Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9698

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
07-10-2010
Zaaknummer
200.065.859-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging. Na toelating feiten en omstandigheden bekend geworden die reden zouden zij geweest het verzoek af te wijzen. Vordering niet gemeld bij toelating en bovendien niet te goeder trouw met name door een gebrek aan medewerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 29 juni 2010 in de zaak met zaaknummer 200.065.859/01 van:

[ APPELLANTE ],

wonende te [ A ],

advocaat: mr. J. de Groot te Amstelveen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante is bij per fax van 21 mei 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2010 met insolventienummer 09.353-R, waarbij ten aanzien van [ Appellante ] de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd op de wijze zoals in het dictum van die beslissing is vermeld.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 15 juni 2010. Bij die behandeling is [ Appellante ] verschenen, bijgestaan door haar advocaat voornoemd. Voorts is de heer F.H. Entjes namens de bewindvoerder verschenen.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechter-commissaris heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [ Appellante ] voor tussentijdse beëindiging voorgedragen omdat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 eerste en tweede lid van de Faillissementswet (Fw). De rechtbank heeft overwogen dat – kort weergegeven – na de toelating gebleken is van een vordering van de Pensioen & Uitkeringsraad (hierna: PUR) van in totaal € 21.954,10 gebaseerd op twee terugvorderingbesluiten van de PUR van 29 november 2005 en 13 maart 2007. Vaststaat dat deze vordering niet bekend was ten tijde van indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De vraag of de vordering opzettelijk is verzwegen door [ Appellante ], is volgens de rechtbank niet van belang, aangezien naar het oordeel van de rechtbank [ Appellante ] ten aanzien van het ontstaan van de vordering niet te goeder trouw is geweest, zodat ook als de rechtbank op de hoogte geweest zou zijn, [ Appellante ] niet tot de schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten. De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw.

2.2 Ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep heeft de bewindvoerder een verslag d.d. 31 mei 2010 aan het hof doen toekomen. Hiervan heeft [ Appellante ] kennis genomen.

2.3 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.3.1 Op 11 mei 2009 is [ Appellante ] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De totale schuldenlast bedroeg volgens de verklaring ex

artikel 285 lid 1 sub a Fw op 5 maart 2009 € 25.731,37. Op de schuldenlijst staat de vordering van de PUR niet vermeld.

[ Appellante ] heeft na het overlijden van haar broer in 1996, in Amerika een erfenis ontvangen in 1998 van ongeveer € 365.000,-. Bij de behandeling van het verzoekschrift tot toelating van 6 maart 2009 heeft [ Appellante ] gemotiveerd toegelicht waaraan de erfenis is uitgegeven – de erfenis is belegd bij een Amerikaanse bank en de waarde van de beleggingen is als gevolg van de aanslagen van 11 september 2001 en hoge bankkosten sterk verminderd. De rechtbank heeft hierop het verzoek van [ Appellante ] toegewezen. Een eerder verzoek van [ Appellante ] om toelating van 17 november 2008 was door de rechtbank op 3 maart 2009 afgewezen in verband met deze erfenis.

2.3.2 De vordering van de PUR is gebaseerd op twee terugvorderingbesluiten. Het besluit van 29 november 2005 ad € 29.540,44 betreft een herberekening van de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers (hierna: WUV-uitkering) van [ Appellante ] over de jaren 2000 tot en met 2005, aangezien de PUR eerst in 2001 bericht ontving van de door [ Appellante ] in 1998 ontvangen erfenis. In juli 2001 kwam bij een huisbezoek door de PUR de erfenis aan het licht. [ Appellante ] heeft, zonder nadere gegevens over te hebben gelegd, tegen voornoemd besluit op 21 december 2005 bezwaar ingesteld. Op 14 juli 2006 is dit bezwaar ongegrond verklaard voor zover het gaat om de (hoogte van de) terugvordering.

Het tweede besluit van 13 maart 2007 ad € 15.016,24 betreft een terugvordering van de WUV-uitkering omdat aan [ Appellante ] een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: AOR) is toegekend begin 2007. De nabetaling van deze AOR-uitkering leidde vervolgens tot terugvordering van de WUV-uitkering. [ Appellante ] heeft – aldus de PUR - niet ingestemd met verrekening van de nabetaling met de terugvordering.

2.3.3 De bewindvoerder heeft aangevoerd dat de vordering van de PUR hem eerst tijdens de schuldsaneringsregeling van [ Appellante ] bekend is geworden, hoewel [ Appellante ] zelf al veel langer van het bestaan van die vordering op de hoogte was. Het komt er volgens de bewindvoerder op neer dat [ Appellante ] bij de PUR heeft verzuimd inlichtingen te verstrekken over haar inkomsten uit de erfenis. [ Appellante ] heeft voorts onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek van de PUR naar de (vermindering van de) vordering. Ook heeft [ Appellante ] niet ingestemd met verrekening van de AOR-nabetaling met de WUV-uitkering waardoor er een hogere schuld is ontstaan. Daarenboven heeft de bewindvoerder erop gewezen dat [ Appellante ] aan een door haar bij de PUR ingediend kwijtscheldingsverzoek eveneens geen medewerking heeft verleend. De bewindvoerder is van mening dat de vordering van de PUR een fraudevordering betreft die niet te goeder trouw is ontstaan. Tevens geeft de bewindvoerder aan dat indien de vordering bekend was geweest bij de toelatingszitting, het alles behalve zeker zou zijn geweest of [ Appellante ] toegelaten zou zijn tot de schuldsaneringsregeling.

