Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8856

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
01-10-2010
Zaaknummer
23-005525-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BR3040, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BR3040
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Feit 1 subsidiair: Gekwalificeerde doodslag. De verdachte heeft zich begeven in de woning van een hoogbejaarde vrouw wier vertrouwen hij genoot. Daar heeft hij haar op gewelddadige wijze van het leven beroofd, de slaapkamer doorzocht, een halsketting van haar hals gestolen en gepoogd een som geld en sieraden te stelen.

Feit 2: Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een laptop op zijn schoonmaakadres waarbij hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zijn werkgever en het bedrijf dat hem als schoonmaker inzette in hem stelden .

Afwijzing voorwaardelijke verzoeken. Verwerping verweer van de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Bewijsoverwegingen aangaande feit 1 subsidiair.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005525-08

datum uitspraak: 1 oktober 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-528321-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 29 september en 30 september 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 11 november en 18 december 2009, 16 april, 9 juli, 15 september en 17 september 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij

I primair: " in of omstreeks de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die[slachtoffer 1] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden"

(art. 289 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair: "in of omstreeks de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die [slachtoffer 1] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal of poging diefstal van een of meerdere sieraden en/of een geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren"

(art. 288 Wetboek van Strafrecht);

meer subsidiair: "in of omstreeks de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die [slachtoffer 1] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden"

(art. 287 Wetboek van Strafrecht);

meest subsidiair: "in of omstreeks de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam methet oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere sieraden en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan wijlen [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die [slachtoffer 1] heeft samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, welk bovenomschreven feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad"

(art. 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht);

uiterst subsidiair: "in of omstreeks de periode van 16 september 2008 tot en met 18 september 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan wijlen [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of aldaar een of meerdere kast(en) en/of lade(s) heeft doorzocht en/of een koffer heeft geopend en/of doorzocht en/of het snoer van de telefoon heeft door geknipt en/of gesneden en waarbij de voorgenomen diefstal is voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die [slachtoffer 1] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, wel bovenomschreven feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad"

(art. 312/45 Wetboek van Strafrecht)

of

"in of omstreeks de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëgening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan wijlen [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of aldaar een of meerdere kast(en) en/of lade(s) heeft geopend en/of doorzocht en/of een koffer heeft gepakt en/of geopend en/of doorzocht en/of het snoer van de telefoon heeft door geknipt en/of gesneden en/of de keel en/of hals, althans de luchtpijp van die [slachtoffer 1] heeft samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, welk bovenomschreven feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad"

(art.312/45 Wetboek van Strafrecht);

:

2."in of omstreeks de periode van 17 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk HP, type NC6220, serienummer HUB5460LNC), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] (vestiging Paasheuvelweg), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

(art. 310 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Voorwaardelijke verzoeken

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof op 15 september 2010 - en herhaald en uitgebreid op 17 september 2010 - verzocht (pleitnota blz. 11) om, indien verdachte niet wordt vrijgesproken, de zaak aan te houden voor nader onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid bij het onder 1 telastegelegde van A, B en [C]. Voorts dienen de door de politie als getuige gehoorde [getuige 1] en [getuige 2] foto's te bekijken op basis van de in hun verklaringen gegeven signalementen van een tweetal personen die zich mogelijk verdacht hebben opgehouden in de nabijheid van de woning van het slachtoffer.

Tevens heeft de raadsman verzocht (pleitnota blz. 27) de zaak aan te houden en een getuige- deskundige te horen over de printlijst van telefoongesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen indien het hof het niet met de verdediging eens is dat op grond van een dergelijke printlijst niet geconcludeerd mag worden dat [verdachte] gelogen heeft over zijn telefoongebruik gedurende het hotelbezoek op 18 en 19 september 2007.

Het hof overweegt omtrent deze verzoeken als volgt:

Het hof is van oordeel dat er zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat A of B betrokken is bij het onder 1 telastegelegde feit.

Het hof is tevens van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet kunnen leiden tot een verdenking van de door hen bedoelde personen dat zij zich aan het onder 1 ten laste gelegde hebben schuldig gemaakt dan wel daarbij betrokken zouden zijn. Daarnaast acht het hof de door voornoemde getuigen gegeven signalementen te weinig specifiek om met een redelijke kans op succes een fosloconfrontatie uit te voeren

Het hof acht het niet noodzakelijk om nader onderzoek te doen naar mogelijke betrokkenheid van [C]. De betrokkenheid van deze verdachte is onderzocht (o.a. door middel van verhoren). Hoewel gezegd kan worden dat deze verdachte op sommige punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd is er op de plaats van het delict geen technisch bewijs aangetroffen dat in haar richting wijst.

Wat betreft het verzoek om de zaak aan te houden om een getuige-deskundige te horen aangaande de printlijst van telefoongesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen acht het hof zich in staat om uit de printlijst te kunnen concluderen of er een uitgaand gesprek heeft plaatsgevonden. Het hof is het met de raadsman eens dat een inkomend gesprek dat de voicemail bereikt kan wijzen op een "lege" telefoon maar tekent daarbij aan dat dit ook kan wijzen op het niet opnemen van de telefoon.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om het onderzoek ter terechtzitting voor nader onderzoek te schorsen wordt afgewezen.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij heeft -voorzover van belang en zakelijk weergegeven- daartoe het volgende aangevoerd.

1. Het NFI rapport van 5 maart 2008 is ten onrechte en in strijd met de daartoe gestelde regels in Strafvordering aan de verdediging onthouden. Op 8 maart 2008 heeft het Openbaar Ministerie de rapportage van het NFI, gedateerd 5 maart 2008, ontvangen. De rapportage is eerst op 27 maart 2008, daags na een ontoelaatbaar misleidend verhoor van de verdachte, aan de verdediging ter beschikking gesteld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 8 april 2008 opgemerkt dat "er daarna ( het hof begrijpt: na 8 maart 2008, de datum van ontvangst van het rapport door de politie) een verhoor is gepland met verdachte en uiteraard is besloten dit rapport niet vooraf te verstrekken. Dit is echter geen onthouding".

Ingevolge de artikelen 30 jo 51 Wetboek van Strafvordering dienen de processtukken aan de verdediging ter beschikking te worden gesteld. De ratio van deze bepalingen is dat de verdachte in een zo vroeg mogelijk stadium geïnformeerd behoort te worden welke bewijzen tegen hem zijn verzameld. Er is sprake van een onherstelbare fout in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Voor zover het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie beslist verzoekt de verdediging het NFI-rapport van 5 maart 2008 van het bewijs uit te sluiten.

2. De verdachte is bij het verhoor op 26 maart 2008 ontoelaatbaar misleid. De inhoud van het rapport van het NFI van 5 maart 2008 is volstrekt onjuist aan de verdachte gepresenteerd. Verbalisant 1 is het verhoor ingegaan na een half uur besteed te hebben aan de volgens hem zo moeilijke rapportage, zonder daarbij over een exemplaar van die rapportage te beschikken. Verbalisant 3 had het rapport niet gelezen omdat hem daartoe de tijd ontbrak. Beiden hadden weinig ervaring met NFI-rapportages. Een coach werd niet nodig gevonden. De verdediging meent dat wanneer er zo wordt omgesprongen met een gecompliceerde materie als de rapportage van het NFI nu eenmaal is, er sprake is van doelbewuste veronachtzaming van de belangen van verdachte.

