Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8078

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
200.060.088/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

criterium 1:160 BW niet relevant voor de vraag of de alimentatieplichtige zijn woonlasten met nieuwe partner kan delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 24 augustus 2010 in de zaak met zaaknummer 200.060.088/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. G.B. de Jong te Hoogezand,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I. Vledder te Purmerend.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 19 maart 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 december 2009 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 157775/FA RK 09-1686.

1.3. De vrouw heeft op 11 mei 2010 een verweerschrift ingediend.

1.4. De man heeft op 22 juni 2010 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 1 juli 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. M. Bruin.

1.7. Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de man nog zijn jaaropgave over 2009 aan het hof toegezonden.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1973 gehuwd. Hun huwelijk is op 20 mei 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 december 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1950. Hij heeft een relatie met [x].

Hij is werkzaam in loondienst bij [...]. Blijkens de jaaropgaven over 2008 en 2009 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar respectievelijk € 40.257,- en € 42.305,-. Hij neemt deel aan een spaarloonregeling.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij € 700,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 156,- per maand.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1951.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans nog van belang, een door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.141,- per maand. Deze beschikking is gegeven op het zelfstandig verzoek van de vrouw een uitkering van € 1.158,- te bepalen.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door hem te betalen uitkering op € 677,- per maand te bepalen.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot haar levensonderhoud wordt niet betwist en staat derhalve vast.

4.2. Aan de orde is de draagkracht van de man tot betaling van de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw. De man heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geacht dient te worden zijn woonlasten te delen met zijn nieuwe partner, zodat bij de bepaling van zijn draagkracht slechts met de helft daarvan rekening is gehouden. De man stelt dat hij weliswaar enige tijd heeft samengewoond met zijn nieuwe partner, maar dat zij na kritiek vanuit de omgeving weer apart zijn gaan wonen. De nieuwe partner woont bij haar moeder in, aldus de man. Er is derhalve geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat met zijn gehele woonlast rekening dient te worden gehouden, aldus de man.

4.3. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de man geacht kan worden zijn woonlasten te kunnen delen, dient te worden beoordeeld of hij samenwoont. Anders dan de man stelt, is daarbij niet relevant of aan de aanvullende eisen die artikel 1:160 BW bij die samenwoning stelt in casu is voldaan.

4.4. De vrouw heeft de stelling van de man dat hij niet samenwoont gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe een verhuiskaartje in het geding gebracht waarop staat dat de man en zijn partner gaan samenwonen, een foto van de voordeur van de woning van de man met daarop een naambordje met de naam van de man en zijn partner, alsmede een afschrift van een en/of rekening op naam van de man en zijn partner.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij nog verklaard dat wanneer de dochter van partijen bij de man op bezoek is, de nieuwe partner ook altijd in de woning aanwezig is. Dit laatste heeft de man niet weersproken. Het hof is van oordeel dat de man, gelet op voormelde gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet samenwoont met zijn nieuwe partner. Dat de partner thans niet meer is ingeschreven op zijn adres, doet daar niet aan af. Voor zover de man heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte zijn woonlasten heeft gecorrigeerd met een bedrag van € 100,- per maand, gaat het hof daaraan voorbij bij gebrek aan voldoende onderbouwing. Nu de door de man opgeworpen grief niet slaagt en zijn huidige financiële situatie tegenover die ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking niet zodanig is gewijzigd dat deze een lagere draagkracht met zich brengt, leidt dit ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, R.G. Kemmers en H.L.L. Neervoort-Briët in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2010.