2.3.4 Naar de mening van [ Appellante ] is het onjuist dat op basis van de terugvordering van de PUR de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [ Appellante ] beëindigd kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het haar niet valt te verwijten dat de vordering van de PUR niet is opgenomen op de schuldenlijst van 5 maart 2009. Zij heeft alle stukken betreffende de vordering ingeleverd bij de schuldhulpverlener van de gemeente Amstelveen. Deze heeft ook ondertussen aan de bewindvoerder laten weten dat hij heeft verzuimd deze stukken aan de rechtbank over te leggen.

Voorts is het zo dat [ Appellante ] in 2001 zelf om een huisbezoek van de PUR heeft verzocht en dat zij toen zelf melding heeft gemaakt van de ontvangen erfenis. Zij is derhalve niet te kwader trouw ten aanzien van het ontstaan de eerste vordering van de PUR. De PUR was immers, omdat [ Appellante ] de door haar ontvangen cheque bij het huisbezoek heeft getoond, in 2001 al op de hoogte van de omvang van de erfenis en heeft desondanks sindsdien hiermee geen rekening gehouden bij de uitbetaling van haar uitkering. Dit valt [ Appellante ] niet te verwijten. De verklaring die de PUR daaromtrent heeft gegeven aan de bewindvoerder, acht [ Appellante ] onvoldoende. Ter zitting in hoger beroep heeft [ Appellante ] aangevoerd dat zij geen bankafschriften betreffende haar erfenis heeft gekregen behalve dan betreffende het begin- en eindsaldo. Zij was te ziek/depressief om mee te werken aan het latere huisbezoek, maar heeft de PUR schriftelijk geïnformeerd, aldus [ Appellante ].

Ook ten aanzien van de tweede navordering van de PUR is [ Appellante ] van mening dat zij te goeder trouw was. Zij heeft de uitkering ontvangen en daarna is er € 15.000,- terugbetaald. [ Appellante ] beschikte echter niet over meer geld, aangezien zij in de veronderstelling verkeerde dat zij recht had op dit geld en dit heeft aangewend om schulden af te lossen en om van te leven.

[ Appellante ] is een beroepsprocedure gestart tegen de vordering van de PUR en heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

2.4 Gelet op de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden is ook het hof van oordeel dat beëindiging van de schuldsanering dient te geschieden op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en sub f Fw.

Vaststaat dat [ Appellante ] in 1998 een erfenis heeft ontvangen van ongeveer € 365.000,- en dat zij dit in 2001 heeft gemeld aan de PUR, de instantie die haar uitkering regelde. Voorts staat voldoende vast dat [ Appellante ] de daaruit voortvloeiende vordering van de PUR gemeld heeft aan de schuldhulpverlener. Vervolgens is deze vordering echter niet vermeld op de schuldenlijst die ter beoordeling voorlag bij de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling van [ Appellante ]. [ Appellante ] heeft ook overigens geen melding gemaakt van deze vordering ten tijde van de toelating. Dat de vordering ten tijde van de toelating niet bekend was, dient naar het oordeel van het hof voor risico van [ Appellante ] te komen. Zij heeft de verklaring ex artikel 285 lid 1 sub a Fw ondertekend en het had op haar weg gelegen om de schuldhulpverlener en de rechtbank erop te attenderen dat daarin niet de vordering van de PUR was opgenomen. Dit mede gezien de hoogte van de vordering, die haast evenveel bedraagt als de gehele schuld op de schuldenlijst.

Voorts is het hof van oordeel dat [ Appellante ] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering van de PUR te goeder trouw is ontstaan. Weliswaar heeft zij na een aantal jaar de erfenis gemeld bij de PUR, maar uit overige stukken, waaronder de brief van de PUR van 11 november 2009, blijkt niet dat [ Appellante ] de medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de PUR die van haar verwacht had mogen worden. Als zij, zoals zij stelt, destijds niet in staat was om verdere medewerking te verlenen, had het op haar weg gelegen deze stelling nader te adstrueren. Voor zover [ Appellante ] betoogt niet tot van medewerking in staat te zijn geweest omdat zij in het geheel geen schriftelijke informatie van haar bank zou hebben gehad betreffende het verloop van de geldstromen, komt dit betoog het hof onaannemelijk voor. Ook indien zij destijds aan haar bank heeft aangegeven geen informatie te willen ontvangen, had het in deze procedure en ook eerder tijdens het onderzoek door de PUR op haar weg gelegen informatie daaromtrent op te vragen bij haar bank. Dat [ Appellante ] er ook thans nog voor kiest haar stellingen amper met stukken te onderbouwen, komt voor haar rekening en risico en het hof gaat dan ook uit van de rechtmatigheid van de beslissingen van de PUR. De thans nog lopende beroepsprocedure maakt dit – bij gebreke van door [ Appellante ] overgelegde inhoudelijke stukken - naar het oordeel van het hof niet anders.

Nu [ Appellante ] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien het ontstaan en voortbestaan van de vordering van de PUR te goeder trouw is geweest, is het hof met de rechtbank reeds op grond hiervan van oordeel dat de schuldsaneringsregeling op grond van voornoemd artikel dient te worden beëindigd. Waarbij voorts nog wordt opgemerkt, zoals hiervoor al overwogen, dat het niet melden van de vordering van de PUR ten tijde van haar toelating voor rekening van [ Appellante ] komt.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Clement, M.W.E. Koopmann en C.C. Meijer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van

29 juni 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.