3. Terwijl het tegendeel werd toegezegd is er inbreuk gemaakt op het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman, een geheimhouder. Verbalisant 1 heeft tijdens het verhoor van 26 maart 2008 bevestigd dat alle apparatuur tijdens het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman zou worden uitgezet. Nadien is gebleken dat zo'n vier minuten is meegekeken met het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman. [verbalisant 1] heeft verklaard tegenover de rechter-commissaris: "De man van de regie, D, vertelde spontaan dat de advocaat heftig gebarend voor zijn cliënt stond en dat cliënt ongeïnteresseerd naar buiten keek. Toen D dat aan mij vertelde waren de mensen van de forensische opsporing er ook bij". Geconcludeerd moet worden dat besproken is wat er te zien is geweest van het contact tussen de verdachte en zijn raadsman en dat dit is doorgegeven aan de verbalisanten. Met het in artikel 218 Wetboek van Strafvordering vervatte voorschrift wordt beoogd het zwaarwegend belang te beschermen dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan de verschoningsgerechtigde in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd een verschoningsgerechtigde te raadplegen. Het gedurende 4 minuten laten lopen van de camera kan niet anders geduid worden dan als doelbewust en met grove veronachtzaming inbreuk maken op dit belang van de verdachte. Bovendien wordt hiermee het wettelijk systeem in zijn kern geraakt.

4. Tengevolge van tunnelvisie is het onderzoek onvolledig geweest. De volgende onderzoekslijnen zijn niet onderzocht of wat de verdediging betreft niet adequaat onderzocht: [C], 'bekende dader B', 'bekende dader A', E, de informatie van getuige [getuige 3]. Er zijn nogal wat sporen gevonden die op dit moment niet zijn thuis te brengen. Het betreft hier de vingerafdruk van steeds dezelfde vinger op een zestal documenten, het dactyloscopisch spoor op een kredietovereenkomst van de gemeentelijke kredietbank d.d. 16 februari 2007, een dactyloscopisch spoor aan de buitenzijde van de woning, diverse handpalmsporen, vingersporen aan kastdeuren en onder de wasbak. Voorts hadden de hierboven genoemde [getuige 2] en [getuige 1] foto's moeten bekijken op basis van de in hun verklaringen gegeven signalementen.

5. Op grond van de rapportage van de deskundige Stomp moet de conclusie worden getrokken dat het onderzoek naar het tijdstip van overlijden onvolledig, soms foutief en in ieder geval onzorgvuldig is geweest. Daardoor zijn de verdediging en de rechtbank verkeerd voorgelicht. Uit de rapportage van Stomp en zijn verklaring ter terechtzitting valt af te leiden dat een onjuiste correctiefactor is gehanteerd. Voorts is uitgegaan van een standaard lichaamstemperatuur van 37 graden Celsius terwijl op geen enkele wijze is nagegaan of er redenen waren hiervan af te wijken. De verdediging wijst er op dat er in de onderhavige zaak sprake was van een slachtoffer op vergevorderde leeftijd met mogelijk een leveraandoening en in ieder geval jicht. Bovengenoemde tekortkomingen zijn te kwalificeren als grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en zij raken het wettelijk systeem in de kern.

6. Uit een proces-verbaal verantwoording opschoning geheimhoudersgesprekken d.d. 28 januari 2010 blijkt dat een aantal geheimhoudersgesprekken niet onverwijld is vernietigd, zoals voorgeschreven. Deze gesprekken hebben nagenoegd drie jaren deel uitgemaakt van het onderzoeksdossier.

In navolging van de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 oktober 2009 (LJN: BJ9577 Tompoes) meent de verdediging dat er in deze procedure sprake is van een opeenstapeling van vormverzuimen die de waarheidsvinding in de weg hebben gestaan. Daarop past geen andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Daarnaast is er sprake van schending van het Zwolsmancriterium en het Karmancriterium gezien de vorenstaande 6 punten afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien. Niet ontvankelijkheid is eigenlijk de enig passende sanctie. Het zijn vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering en voorzover het hof niet overgaat tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie verzoekt de verdediging tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering over te gaan, indien het hof aan strafoplegging toekomt.

Het onderhavige onderzoek is dermate onvolkomen en onrechtmatig dat dit in onderlinge samenhang bezien moet leiden tot de conclusie dat voldaan is aan het zogeheten Zwolsmancriterium (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) en het zogeheten Karmancriterium (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 en HR 3 juli 2001, NJ 2002, 8) of tenminste een van beide criteria

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot algehele verwerping van de verweren.

Het hof overweegt als volgt.

In geval van onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek biedt artikel 359a Wetboek van Strafvordering als meest vergaande sanctie de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. Gezien de Memorie van Toelichting bij genoemd artikel zijn onder deze vormverzuimen begrepen normschendingen bij de opsporing (Kamerstukken II 1993-1994, 23 075, nr. 3). Bij de beoordeling van de zaak, staat de vraag naar de herstelbaarheid voorop. Als deze negatief is beantwoord komen eventuele sancties aan de orde. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit artikel, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman criterium). en voorts in gevallen van zeer fundamentele inbreuken, waarbij de belangen van de verdachte weliswaar niet zijn geschaad, maar het wettelijke systeem in de kern is geraakt (het Karman-criterium).

Bij de beoordeling van de ernst van een vormverzuim, en derhalve bij de vraag of en zo ja, welke sanctie moet worden toegepast, dient rekening te worden gehouden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren: het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend, de ernst van het verzuim en het nadeel dat wordt veroorzaakt.

Ad 1. Met betrekking tot de gestelde onregelmatige onthouding van stukken verwijst de verdediging naar artikel 30 Wetboek van Strafvordering. Het hof overweegt dat het doel van die bepaling is dat de verdediging indien het verzoek daartoe wordt gedaan kennis kan nemen van de inhoud van het dossier, opdat de verdediging zich tijdig kan voorbereiden op de terechtzitting en zich in het algemeen kan bedienen van processuele middelen die gelijkwaardig zijn aan de middelen die het Openbaar Ministerie in de zaak heeft gebruikt. In het belang van het onderzoek kan deze door de verdediging verzochte kennisneming worden opgeschort. In dat geval wordt de verdachte de onvolledigheid van het dossier schriftelijk medegedeeld.

De wet kent geen algemene verplichting van de officier van justitie om de verdediging op de hoogte te stellen van toevoegingen aan het dossier, zoals sedert 1 januari 2010 bestaat met betrekking tot onderzoeksopdrachten aan deskundigen. Denkbaar is dat nalaten van melding of achterwege blijven van toezending van kopie�n van stukken wel in strijd komt met artikel 6 EVRM.

In deze kwestie staat vast dat het rapport van het NFI van 5 maart 2008 pas op 27 maart 2008 aan de verdediging ter hand is gesteld. Het hof begrijpt dat aan de verdediging niet is medegedeeld dat er een nieuw rapport van het NFI was ontvangen, laat staan dat de inhoud van het rapport of een kopie van het rapport aan de verdediging was toegezonden. De verdediging heeft geen verzoek gedaan om van het rapport kennis te kunnen nemen. De inhoud van het rapport - al dan niet juist weergegeven - heeft in het verhoor van de verdachte van 26 maart 2008 een zeer belangrijke rol gespeeld

Het hof is van oordeel dat artikel 30 Wetboek van Strafvordering niet aan de orde is nu er geen verzoek tot kennisneming was gedaan. Naar analogie toegepast - in overeenstemming met de strekking van dit artikel - leidt dit tot het volgende.

