Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9415

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
200.052.118/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Er is geen sprake van een schending van fundamentele beginselen van de procesorde, die de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigt waardoor klagers in de onderhavige zaak niet in beroep kunnen gaan van de beslissing van de kamer. Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 31 augustus 2010 in de zaak onder nummer 200.052.118/01 GDW van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V.,

gevestigd te [plaatsnaam],

gemachtigde: [klager],

2. [klager],

wonende [plaatsnaam],

APPELLANTEN

tegen

1. [de gerechtsdeurwaarder 1],

2. [de gerechtsdeurwaarder 2],

3. [de gerechtsdeurwaarder 3],

4. [de gerechtsdeurwaarder 4],

5. [de gerechtsdeurwaarder 5],

gerechtsdeurwaarders te [plaatsnaam],

6. [de gerechtsdeurwaarder 6],

7. [de gerechtsdeurwaarder 7],

8. [de gerechtsdeurwaarder 8],

gerechtsdeurwaarders te [plaatsnaam],

gemachtigde: [Y], gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellanten, verder te noemen klagers, is bij een op 11 december 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 10 november 2009.

1.2. Bij die beslissing heeft de kamer ongegrond verklaard het verzet van klagers tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 26 mei 2009, waarbij de voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) de klacht van klagers tegen geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders, als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2010. Klagers en de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen: klaagster sub 1 en de gerechtsdeurwaarders vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1. Klagers hebben bij brief van 24 februari 2009 een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarders bij de kamer. De gerechtsdeurwaarders hebben bij brieven van 30 maart 2009 en 21 april 2009 op verzoek van de voorzitter op de klacht gereageerd. De voorzitter heeft bij beschikking van 26 mei 2009 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beschikking hebben klagers tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Na onderzoek van de klacht heeft de kamer bij beslissing van 10 november 2009 het verzet ongegrond verklaard.

3.2. Artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: Gdw, bepaalt dat tegen die beslissing op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat.

3.3. Klagers stellen echter dat in dit geval het zogenaamde rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 Gdw moet worden doorbroken. De kamer is namelijk van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan waar het de criteria betreft die gelden om een klacht als kennelijk ongegrond af te kunnen doen en de procedure die daarbij moet worden gevolgd.

De kamer mag zich niet baseren op stukken waarop de wederpartij niet heeft kunnen reageren, aldus klagers. In deze zaak heeft de voorzitter de gerechtsdeurwaarders echter in staat gesteld om een verweerschrift in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter dat verweerschrift bij zijn beoordeling omtrent het al dan niet toepassing geven aan artikel 39 lid 1 van de Gdw betrokken zonder dat klagers de gelegenheid is geboden op dit verweerschrift te reageren.

3.4. Klagers stellen dat deze gang van zaken ook in strijd is met artikel 39 lid 1 Gdw, nu voor het indienen van een verweerschrift niet eerder plaats is dan nadat is beslist dat aan artikel 39 lid 1 Gdw geen toepassing zal worden gegeven. Indien de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid wordt geboden om een verweerschrift in te dienen, staat het de voorzitter niet meer vrij om de klacht als kennelijk ongegrond af te doen.

3.5. Het hof overweegt als volgt.

Klagers stellen de toepassing van de artikelen 39 en 40 Gdw aan de orde. Voor zover hier van belang luiden deze artikelen als volgt:

Artikel 39

1. De voorzitter kan zonder nader onderzoek door de kamer voor gerechtsdeurwaarders kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, bij met redenen omklede beschikking afwijzen. Van de beschikking van de voorzitter doet de secretaris onverwijld mededeling aan de klager en aan de betrokken gerechtsdeurwaarder. (…)

2. Tegen de beschikking van de voorzitter tot afwijzing van een klacht kan de klager binnen veertien dagen na verzending van de kennisgeving schriftelijk verzet doen bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

3. Ten gevolge van het verzet vervalt de beschikking, tenzij de kamer voor gerechtsdeurwaarders het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart. De kamer voor gerechtsdeurwaarders kan het verzet niet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren dan na de klager en, zo nodig, de betrokken gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.

4. (…)

Artikel 40

1. Indien artikel 39, eerste lid, geen toepassing vindt of het verzet gegrond is verklaard, zendt de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van het klaagschrift en de daarbij gevoegde bescheiden aan de betrokken gerechtsdeurwaarder.

