Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7852

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
200.013.706/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7593, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studieovereenkomst. Toerekenbare tekortkoming doordat Hogeschool niet kon voldoen aan haar verplichting om na succesvol afronden van de studie de door haar toegezegde graad ‘Master of Arts’ te verschaffen, maar in plaats daarvan de graad ‘Master of Museology’ verleende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting STICHTING AMSTERDAMSE HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE in het principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A.J. Heikens, gevestigd te Amsterdam,

t e g e n

1. [A], wonende te Utrecht,

2. [B], wonende te Amsterdam,

3. [C], wonende te Genève, Zwitserland,

4. [D], wonende te Reading, Engeland,

5. [E], wonende te Amsterdam,

6. [F], wonende te Amsterdam,

7. [G], wonende te Delft,

8. [H], wonende te Amsterdam,

9. [I], wonende te Wageningen,

10. [K], wonende te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN in het principaal appel,

APPELLANTEN in het incidenteel appel,

advocaat: mr. S.G. Volbeda, gevestigd te Arnhem.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna ook aangeduid als AHK respectievelijk de oud-studenten.

Bij dagvaarding van 3 juli 2008 is AHK in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 30 januari 2008 en 16 april 2008 van de rechtbank te Amsterdam, onder zaak-/rolnummer 361314 /HA ZA 07-226 gewezen tussen (onder anderen) de oud-studenten als eisers in conventies / verweerders in reconventie en AHK als gedaagde in conventie / eiseres in reconventie.

Bij memorie heeft AHK vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen in conventie zal vernietigen en de vorderingen van de oud-studenten zal afwijzen, in reconventie zal vernietigen voorzover daarin de vordering tegen [K] is afgewezen en deze vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de oud-studenten respectievelijk [K] in de proceskosten van beide instanties, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Bij memorie hebben de oud-studenten geantwoord, hun eis gewijzigd en van hun kant in incidenteel appel drie grieven tegen de eerdergenoemde vonnissen aangevoerd, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, behoudens de hoogte van het toegewezen voorschot en behoudens de in reconventie toegewezen vorderingen ten aanzien van [E], [F], [G], [H] en deze vorderingen alsnog zal afwijzen, met veroordeling van AHK in de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie en van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Ten aanzien van het vonnis in conventie hebben de oud-studenten subsidiaire vorderingen geformuleerd, inhoudend dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voorzover nodig en de studieovereenkomsten zal ontbinden, respectievelijk zal vernietigen, partijen zal veroordelen tot ongedaanmaking, AHK zal veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot van € 5.000,- per persoon.

Vervolgens heeft AHK bij memorie in het incidenteel appel geantwoord, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot afwijzing van de vermeerderde eis en tot verwerping van het incidenteel appel, met veroordeling van de oud-studenten in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben de zaak op 14 april 2010 doen bepleiten, AHK door mr. L.M. Petersen, gevestigd te Amsterdam, de oud-studenten door mr. Volbeda voornoemd, beiden aan aan de hand van pleitnotities. Bij die gelegenheid is door AHK bij akte nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. De feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 30 januari 2008 onder 2.1.1 tot en met 2.1.12 een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) De AHK is een instelling voor hoger beroepsonderwijs (verder: hbo). Haar faculteit museologie, genaamd de Reinwardt Academie, verzorgt museologie-opleidingen.

(ii) De Reinwardt Academie verzorgt sinds 1994 de internationale, Engelstalige opleiding “Master’s Degree Programme in museology” (verder: de MDP). Tot 2004 heeft de Reinwardt Academie daartoe samengewerkt met de University of Newcastle upon Tyne in Groot Brittannië. De MDP is geaccrediteerd door de British Cultural Heritage National Training Organisation.

(iii) De University of Newcastle heeft de samenwerking met de Reinwardt Academie bij brief van 2 maart 2004 opgezegd.

(iv) De oud-studenten zijn allen in de periode januari 2000 tot en met september 2003 aan de Reinwardt Academie gestart met de MDP. De brochure voor die opleiding vermeldde in die tijd dat de MDP leidde tot een “degree” van “Master of Arts” (hierna ook: MA-graad).

(v) Bij brief van 8 april 2004 heeft de Reinwardt Academie aan alle studenten die de MDP volgden bericht dat het niet langer mogelijk was de graad “Master of Arts” te verlenen en dat de studenten in plaats daarvan bij afronding van hun studie de graad “Master in Museology” zouden verkrijgen.

(vi) Een deel van de oud-studenten ([F], [G], [H], [I] en [K]) heeft de MDP niet afgerond. Aan de oud-studenten die de MDP wel hebben afgerond ([A], [B], [C], [D] en [E]), is de graad van Master in Museology toegekend.

3.2 De oud-studenten voeren aan dat AHK hen bij aanvang van de studie een MA-graad in het vooruitzicht heeft gesteld. Dit is een universitaire graad die internationaal erkend is en gelijk staat aan een Nederlandse drs-titel. In ieder geval vanaf 2004 kon AHK niet meer deze graad verlenen. In eerste aanleg hebben de studenten zich op het standpunt gesteld dat AHK is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten studieovereenkomsten, althans onrechtmatig heeft gehandeld. De graad van Master of Museology is een hbo-graad die (in ieder geval) in het buitenland in het geheel niet bekend is. Het is, aldus de oud-studenten, aannemelijk dat zij door het tekortschieten van AHK schade hebben geleden. Volgens hen ligt een salaris na afronding van een hbo-opleiding gemiddeld 30% lager dan na afronding van een universitaire opleiding. De oud-studenten hebben in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat AHK wanprestatie heeft gepleegd, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Zij maken voorts aanspraak op een schadevergoeding op te maken bij staat, onder toekenning van een voorschot van € 5.000,-.