Het hof is van oordeel dat in het algemeen geldt dat de verdediging er een groot belang bij heeft om in een zo vroeg mogelijk stadium kennis te nemen van stukken die in de opsporing en vervolging in de zaak tegen de verdachte een rol spelen. Dat belang krijgt extra nadruk als het gaat om bevindingen van deskundigen, omdat de verdediging mogelijk veel tijd en inspanning moet investeren in de beoordeling van de rapportage en de eventuele organisatie van contra-expertise. Aan de andere kant kan de opsporende instantie er onder omstandigheden belang bij hebben om om tactische redenen de kennisneming van enig gegeven voor de verdachte en zijn raadsman uit te stellen.

De angel in de onderhavige kwestie is, naar het oordeel van het hof, niet zozeer de periode van drie weken waarbinnen de kennisneming van het rapport is uitgesteld als wel de omstandigheid dat de verdachte en zijn raadsman met de inhoud werden overvallen tijdens het verhoor. Benadeling in de zin van onvoldoende voorbereiding van de verdediging voor de terechtzitting is immers niet aan de orde gesteld.

Het hof is van oordeel dat het kennelijk beoogde tactisch uitstel van kennisneming van het rapport niet onder alle omstandigheden strijdig is met een eerlijk proces of ongelijkheid van processuele middelen oplevert. Een dergelijke strijdigheid zou zich kunnen voordoen als het tactisch uitstel mogelijkheden van feitenonderzoek of van onderzoek door deskundigen verloren zou doen gaan waardoor aan de verdachte mogelijkheden voor zijn verdediging ontvallen die daarvoor van belang hadden kunnen zijn. Van dergelijke vormen van benadeling van de positie van de verdediging is echter niet gebleken. Voor de verdediging zijn de mogelijkheden van bestudering van het rapport en eventueel aanbinden van de strijd tegen de gehanteerde methode van onderzoek of de analyse en interpretatie van de onderzoeksgegevens door het uitstel niet aangetast.

Naar het oordeel van het hof is de handelwijze van de politie dus niet in strijd met artikel 30 Wetboek van Strafvordering, indien uitgelegd naar zijn strekking, en evenmin met artikel 6 EVRM.

Ad 2. Ten aanzien van het aan de verdachte op 26 maart 2008 onjuist voorhouden van de uitkomsten van het NFI-rapport d.d. 5 maart 2008 door de verhorende verbalisanten, volgt het hof de door de rechtbank in deze gebruikte overweging. Het hof acht het onjuist voorhouden van de inhoud van bedoeld NFI-rapport aan verdachte onzorgvuldig en kwalijk. Het hof is van oordeel dat politieverhoren zouden moeten zijn omkleed met waarborgen die dergelijke onjuiste weergaven voorkomen. Dat is kennelijk hier niet het geval geweest. Het hof is van oordeel, mede gelet op de hieromtrent door de verbalisanten bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, dat deze kwalijke gang van zaken niet het resultaat is van doelbewuste misleiding. Het hof stelt vast dat verdachte geschaad is in zijn verdedigingsbelang, echter niet zodanig ernstig dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te volgen. Het hof zal, ingeval het ten laste gelegde wordt bewezen verklaard, met dit onherstelbare vormverzuim evenwel rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Naast het hier gestelde behoeft hetgeen overigens nog is aangevoerd op deze plaats geen bespreking.

Ad 3. Wat betreft de gestelde inbreuk op het overleg tussen de raadsman en de verdachte overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat het in artikel 218 Wetboek van Strafvordering opgenomen verschoningsrecht berust op de eis, dat iedere burger die zich om hulp of bijstand tot de in dit artikel bedoelde hulpverleners, waaronder de advocaat, richt, erop moet kunnen rekenen dat hetgeen hen wordt toevertrouwd, geheim blijft. De wetgever heeft dit recht zo belangrijk gevonden, dat de waarheidsvinding in de strafzaak in het algemeen ervoor moet wijken. Het verschoningsrecht van de advocaat is ook van essentieel belang voor het contact tussen advocaat en cliënt en daarmee voor een goed functionerende verdediging. En een goed functionerende verdediging is mede bepalend voor de kwaliteit van de strafrechtspleging.

Gebleken is dat op 26 maart 2008 tijdens het overleg tussen verdachte en zijn raadsman de camera's enkele minuten hebben meegelopen zonder geluid en dat te zien is geweest dat de raadsman en verdachte in gesprek waren. Verbalisant 1 heeft bij de rechter-commissaris op 17 september 2008 onder meer het volgende verklaard:

"Het klopt dat ik heb voorgesteld om het overleg tussen u (hof: raadsman mr. E.J. van Gils)en uw cliënt in de verhoorkamer te laten plaats vinden. Ik had op dat moment geen andere ruimte.

Ik heb u toen toegezegd dat de band zou worden stop gezet en dat ook de geluidsverbinding zou worden verbroken. Achteraf, na afloop van het verhoor, heb ik gehoord dat de band inderdaad wel was stopgezet maar dat nog een aantal minuten livebeelden vanaf de studio de regiekamer zijn binnengekomen. Ik heb dat direct gemeld aan mijn projectleider [verbalisant 2]. Ik heb ook gezegd dat dit te betreuren was, maar dat mij niets te verwijten viel. Ik heb ook de officier van justitie hierover ingelicht. Dat de livebeelden nog te zien waren geweest hoorde ik toen ik na afloop van het verhoor terugkwam in de regiekamer. [verbalisant 3], was daar ook bij. D, vertelde spontaan dat de advocaat heftig gebarend voor zijn cliënt stond en dat de cliënt ongeïnteresseerd naar buiten keek. Toen D dat aan mij vertelde waren de mensen van de forensische opsporing er ook bij."

Verbalisant 3 verklaarde op 18 september 2008 bij de rechter-commissaris op vragen van de raadsman: "Er is door Gerjo ( het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 1] gezegd dat de beeldopname en de geluidsopname zouden worden stop gezet tijdens het overleg tussen U en uw cliënt. Ik heb na het verhoor gehoord dat desondanks u en uw cliënt nog in beeld zijn geweest. De opname en het geluid waren wel gestopt. Hoe het kan dat u dan toch nog in de regiekamer te zien was weet ik niet, dat zal wel iets technisch zijn geweest. Ik weet ook niet hoe lang het geduurd heeft. Ik weet dat men zei dat men in de regiekamer had gezien dat er heftig overleg was tussen u en uw cliënt en dat uw cliënt wegkeek."

Het hof is van oordeel dat er, gezien het vorenstaande, geen sprake is van een doelbewuste handelwijze waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verbalisanten direct zowel de teamleider als de officier van justitie van deze omissie op de hoogte hebben gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft zich hieromtrent verantwoord. Het is uiteraard ongewenst dat er beelden zijn bekeken van een overleg tussen de verdachte en zijn raadsman. Van enig nadeel aan de zijde van de verdachte is echter niet gebleken. Een sanctie als bedoeld in artikel 359a Wetboek van strafvordering zal het hof in verband met deze onzorgvuldigheid dan ook niet opleggen.

Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft naast het hiervoor gestelde op deze plaats geen bespreking.

Ad 4. Ten aanzien van de door de verdediging gestelde tunnelvisie waardoor het onderzoek onvolledig zou zijn geweest wordt het volgende overwogen.