2. Binnen een maand na dagtekening van de verzending van de in het eerste lid bedoelde bescheiden kan de betrokken gerechtsdeurwaarder een verweerschrift indienen; (…)

3. (…)

Uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis van deze wetsartikelen volgt dat de wetgever het uitgangspunt hanteert dat de voorzitter zonder nader onderzoek klachten kan afdoen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 775, nr. 3, blz. 12 en 24). Voor deze procedure is gekozen uit een oogpunt van voorkomen van een te grote werklast van de kamer voor gerechtsdeurwaarders. De wetgever gaat er daarbij, gelet op de tekst van de hiervoor geciteerde bepalingen, vanuit dat de gerechtsdeurwaarder het klaagschrift ontvangt als: 1. de klacht door de voorzitter niet kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard of 2. het door de klager tegen de beslissing van de voorzitter ingestelde verzet door de kamer gegrond is verklaard.

In deze zaak hebben de gerechtsdeurwaarders van (de voorzitter van) de kamer echter het verzoek gekregen om te reageren op de tegen hen ingediende klacht. Dit is de vaste procedure bij de kamer, zoals blijkt uit de bestreden beslissing:

Dit is door de Kamer aldus procedureel uitgewerkt dat de beklaagde gerechtsdeurwaarder in alle gevallen om een reactie op de klacht wordt gevraagd, alvorens de voorzitter beslist hoe de procedure verder verloopt.

Uit de verdere parlementaire geschiedenis blijkt voorts het volgende. Op vragen uit de Tweede Kamer antwoordde de regering als volgt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 775, nr. 5, blz. 19):

De procedure, neergelegd in artikel 31 (thans: artikel 39 – opmerking hof) van het wetsvoorstel, gaat ervan uit dat de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders bij wijze van versnelde behandeling de klachten zonder nader onderzoek kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond kan verklaren. De term “zonder nader onderzoek” impliceert dat na enig onderzoek de voorzitter, indien voldoende overtuigd, tot deze uitspraak kan komen. Hij is niet wettelijk gehouden de belanghebbenden eerst te horen, hoewel dit wel onderdeel kan vormen van het zekere onderzoek dat aan deze uitspraak altijd vooraf zal gaan.

Naar het oordeel van het hof is het op grond van voormelde uitgangspunten van de wetgever aan de voorzitter toegestaan om de gerechtsdeurwaarder eerst te laten reageren op de tegen hem ingediende klacht, alvorens zelf tot een beslissing te komen.

Dit oordeel sluit aan bij soortgelijke tuchtrechtelijke regelingen, die wettelijk zijn vastgelegd, zoals artikel 99 van de Wet op het Notarisambt, artikel 46d en 46g van de Advocatenwet en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak accountants, alsmede de parlementaire geschiedenis bij deze artikelen.

De door de kamer gehanteerde werkwijze is dus niet in strijd met de artikelen 39 en 40 Gdw.

3.6. Het standpunt van klagers dat de (voorzitter van de) kamer het fundamentele recht op wederhoor heeft geschonden door klagers niet op de reactie van de gerechtsdeurwaarders te laten reageren is evenmin juist. Klagers hebben hun klacht bij de kamer neergelegd. Daarop is gereageerd door de gerechtsdeurwaarders. Daarmee zijn beide partijen gehoord. Dat klagers zouden moeten worden toegelaten om op de reactie van de gerechtsdeurwaarders te reageren, waarna – gelet op het recht van hoor en wederhoor - de gerechtsdeurwaarders weer op de reactie van klagers zouden mogen reageren, volgt echter niet uit de wet, en is ook overigens geen regel van Nederlands recht.

3.7. Nu er geen sprake is van een schending van fundamentele beginselen van de procesorde, die de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigt kunnen klagers in de onderhavige zaak niet in beroep gaan van de beslissing van de kamer. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4. De beslissing

Het hof:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, M.W.E. Koopmann en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 31 augustus 2010 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM 4

Beslissing van 10 november 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet met nummer 406.2009 ingesteld door:

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [ ]B.V.,

gevestigd te [ ],

2. [ ], rechtskundig adviseur, kantoorhoudende te [ ],

klagers,

klager treedt eveneens op als gemachtigde van klaagster,

tegen:

1. [ ],

2. [ ],

3. [ ],

4. [ ],

5. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

gemachtigde: [ ],

6. [ ],

7. [ ],

8. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

gemachtigde: [ ],

beklaagden.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 26 mei 2009 (zaaknummer 146.2009) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klagers tegen beklaagden ingediende klacht. Bij brief van 8 juni 2009 is klagers een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 22 juni 2009 hebben klagers tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. In het verzetschrift zijn bezwaren tegen de beschikking van de voorzitter naar voren gebracht en tevens is het verzet ingesteld op “nog nader aan te voeren gronden”. Hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben klagers nagelaten tijdig nadere gronden aan te voeren.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 29 september 2009 alwaar namens klagers [ ]is verschenen en beklaagden sub 4 en 5 en de gemachtigde van beklaagden sub 6 tot en met 8. Klagers hebben pleitnotities overgelegd. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 10 november 2009 omdat de Kamer altijd op een termijn van zes weken uitspraak doet. Per abuis is ter zitting meegedeeld dat op 3 november 2009 uitspraak zal worden gedaan.

2. De gronden van het verzet

2.1 In verzet hebben klagers aangevoerd dat zij het niet eens zijn met de beslissing van de voorzitter. Zij hebben daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

2.2 Het stond de voorzitter niet vrij om de klacht als kennelijk ongegrond af te doen, nu in dit geval doorzending van de klacht aan de gerechtsdeurwaarders heeft plaatsgevonden. Klagers baseren zich hierbij op de artikelen 39 en 40 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Volgens klagers volgt uit deze bepalingen dat na binnenkomst van de klacht de voorzitter eerst beoordeelt of de klacht (en dus uitsluitend op de inhoud van de klacht zelf) kennelijk ongegrond is. Pas indien is geoordeeld wordt dat daarvan geen sprake is, kan de klacht aan de beklaagde gerechtsdeurwaarder worden doorgezonden.

2.3 In dit geval is geen sprake van een evident ongegronde klacht, hetgeen noodzakelijk is om van een kennelijk ongegronde klacht te kunnen spreken. De voorzitter had de klacht dus niet mogen afdoen als kennelijk ongegrond. De voorzitter heeft dit onderscheid miskend.

2.4 Ten onrechte is overwogen dat sprake is van een civielrechtelijk geschil en tevens heeft de voorzitter miskend dat de onderhavige procedure wel degelijk voorziet in mogelijkheden tot bewijslevering. Klagers wijzen in dit verband op artikel 42 Gerechtsdeurwaarderswet.

2.5 Er is wel degelijk in strijd gehandeld met de ministerieplicht, zodat de beslissing van de voorzitter op dat punt niet juist is. De omstandigheid dat het om een anti-kraakpand zou gaan zegt op zich niets over de zich daarin bevindende en voor beslag vatbare roerende zaken. Klagers hebben in dit verband verwezen naar de wets-geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet, waaruit blijkt dat de ministerieplicht een bijna absoluut gegeven is, waarbij de uitzonderingen limitatief in de wet zijn omschreven. In deze zaak doet geen van deze uitzonderingen zich voor.

3. De ontvankelijkheid van het verzet.

Klagers hebben het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4. De inleidende klacht

Voor de inhoud van de klacht wordt verwezen naar de beschikking van 26 mei 2009.

5. De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft geoordeeld dat beklaagden niet in strijd hebben gehandeld met de tuchtrechtelijke norm. De voorzitter was van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 Volgens de memorie van toelichting bij de Gerechtsdeurwaarderswet is het particulieren mogelijk gemaakt om bezwaren aanhangig te maken bij de Kamer. Voorts is de voorzitter van de Kamer de bevoegdheid verleend kennelijk ongegronde klachten zonder nader onderzoek af te wijzen. (MvT TK, vergaderjaar 1991-1992, nr. 22 775, nr. 3 pag. 12). De procedure, zoals vastgelegd in artikel 31 van het wetsvoorstel (thans artikel 39 van de Gerechtsdeurwaarderswet), gaat er van uit dat de voorzitter van de Kamer bij wijze van versnelde behandeling de klachten zonder nader onderzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond kan verklaren. De term “zonder nader onderzoek” impliceert dat na enig onderzoek de voorzitter, indien voldoende overtuigd, tot deze uitspraak kan komen. Hij is niet wettelijk verplicht de belanghebbenden eerst te horen, hoewel dit onderdeel kan vormen van het summiere onderzoek dat aan deze uitspraak altijd vooraf gaat (MvT TK, vergaderjaar 1993-1994, 22 775, nr. 5 pag. 19.)

