt als volgt beslist.

3. De beslissing

Het hof:

- verklaart [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel,

H.J.M. Boukema en M.J.J. de Bontridder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.