In het rapport van 12 augustus 2008 door verbalisant [verbalisant 2] wordt het volgende opgemerkt:

"Aan het begin van het onderzoek zijn alle mogelijke scenario's open gehouden, ten einde tunnelvisie te voorkomen. Er is een selectie gemaakt tussen bekenden van het slachtoffer en onbekenden. Alle aangedragen aanwijzingen omtrent een mogelijke verdachte of verdachten zijn onderzocht. Hierbij is het criterium logisch of onlogisch niet gehanteerd en zijn alle mogelijkheden open gehouden en onderzocht."

a) 'bekende dader B':

B is de zoon van F. De officier van justitie heeft in overleg met de teamleiding besloten deze onderzoeksrichting niet verder te onderzoeken aangezien er geen technisch forensische aanwijzingen zijn gevonden. Er is geen enkele aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij dit feit.

b) 'bekende dader A':

A is de ex-vriend van een buurvrouw uit de Harkstraat. De officier van justitie heeft in overleg met de teamleiding besloten deze onderzoeksrichting niet verder te onderzoeken aangezien er geen technisch forensische aanwijzingen zijn gevonden. Er is geen enkele aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij dit feit.

c) [C]:

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 15 september 2010 verklaard dat [C] door het Openbaar Ministerie als verdachte is aangemerkt en gehoord. Er zijn echter geen technische sporen van haar op de plaats delict aangetroffen.

Het hof verwijst hier naar hetgeen is overwogen bij de behandeling van het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de zaak.

d) E:

Dossier C5, blz. 139/140, verbalisant [verbalisant 5]:

"Bij nader onderzoek op 27 november 2007 aan alle papieren werd op een handgeschreven bon van “naam zaak” gevestigd te [vestigingsplaats], gedateerd 22 oktober 1998 een dactyloscopisch spoor aangetroffen. Dit dactyloscopisch spoor is identiek aan de afdruk van de rechter wijsvinger, voorkomend op een op 23 januari 1997 te Amsterdam vervaardigd dactyloscopisch signalement, gesteld ten name van E, geboren op [1978] te [geboorteplaats]."

De vader van E verklaarde tegenover verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 1] ( dossier E1, blz. 0114) dat hij de zaak, (naam) had opgezet voor zijn zoon en dat zijn zoon het bedrijf runde en dit goed deed.

Er zijn niet meer dactyloscopische sporen aangetroffen van E op de plaats delict. Het aantreffen van zijn vingerafdruk op een bon van een bedrijf waarvan hij eigenaar was komt het hof niet onlogisch voor. Nader onderzoek acht het hof niet noodzakelijk

e) de informatie van getuige [getuige 3]:

Het hof veronderstelt dat de raadsman de getuigenverklaring bedoelt van [getuige 3] op 14 november 2007 afgelegd tegenover verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (dossier G1, blz.248-254) waarin hij verklaart dat:

"Mijn buurvrouw vertelde mij verder (het hof begrijpt: op 14 november 2007) dat zij de overbuurman van het slachtoffer had gesproken over de uitzending van Opsporing verzocht. De overbuurman genaamd [naam] had haar verteld dat hij anoniem naar de politie zou bellen met het volgende verhaal:

Dat [verdachte] niet de moord op het slachtoffer heeft gepleegd maar dat hij wel weet wie dat wel heeft gedaan. Hij vertelde dat het de directe buurman van het slachtoffer betrof. Ik weet niet of hij links of rechts bedoelde. Het zou wel een Nederlandse man betreffen. De overbuurman vertelde dat hem was opgevallen dat tijdens de ontruiming van de woning van het slachtoffer deze buurman kwam aanfietsen richting zijn woning en toen hij de ontruiming zag dat die betreffende buurman rechtsomkeert maakte."

Het hof is van oordeel dat er zich geen enkele aanwijzing in het dossier bevindt dat de buurman van het slachtoffer betrokken zou zijn bij het onder 1 ten laste gelegde.

f) De verdediging is van mening dat [getuige 2] en [getuige 1] foto's hadden moeten bekijken op basis van de in hun verklaringen gegeven signalementen.

[getuige 2] verklaarde op 8 januari 2008 tegenover verbalisant [verbalisant 9] (dossier G1, blz. 296-297):

"Ik heb op 17, 18 en 19 september 2007 rond 21.10/2115 uur twee jongens gezien. Zij liepen in de Harkstraat linksaf de Gaffelstraat in. Het was een Surinaamse en Marokkaanse jongen. De Surinaamse man droeg kort stekelig haar en de Marokkaanse jongen was rond de 1.70 m. Ik heb de jongens niet eerder gezien. En na die drie dagen heb ik ze ook niet meer gezien. Ik kan u verklaren dat zij zich niet verdacht gedroegen."

Op het vorengenoemde tijdstip op 18 september 2007 was het slachtoffer al dood aangetroffen in haar woning. De twee jongens zijn dus door [getuige 2] voor de eerste keer gezien op een moment dat het slachtoffer nog niet was aangetroffen en twee maal nadat het slachtoffer al dood in de woning was aangetroffen. Zij gedroegen zich volgens [getuige 2] niet verdacht.

Het hof is van oordeel dat vorenstaande verklaring van [getuige 2] niet kan leiden tot een verdenking dat deze twee jongens betrokken zouden zijn bij onder 1 ten laste gelegde.

[getuige 1] verklaarde op 7 januari 2008 telefonisch tegenover verbalisant [verbalisant 9] (dossier G1, blz 287-288):

"Op maandag 17 september 2007 omstreeks 21.00 uur bracht ik mijn schoonmoeder naar huis. Ik parkeerde mijn auto op de stoep op de hoek van de Egstraat met de Harkstraat te Amsterdam. Ik zag dat twee jongens rond de 20 jaar zich daar verdacht ophielden en zij wilden duidelijk niet gezien worden. Een van de jongens was duidelijk het type van een Surinaamse jongen, kroeshaar en petje. Hij had een normaal postuur en was ongeveer 1.90 m lang. De andere jongen meer Surinaams/Hindoestaans met vettig krullend haar dat naar beneden half over zijn hoofd hing. Hij had ook een normaal postuur en was ongeveer 1.80 m lang......Ik vertrouwde de jongens niet en was bang voor een inbraak in mijn auto.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 15 september 2010 verklaard dat het signalement dat is gegeven door [getuige 1] en [getuige 2] onvoldoende specifiek is om op basis daarvan een verantwoorde fotoconfrontatie samen te stellen.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] - naast het door de advocaat-generaal besproken praktische probleem - niet kan leiden tot de conclusie dat de door hem beschreven mannen betrokken zouden zijn bij het onder 1 ten laste gelegde.

De op een zestal documenten aangetroffen zelfde vingerafdruk is vergeleken met de aangeleverde dactyloscopische signalementen van de getuigen en er is gezocht in het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem van de Dienst Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten te Zoetermeer. Dit heeft geen positief resultaat opgeleverd (dossier C5, blz. 128, proces-verbaal bevindingen).

Het vermoeden bestond dat deze vingerafdrukken afkomstig zouden kunnen zijn van de inmiddels overleden vriendin van het slachtoffer, X ( De getuige [getuige 4] verklaarde dat wijlen haar moeder X de hartsvriendin was van het slachtoffer [slachtoffer 1] en zij haar altijd met haar administratie heeft geholpen, dossier E1 blz. 0086). Getracht is de vingerafdrukken van X te achterhalen. Dat is niet gelukt (blz. 13 en 14 proces-verbaal relaas van 7 april 2008, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4].