Hieruit blijkt dat de voorzitter enig onderzoek kan verrichten en dat daaruit kan voortvloeien dat hij belanghebbenden, voordat uitspraak wordt gedaan, kan horen. Dit is door de Kamer aldus procedureel uitgewerkt dat de beklaagde gerechtsdeurwaarder in alle gevallen om een reactie op de klacht wordt gevraagd, alvorens de voorzitter beslist hoe de procedure verder verloopt. Het stond de voorzitter dus wel degelijk vrij om enig onderzoek te verrichten. Deze procedure staat ook vermeld in de brochure die bij de ontvangstbevestiging van de klacht aan een klager wordt toegezonden.

6.2 Klagers voeren ten onrechte aan dat er sprake moet zijn van een “evident ongegronde” klacht. Dit criterium “evident ongegrond” vloeit namelijk niet voort uit artikel 39 Gerechtsdeurwaarderswet, waar gesproken wordt over “kennelijk ongegrond”. Van een “kennelijk ongegronde klacht” in de zin van artikel 39 Gerechtsdeurwaarderswet kan worden gesproken indien aan de hand van de inhoud van het klaagschrift en (eventueel) de reactie van beklaagde, naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot gegrondverklaring. Met inachtneming van die norm heeft de voorzitter tot haar beslissing kunnen komen.

6.3 Klagers hebben geen (duidelijk) onderscheid gemaakt tussen gebrekkige nakoming van de met beklaagden gesloten overeenkomst en klachtwaardig handelen. Zij hebben in verzet evenmin aangevoerd dat beklaagden met betrekking tot de nakoming van de overeenkomst dusdanig apert onjuist hebben gehandeld, dat hun handelen op die grond in strijd is met de tuchtrechtelijke norm. Dit onderdeel van het verzet berust voorts op een onjuiste lezing van de beschikking. De voorzitter heeft slechts overwogen dat voor uitgebreide bewijslevering geen plaats is omdat de Kamer niet oordeelt over civielrechtelijke geschillen.

6.4 Het standpunt dat klagers hebben ingenomen met betrekking tot de ministerieplicht van beklaagden is niet juist. Uit de toelichting van klagers ter zitting blijkt dat de klacht omtrent de ministerieplicht vooral betrekking heeft op de stelling van klagers, dat de gerechtsdeurwaarder gehouden is om elke opdracht met betrekking tot de verplichte taak van de gerechtsdeurwaarder uit te voeren op een wijze zoals de opdrachtgever dat wenst. Dat is in zijn algemeenheid niet juist. De gerechtsdeurwaarder heeft bij de uitvoering van zijn ministerieplicht de bevoegdheid om afwegingen te maken omtrent de wijze waarop hij aan die ministerieplicht zal en kan voldoen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het verrichten van ambtshandelingen door de gerechtdeurwaarder in het algemeen als zodanig niet in strijd kan zijn met de normen van moraal en fatsoen. De wijze waarop de opdrachtgever wenst dat een opdracht wordt uitgevoerd kan dit echter wel zijn. De gerechtsdeurwaarder is reeds uit hoofde van zijn ambt gehouden geen rekening met dergelijke wensen te houden. (MvT, Tweede kamer 1991-1992, 22775, nr 3, blz 18) Daaruit volgt ook dat aan een gerechtsdeurwaarder de bevoegdheid toekomt om onafhankelijk van de opdrachtgever te bepalen op welke wijze en dus ook wanneer hij de ambtshandeling zal uitvoeren, mits hij handelt binnen de grenzen van artikel 34 Gerechtsdeurwaarderswet. Daarbij zal het ook uitmaken of de ambtshandeling het enkel betekenen van een stuk (dagvaarding, vonnis e.d.) betreft of het treffen van specifieke executiemaatregelen. Zij het dat het niet aan de deurwaarder is om de wenselijkheid van de executie opnieuw te beoordelen.

De beslissing van de voorzitter, dat beklaagden niet in strijd met hun ministerieplicht hebben gehandeld, is dan ook niet onjuist.

6.5 Het onderzoek in verzet heeft verder naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot de vaststelling van andere feiten of omstandigheden en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt. Klagers hebben niet onderbouwd, althans dit valt niet op te maken uit het verzetschrift, dat nadat bekend was geworden dat op 14 januari 2009 een vergeefse beslagpoging was ondernomen, alsnog opdracht tot de beslaglegging is gegeven. Het verzet is dan ook ongegrond, zodat de Kamer aan de inhoud van de klachten verder niet toekomt.

6.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. A.C.A. Wildenburg en M.J.-M.L. Baudoin (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Op grond van het bepaalde in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet staat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel open.