Het aangetroffen dactyloscopisch spoor op een kredietovereenkomst van de gemeentelijke kredietbank d.d. 16 februari 2007 is onbekend. De kredietaanvraag is behandeld door Q van de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam. Q is met de VUT (dossier C5, blz. 0142).

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof op 15 september 2010 verklaard dat handpalmsporen niet ter identificatie geschikt zijn, aangezien er geen databank handpalmsporen bestaat.

Rechts van de brievenbus aan de buitenzijde van de voordeur is een vingerafdruk aangetroffen. Ook zijn vingerafdrukken aangetroffen op de deurpost van de deur van de woonkamer naar de slaapkamer, vingerafdruk (tweemaal op buitenzijde kastdeur in woonkamer), vingerafdruk op deur (woonkamerzijde) van woonkamer naar slaapkamer, boven deurgreep en vingerafdruk op rechterzijde wastafel in slaapkamer.

Uit het dossier blijkt niet dat deze vingerafdrukken zijn onderzocht dan wel geschikt waren om onderzocht te worden. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat het onderzoek naar deze vingersporen in de databank geen overeenkomst met de verdachte heeft opgeleverd, en evenmin met enige andere, in de databank opgenomen afdruk.

Het hof kan de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen nader onderzoek naar deze sporen te doen, mede gelet op het feit dat er geen aanleiding is deze sporen als delict-gerelateerd te beschouwen, billijken.

Ad 5. In het rapport van de deskundige Stomp wordt aangegeven dat het nomogram van Henssge door de forensisch onderzoekers in deze zaak niet goed is gebruikt en niet goed is ingevuld. Met invulling van de door hem vastgestelde gegevens komt hij tot een periode waarin het overlijden waarschijnlijk moet hebben plaats gevonden in de periode van 17 september 2007 te 14.30 uur tot 18 september 2007 te 04.00 uur.

Het hof is van oordeel dat er, gezien de afgelegde verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] ter terechtzitting van het gerechtshof d.d. 18 december 2009, bij het door hen hanteren van genoemd model geen sprake is geweest van een doelbewuste handelwijze waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verbalisanten weliswaar door een gebrek aan parate kennis op sommige onderdelen onnauwkeurig te werk zijn gegaan doch overigens naar eer en geweten hun werk hebben verricht. Uit het feit dat nu geconcludeerd kan worden dat de tijdspanne waarin het slachtoffer om het leven is gebracht vergroot dient te worden - en het verzuim daarmee hersteld is - kan niet de conclusie getrokken worden dat verdachte daar enig nadeel van heeft ondervonden. Een sanctie als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering acht het hof in dit verband niet aan de orde.

Ad 6. Geheimhoudersproblematiek. Het hof stelt het volgende vast:

Het eerste en tweede lid van artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken luidt als volgt:

1. De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.

2. Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 126aa (Kamerstukken II 1996-1997, 25403 nr.3, pagina 82-83) volgt dat mededelingen van of aan een geheimhouder, zoals hier bedoeld, in beginsel niet aan het procesdossier mogen worden toegevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. In dit verband is tijdens de behandeling van deze wetsbepaling in de Tweede Kamer uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het verschoningsrecht illusoir zou worden als geen spoedige vernietiging zou plaatsvinden en deze stukken gedurende een onbepaalde periode bewaard zouden worden.

De wetgever heeft voorzien in een werkwijze, die er toe leidt dat opsporingsambtenaren kennisnemen van communicatie waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze plaats vond met een geheimhouder. Naar het oordeel van het hof kan alleen al daarom niet worden gezegd dat het tot de kern van het wettelijke systeem behoort, dat opsporingsambtenaren geen kennis (kunnen) nemen van dergelijke communicatie.

Uit de tijdens de procedure door het Openbaar Ministerie verschafte gegevens kan worden afgeleid dat de verdachte slechts aan 1 van de ten onrechte niet vernietigde gesprekken heeft deelgenomen. De overige gesprekken zijn gevoerd door getuigen dan wel de medeverdachte [C]. Op verzoek van de verdediging is het gesprek dat door de verdachte met een geheimhouder - (de assistente van) zijn huisarts - is gevoerd uitgeluisterd doch de inhoud bleek voor de onderhavige strafzaak van geen belang te zijn.

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een verzuim waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

d) Het hof heeft evenmin aanwijzingen gevonden dat naar aanleiding van de opgenomen communicatie met geheimhouders op de een of andere wijze middellijk of onmiddellijk onderzoekshandelingen zijn verricht

Tenslotte betrekt het hof bij zijn overwegingen dat het niet van de inhoud van de litigieuze gesprekken kennis heeft genomen en dat deze gesprekken derhalve op geen enkele wijze (in het onderzoek) een rol spelen bij de thans te nemen beslissingen.

Op grond van het voorafgaande stelt het hof vast dat geen aanleiding bestaat om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het verweer wordt in zoverre verworpen. Voor enige andere sanctie ziet het hof evenmin reden.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat er op enkele punten sprake is geweest van fouten en onzorgvuldigheden in het voorbereidend onderzoek. Zoals uit het voorgaande blijkt is het hof evenwel niet van oordeel dat er sprake is van een opeenstapeling van vormverzuimen die de waarheidsvinding en het belang van de verdediging in de weg hebben gestaan.

Dit alles leidt tot het oordeel dat voornoemde omissies ieder op zich maar ook tezamen en in onderling verband bezien, niet zodanig ernstig zijn dat het hof daaraan de zwaarst mogelijke sanctie verbindt, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de

vervolging van de verdachte. Het hof zal daarom het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaren in de vervolging. Ook ziet het hof geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

Voor zover de verdediging, onder verwijzing naar het "Karman arrest", heeft bepleit dat door deze gang van zaken is gehandeld in strijd met de grondslagen van een strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, is het volgende van belang.

In het genoemde arrest ging het om een handelwijze van het Openbaar Ministerie die in strijd was met de grondslagen van het strafproces (met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter), waardoor het wettelijk systeem in de kern was geraakt.

De probleemstelling in dat arrest die vooral betrekking heeft op de miskenning van de onafhankelijkheid van de rechter door de officier van justitie (door een deal te sluiten met de kroongetuige dat een eventuele straf niet ten uitvoer zou worden gelegd) is in de onderhavige zaak niet aan de orde.

Het hof zal, indien het hof aan strafoplegging toekomt, vanwege het geconstateerde onherstelbare vormverzuim (onder punt 2), ter compensatie van het geschonden belang van verdachte, daarmee rekening houden bij de strafoplegging.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 subsidiair

Aan het proces-verbaal bevindingen van 8 oktober 2007 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11], [verbalisant 10] en verbalisant 12 (1), ontleent het hof het volgende:

[slachtoffer 1] wordt op dinsdag 18 september 2007 omstreeks 21.12 uur levenloos aangetroffen op de grond in de slaapkamer van haar woning aan de [adres] huis te Amsterdam. Uit het sectieverslag (2) blijkt dat zij is overleden als gevolg van samendrukkend en/of omsnoerend geweld op haar hals. Verder is bij haar een aantal gebroken ribben en huidletsel geconstateerd. Het snoer van de telefoon in de woonkamer is doorgeknipt. Op het bed ligt een geopende attachékoffer en een gehoorapparaat, naast verschillende papieren. Op het bed ligt ook een plastic tasje met een wenskaart. Omdat het tasje uit een openstaande lade afkomstig lijkt waar een tweede soortgelijk plastic tasje met wenskaarten ligt is het tasje inbeslaggenomen. Het hoofd van het slachtoffer is gedeeltelijk bedekt met een nachtjapon. Zij is gekleed in een grijze rok en blauwe blouse met bloemen. Op haar hals is een kleine verwonding zichtbaar. Rond het hoofd van het slachtoffer en gedeeltelijk daaronder liggen hangers van een ketting. De ketting zelf wordt niet aangetroffen. Om haar rechtervinger draagt het slachtoffer een zware ring, die gedraaid om haar vinger zit. Haar rechterhand ligt boven haar hoofd. In of aan de woning zijn geen sporen van braak.

Van de beide handen van het slachtoffer worden de voorzijde van de nagels en de nagelriemen bemonsterd, De nachtjapon en de blauwe blouse worden inbeslaggenomen.

Na uitvoerig debat ter terechtzitting in hoger beroep is in confesso dat het slachtoffer tussen de vroege middag van 17 september en de vroege ochtend van 18 september 2007 moet zijn overleden. Aannemelijk is geworden dat het slachtoffer na 17 september te 19.00 uur telefonisch niet meer is bereikt.

I.

Het hof overweegt allereerst dat het ontbreken van braaksporen, het uit getuigenverklaringen naar voren komende beeld dat het slachtoffer bij het openen van de voordeur erg voorzichtig was en het gegeven dat alleen in de slaapkamer doelgericht lijkt te zijn gezocht een sterke aanwijzing vormen voor het uitgangspunt dat de dader een bekende was van het slachtoffer.

II

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft zeven maal gerapporteerd in deze zaak (3). Twee deskundigen van het NFI zijn zowel in eerste als in tweede aanleg ter terechtzitting gehoord.

Het hof overweegt dat allereerst van belang is het rapport betreffende het celmateriaal, gevonden op de rechterhand van het slachtoffer (rapport van het NFI van 5 oktober 2007 en als aanvulling daarop de uitleg door de deskundigen van 9 november 2007). Uit het rapport blijkt dat inderdaad op de vingers van de rechterhand celmateriaal is gevonden. Het NFI geeft in verband daarmee in de toelichting van 9 november 2007 twee hypothesen: het lichaamsmateriaal van de donor is enkele dagen voor het overlijden van het slachtoffer op de vingernagels terecht gekomen of kort voor haar overlijden. Het NFI acht de tweede hypothese waarschijnlijker.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de deskundige Bink nog opgemerkt dat uit het celmateriaal op de nagels een volledig profiel is verkregen, zodat het om een grote hoeveelheid celmateriaal moet zijn gegaan.

Bij zijn oordeel over deze kwestie betrekt het hof dat uit getuigenverklaringen naar voren komt dat het slachtoffer netjes was en regelmatig haar handen waste(4). Ze waste af met sop en douchte elke dag. Het hof overweegt voorts dat de omstandigheid dat celmateriaal is gevonden op de plaats van bemonstering van de rechterhand - de voorzijde van de nagels en de nagelriemen - en dat een volledig profiel is verkregen erop duidt dat het slachtoffer op die plaats betrekkelijk krachtig contact met het lichaam van een ander persoon moet hebben gehad. Het hof trekt uit het voorgaande de slotsom dat het celmateriaal niet afkomstig kan zijn van een eerder contact met een persoon maar is overgebracht kort voor het overlijden van het slachtoffer.

De suggestie van de verdachte dat hij bij zijn bezoek aan het slachtoffer op zondagavond 16 september 2007, de dag voor haar overlijden, het slachtoffer wellicht uit haar stoel heeft geholpen waardoor zijn celmateriaal op haar hand is gekomen (5) moet tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen als hoogst onwaarschijnlijk worden verworpen. Het slachtoffer moet na het bezoek gedoucht hebben, haar handen hebben gewassen en andere handelingen hebben verricht waardoor eventueel overgedragen celmateriaal al lang zou zijn verdwenen.

Het NFI heeft voorts op 5 oktober 2007 gerapporteerd dat het uit het celmateriaal verkregen DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, verkregen uit een door hem vrijwillig afgestaan wangslijmmonster. De zeldzaamheid van het profiel is maximaal. Het hof concludeert, gelet op de extreme zeldzaamheid in combinatie met het uitgangspunt dat de dader een bekende moet zijn geweest, dat de verdachte de donor is van het celmateriaal.

Voorzover DNA-profielen zijn gevonden die niet overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte komen ze overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer. Er zijn geen profielen gevonden die niet met de profielen van de verdachte of het slachtoffer overeenkomen.

III

Voorts is van belang het rapport van het NFI van 5 maart 2008 voor zover het betrekking heeft op onderzoek naar bloed en contactsporen op de nachtjapon en de blouse van het slachtoffer.

Met betrekking tot de nachtjapon heeft het NFI twee hypothesen opgesteld: de nachtjapon is op het hoofd van het slachtoffer gelegd of op het gezicht gedrukt. Het NFI heeft voor het onderzoek van de nachtjapon aan de hand van foto's de nachtjapon zo gevouwen als hij op het gezicht van het slachtoffer lag, en vervolgens die plaatsen bemonsterd waar contact met de stof voor de hand zou liggen bij het leggen van dan wel drukken op de stof. Inderdaad is op een dergelijke plaats celmateriaal gevonden. Het daaruit verkregen profiel komt overeen met het profiel van de verdachte. De zeldzaamheid van het profiel is maximaal.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de deskundige van der Scheer nog verklaard dat men aan de zijkanten van de gevouwen nachtjapon celmateriaal heeft gevonden. Dat zou, als het alleen om neerleggen ging, een aanraakspoor zijn geweest, maar het hoeft niet te betekenen dat er niet gedrukt is.

Het hof heeft deze uitspraken gecombineerd met het gegeven dat een volledig profiel is verkregen uit het celmateriaal, hetgeen duidt op een grote hoeveelheid daarvan. Op grond hiervan begrijpt het hof de mededeling van de deskundige van der Scheer dat deze hoeveelheid aldus duidt op het uitoefenen van enige kracht, en dus op drukken.

Met betrekking tot de voorkant van de blouse heeft het NFI een bloedvlek gevonden waaruit een DNA-profiel is verkregen. Dit profiel komt overeen met het DNA-profiel van de verdachte. De zeldzaamheid van het profiel is maximaal.

Voorts is de halsboord van de blouse bemonsterd op de plaatsen waar zich bij een verwurging mogelijk celmateriaal van de dader zal bevinden. Op een dergelijke plaats is inderdaad celmateriaal gevonden. Het daaruit verkregen DNA-mengprofiel bevat kenmerken van een vrouw en een man. Het hoofdprofiel komt overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer; het nevenprofiel komt overeen met het DNA-profiel van de verdachte. Ook in dit geval is de zeldzaamheid maximaal.

Het hof komt met betrekking tot het voorgaande tot de slotsom dat, gelet op de extreme zeldzaamheid van de in het celmateriaal gevonden DNA-profielen in combinatie met het uitgangspunt dat de dader een bekende moet zijn geweest, het de verdachte is geweest die de donor is van het besproken celmateriaal. De omstandigheid dat het celmateriaal is gevonden op de nachtjapon op de plaats waar degene die de nachtjapon op het gezicht legde of drukte waarschijnlijk contact met de stof maakte, brengt mee dat het spoor in verband staat met het misdrijf. Het hof is van oordeel dat de verdachte zijn celmateriaal op de nachtjapon heeft achtergelaten toen hij het op het gezicht van de overledene legde of drukte. Voor het celmateriaal dat op de halsboord van de blouse is gevonden geldt eveneens dat de vondst een bevestiging vormt van de hypothese dat het er ter gelegenheid van de verwurging is achtergelaten, terwijl de extreme zeldzaamheid betekent dat het de verdachte is die als donor van het celmateriaal moet worden gezien.

Tenslotte wijst ook het DNA, gevonden in de bloedvlek op de voorkant van de blouse erop dat de verdachte bij het geweld tegen de overledene bloed uit een verwonding van hemzelf op de blouse moet hebben overgedragen. Bij dit oordeel speelt opnieuw een rol dat het slachtoffer (6) dagelijks schone kleren aantrok, zodat de gedachte dat het bloedspoor bij een eerdere gelegenheid zou zijn overgedragen als strijdig hiermee moet worden verworpen.

Overigens is in het onderzochte celmateriaal het DNA-profiel van het slachtoffer gevonden. Er zijn geen DNA-profielen gevonden die niet op het profiel van de verdachte of het slachtoffer zijn terug te brengen.

IV

Het rapport van 24 juli 2008 bevat onder meer de uitslag van DNA-onderzoek naar drie bloedvlekken op de voorkant van de blouse. Naar voren komt dat uit de bloedvlekken DNA-profielen zijn verkregen die overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte. De zeldzaamheid van één profiel is maximaal, van het tweede profiel is de zeldzaamheid kleiner, namelijk kleiner dan 1 op 2 miljoen.

Ook voor deze sporen geldt, gelet op de extreme respectievelijk iets minder extreme zeldzaamheid van de profielen en het uitgangspunt dat de dader een bekende moet zijn geweest, dat het hof van oordeel is dat het de verdachte is die de bloedvlekken heeft achtergelaten ter gelegenheid van de geweldpleging tegen het slachtoffer.

Ook bij dit onderzoek is in het celmateriaal geen DNA-profiel gevonden dat niet op het DNA-profiel van de verdachte of het slachtoffer kan worden teruggebracht.

V

Tenslotte rapporteert het NFI in het rapport van 23 september 2009 over een Y-chromosomaal DNA-onderzoek van celmateriaal, gevonden nabij de knip in een doorgeknipt telefoonsnoer. De conclusie is dat het onvolledige Y-chromosomale DNA-profiel, verkregen uit dit celmateriaal overeenkomt met het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. De zeldzaamheid van het profiel kan niet berekend worden.

Het hof is van oordeel dat dit gegeven, in combinatie met de hiervoor besproken sporen, een aanwijzing vormt dat de verdachte het telefoonsnoer heeft doorgeknipt. Dat dit doorknippen is gebeurd kort voor of na de dood van het slachtoffer ligt voor de hand.

De overige, hier niet in detail besproken, rapporten van het NFI bevatten geen uitspraken die met de conclusies van het hof op basis van de besproken rapporten strijdig zijn. Naast de profielen van het slachtoffer en de verdachte - in wisselende mate van zeldzaamheid - komen geen profielen van derden naar voren.

VI

De verdachte heeft in verband met de eerder besproken bloedvlekken op de blouse en de contactsporen op de vouwen van de nachtjapon en de halsboord van de blouse opgeworpen dat hij bij zijn regelmatige bezoeken aan het slachtoffer wel hielp met het vouwen en opbergen van de was, waardoor wellicht celmateriaal van hem op de kleren van het slachtoffer is gekomen7. De bloedvlekken zouden mogelijk verklaard kunnen worden doordat hij bij het vouwen wellicht een sneetje aan een vinger had.

De vraag of bij vouwen van was celmateriaal kan worden overgebracht is ter terechtzitting in eerste aanleg aan de deskundige van der Scheer voorgelegd. Zijn antwoord luidde dat de overdracht van celmateriaal bij simpel aanraken onwaarschijnlijk is, maar dat het loslaten van celmateriaal bij eroverheen strijken - het hof begrijpt gladstrijken, wrijven - toch al weer meer mogelijk is.

Het hof is van oordeel dat het verweer in beide onderdelen moet worden verworpen.

Voorop staat dat tegenover de misdrijfbetrokkenheid van het celmateriaal op de vingernagels van het slachtoffer door de verdediging geen houdbare alternatieve verklaring is gegeven; het oordeel van het hof dat de verdachte ter gelegenheid van de geweldpleging jegens het slachtoffer zijn celmateriaal heeft overgedragen, is onaangetast. Voorts geldt voor de contactsporen op de nachtjapon en de blouse dat deze zijn gevonden op plaatsen waarvan aannemelijk is dat deze bij de handelingen van de dader zouden zijn aangeraakt. De vondsten bevestigen dus die handelingen, en zijn, nu het om met het blote oog niet zichtbaar materiaal gaat, niet zonder meer te gebruiken als argument in een ander scenario. Anders gezegd: de plek waar men de stof aanraakt bij het opvouwen van een nachtjapon is een andere dan waar het om gaat bij het leggen van de nachtjapon op het hoofd van het slachtoffer. Voor de blouse geldt hetzelfde.

In de bevestiging van het verwurgings- en neerleg- of drukscenario door de vondst van celmateriaal ligt, naar het oordeel van het hof, de verwerping van het alternatieve scenario van de verdediging besloten: het hof is van oordeel dat de door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve oorzaken voor de aanwezigheid van zijn celmateriaal op de besproken plaatsen als hoogst onwaarschijnlijk moeten worden beschouwd.

Tenslotte overweegt het hof dat in het verweer van de verdachte besloten ligt dat een onbekende het misdrijf moet hebben begaan. Deze stelling vindt zijn verwerping in de omstandigheid dat in geen van de DNA-onderzoeken van het NFI celmateriaal van een onbekende is gevonden, terwijl achterlating daarvan, gelet op de intensiteit van de geweldpleging, voor de hand zou hebben gelegen. Geen ander dan het slachtoffer en de verdachte komen als donor van celmateriaal naar voren.

De besproken rapporten en de mede daarop gebaseerde oordelen van het hof leiden, alle bijeen genomen, tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die tussen de vroege middag van 17 september en de vroege ochtend van 18 september 2007 het slachtoffer ter dood heeft gebracht door haar te verstikken.

VII

Het aantreffen van twee hangers links en rechts van het hoofd van het slachtoffer (8) en het ontbreken van de bijbehorende halsketting (verklaring van [getuige 4] dat het slachtoffer vrijwel altijd een vrij lange ketting droeg (9), de geopende lades van meerdere kasten en de geopende attachékoffer met daaromheen diverse papieren bescheiden en een plastic zakje op het bed, brengen het hof tot het oordeel dat het slachtoffer is gedood door de verdachte in verband met een diefstal van een sieraad en poging tot diefstal van sieraden en/of geld.

Bij dat oordeel speelt een rol dat de geopende lades, de papieren en het plastic zakje op het bed en de geopende attachékoffer niet te rijmen zijn met de netheid en ordelijkheid in de rest van de woning. Het hof trekt daaruit de conclusie dat de papieren, het plastic zakje en de koffer ter gelegenheid van het misdrijf op het bed terecht zijn gekomen.

Voorts zijn op diverse bescheiden en op het plastic zakje dat kennelijk in een lade thuis hoorde maar op het bed werd gevonden vingerafdrukken aangetroffen die overeenkomen met de vingerafdrukken van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof nog naar voren gebracht dat hij het zakje mogelijk heeft aangeraakt toen hij bij een andere gelegenheid dan de doodslag in opdracht van het slachtoffer een strippenkaart of een postzegel uit de lade haalde (10).

Het hof verwerpt deze suggestie omdat er in het dossier geen enkele aanwijzing is dat het slachtoffer juist in die lade postzegels of strippenkaarten bewaarde.

In het algemeen heeft de verdediging gesteld dat de vingerafdrukken van verdachte die zijn aangetroffen verklaard kunnen worden door zijn veelvuldige aanwezigheid in de woning en zijn verklaringen over zijn behulpzaamheid bij de post: juist omdat aannemelijk is dat verdachte met regelmaat over de vloer kwam bij het slachtoffer, klusjes voor haar verrichtte als post wegwerken, de was en kleding opvouwen en opbergen, meent de verdediging dat voor het aantreffen van de diverse sporen andere zeer plausibele verklaringen zijn te geven.

Het hof verwerpt dit verweer. Op de voorgrond staat dat de betrokkenheid van de verdachte bij het behandelen van de post niet vast is komen te staan, nu [getuige 4] juist heeft verklaard dat wekelijks met het slachtoffer te hebben gedaan en nooit te hebben gehoord dat een ander zich ook met de post had beziggehouden (11). Voorts is door dezelfde getuige verklaard dat niemand aan de koffer mocht komen.12 Nu de juist op het plastic zakje op het bed en op de attachékoffer aangetroffen dactyloscopische sporen - in verschillende maten van waarschijnlijkheid - wijzen in de richting van de verdachte is hun voorkomen veel waarschijnlijker bij de gedachte dat ze zijn achtergelaten ten tijde van het geweldsdelict dan tijdens het doen van een huiselijk klusje. Bij dit oordeel speelt een rol dat noch op de koffer noch op het plastic zakje een vingerspoor is gevonden dat wijst in de richting van een andere persoon dan verdachte.

VIII

De verdachte heeft reeds vanaf zijn eerste verhoor als getuige door de politie verklaard over zijn bezigheden op maandag 17 september 2007: hij zou naar het kantoor van zijn werkgever zijn geweest om vrij te vragen, hij zou een kamer in hotel Oosterpark hebben gereserveerd voor de volgende twee dagen, hij zou thuis - [adres] - hebben gewacht tot omstreeks 16.00 uur om naar zijn werk te gaan waar hij tussen 17.30 en 19.30 uur zou hebben verbleven. Na afloop van het werk zou hij aldaar een laptop hebben gestolen en daarmee zou hij naar R in de Indische Buurt zijn gegaan. Rond 23.00 uur zou hij weer thuis zijn geweest. De volgende dag zou hij naar de Dappermarkt zijn geweest in afwachting van het moment dat hij zijn kamer in het hotel kon betrekken. Die avond zou hij hebben gewerkt, en hij zou in zijn hotelkamer naar voetbalwedstrijden hebben gekeken.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte volgens zijn werkgever op 17 september 2007 niet op kantoor is geweest en die avond niet heeft gewerkt. Dat de verdachte die dag op enig tijdstip rond 19.00 uur op het werk is geweest is aannemelijk omdat er een telefooncontact is in de buurt van het werk om 19.01 uur en de laptop daar is gestolen. Voorts is uit de historie van de telefoon van verdachte gebleken dat hij om 21.22 uur een telefoongesprek voert: het toestel peilt op dat moment uit op de Cruquiusweg in Amsterdam Oost13.

Dat de verdachte rond middernacht thuis is, is eveneens aannemelijk geworden door bevestiging daarvan door een getuige (14).

Het hof komt tot de slotsom dat de overige activiteiten waarover de verdachte heeft verklaard niet bevestigd worden. Met name R heeft ontkend de verdachte in de avond van 17 september 2007 te hebben gezien. Het hof is van oordeel dat hetgeen door de verdachte over zijn bezigheden op 17 en 18 september 2007 is verklaard - voorzover het niet door de hiervoor genoemde gegevens is bevestigd - als onaannemelijk moet worden beschouwd. De bevestigde activiteiten - aanwezigheid op het werk rond 19.00 uur en aanwezigheid thuis rond middernacht - staan niet in de weg aan het oordeel van het hof dat de verdachte de dader is van het jegens het slachtoffer begane misdrijf.

Het plegen van het tweede feit op de tenlastelegging heeft de verdachte bekend.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2

ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van het onder 1 subsisiair ten laste gelegde:

in de periode van 16 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel en/of hals van die[slachtoffer 1] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of omsnoerd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd of vergezeld of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een sieraad en poging diefstal van een of meerdere sieraden en/of een geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 17 september 2007 tot en met 18 september 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk HP, type NC6220, serienummer HUB5460LNC), toebehorende aan [bedrijf] (vestiging Paasheuvelweg).

Hetgeen onder 1subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde:

doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en 10 maanden met aftrek van voorarrest conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep is op 10 november 2008 ingetrokken, voordat het dossier van de strafzaak tegen de verdachte bij het hof binnenkwam.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De gekwalificeerde doodslag waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt is een daad waarop de wet de zwaarst mogelijke strafbedreiging heeft gesteld. De verdachte heeft zich begeven in de woning van een hoogbejaarde vrouw wier vertrouwen hij genoot. Daar heeft hij haar op gewelddadige wijze van het leven beroofd, de slaapkamer doorzocht, een halsketting van haar hals gestolen en gepoogd een som geld en sieraden te stelen.

Het verlies is voor de familie van het slachtoffer en de familie van de eerder overleden vriendin van het slachtoffer des te schokkender en het verdriet des te moeilijker te dragen en te verwerken nu vaststaat dat het een zeer goede bekende is die de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Het hof acht voorts aannemelijk dat in de woonomgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid zijn ontstaan. De rechtsorde is ernstig geschokt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een laptop op zijn schoonmaakadres waarbij hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zijn werkgever en het bedrijf dat hem als schoonmaker inzette in hem stelden .

Het hof heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van mw. B. Keuning van 19 september 2008. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 augustus 2010 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf van 11 jaren passend en geboden.

Het hof zal, eveneens zoals de rechtbank, vanwege het geconstateerde onherstelbare vormverzuim ter compensatie van het geschonden belang van verdachte de gevangenisstraf verminderen met twee maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 288 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.W.J. de Groot, mr. T.A.C. van Hartingsveldt en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 oktober 2010.

1 dossier C5 blz. 27 tot en met 39

2 dossier C5, blz. 0011

3 Rapporten van 5 oktober 2007, 9 november 2007, 29 november 2007, 5 maart 2008, 24 juli 2008 en 23 september 2009.

4 [getuige 4], G1194-205, [C], G1 pagina's 144-147

5 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg 29/30 september 2008

6 Verklaring [C], G1 pagina's 144-147

7 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg 29/30 september 2008

8 Proces-verbaal van bevindingen van de technische recherche, C pagina 27-39

9 [getuige 4], E1 pagina 22

10 Proces-verbaal van de terechtzittingen van 15 en 17 september 2010

11[getuige 4], G1 pagina's 93-102

12 Idem, G1 pagina's 12-18

13 Beide peilingen zijn ontleend aan proces-verbaal van april 2010, ter terechtzitting in het hoger beroep aan het dossier toegevoegd door de advocaat-generaal

14 [getuige 5], G1 pagina's 82-85