3.3 AHK heeft de vorderingen van de oud-studenten weersproken. In reconventie heeft zij ten aanzien van een aantal oud-studenten (voorzover thans nog van belang: [A], [E], [F], [G], [H], [I] en [K]) betaling van achterstallig collegegeld gevorderd.

3.4 De rechtbank heeft geoordeeld dat AHK jegens de oud-studenten de indruk heeft gewekt dat de MDP een universitaire opleiding is die leidt tot een universitaire MA-graad. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat AHK wanprestatie heeft gepleegd en is gehouden de daaruit ontstane en door de oud-studenten geleden en nog te lijden schade te vergoeden. AHK is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, onder toekenning van een voorschotbedrag van € 5.000,-. De reconventionele vordering van AHK heeft de rechtbank toegewezen voorzover het [E], [F], [G], [H] en [I] betreft en afgewezen voorzover het [A] en [K] betreft.

3.5 De grieven 1 en 2 in het principaal appel strekken ten betoge dat AHK niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten.

3.6 Vaststaat dat de brochure(s) die destijds ten grondslag lag(en) aan de studieovereenkomsten met de oud-studenten, vermeldde(n) dat studenten die de MDP met succes zouden afronden, de MA-graad zouden verkrijgen. Voorts staat vast dat AHK deze toezegging ten aanzien van de oud-studenten geen gestand kon doen en dat aan de oud-studenten vanaf 2004 nog slechts de graad van Master of Museology kon worden toegekend en deels ook is toegekend. Dat betekent dat AHK tekort is geschoten in de nakoming van de desbetreffende studieovereenkomsten.

3.7 Wat betreft de toerekenbaarheid van de tekortkoming geldt het volgende. Het hof volgt de oud-studenten niet in hun opvatting dat het AHK nimmer heeft vrijgestaan een MA-graad toe te kennen. Zij hebben deze stelling onvoldoende toegelicht; de omstandigheid dat er (destijds) hbo-instellingen waren die een U-bochtconstructie hanteerden om Nederlandse studenten een buitenlandse MA-graad te bezorgen, is niet redengevend. Uit de overgelegde stukken blijkt veeleer dat de toekenning de MA-graad door een hbo-instelling problematisch werd vanaf 1 september 2002, de datum waarop de Nederlandse overheid het bachelor/masterstelsel heeft ingevoerd, waarbij de graad van Master of Arts werd gereserveerd voor universitaire opleidingen. De invoering van dit stelsel komt evenwel niet voor risico van AHK, laat staan dat AHK daarvan een verwijt valt te maken. Niettemin is het hof van oordeel dat de tekortkoming van AHK toerekenbaar is, zoals hieronder wordt toegelicht.

3.7.1 Voor de oud-studenten die zijn gestart in het studiejaar 2002/2003 geldt dat AHK hen had behoren voor te lichten over onzekerheden die de invoering van het BA-MA stelsel meebracht voor de mogelijkheid met de MDP een MA-graad te behalen. AHK heeft immers op dat moment moeten begrijpen dat er problemen konden rijzen bij de toekenning van de MA-graad omdat deze graad vanaf 1 september 2002 was gereserveerd voor studenten die met succes een universitaire opleiding hebben gevolgd. AHK heeft echter nagelaten deze groep oud-studenten op dit punt adequaat voor te lichten, hetgeen haar valt te verwijten.

3.7.2 De oud-studenten die vóór september 2002 zijn gestart met de MDP, hebben zich ingeschreven op het moment dat de vormgeving van het bachelor/masterstelsel nog niet zover was uitgekristalliseerd dat op AHK reeds bij aanvang van hun studie een waarschuwingsplicht rustte, als hiervoor onder 3.7.1 bedoeld. Niettemin valt AHK ook ten aanzien van deze groep een verwijt te maken. Immers, AHK had deze oud-studenten wél moeten waarschuwen op het moment dat duidelijk werd dat de (aanstaande) invoering van het BA-MA stelsel zou kunnen meebrengen dat de toekenning van een MA-graad niet meer tot de mogelijkheden behoorde. AHK is vanaf dat moment toerekenbaar tekortgeschoten.

3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat de Reinwardt Academie de MDP na 2004 niet inhoudelijk heeft gewijzigd; er was, met andere woorden, geen inhoudelijk verschil tussen de opleiding die tot de MA-graad leidde en de opleiding die thans tot de graad Master of Museology leidt. De oud-studenten hebben niet betwist, althans niet gemotiveerd, dat het ging om een kwalitatief goede opleiding aan een hbo-instelling die uitzicht bood op een baan bij een museum of daaraan gerelateerde instelling.

3.9 Het hof is voorts – anders dan de rechtbank - van oordeel dat AHK jegens de oud-studenten ten tijde van de inschrijving bij AHK niet de indruk heeft gewekt dat de MDP een universitaire opleiding is. Het moet aan de oud-studenten bekend zijn geweest dat zij aan de AHK studeerden en dat de AHK een hbo-instelling was en dus geen universiteit. De oud-studenten hebben ook niet voldoende gemotiveerd bestreden dat bij gebruik van een zogeheten U-bochtconstructie inschrijving aan de universiteit van Newcastle noodzakelijk zou zijn geweest. De oud-studenten hebben voorts niet op grond van de brochure erop mogen vertrouwen dat door AHK een U-bochtconstructie werd gehanteerd. De brochure maakt immers slechts melding van samenwerking met de universiteit van Newcastle en van wederzijdse erkenning van elkaars diploma’s, maar vermeldt niet dat studenten een diploma van de universiteit van Newcastle zouden krijgen. Mede gelet op het voorafgaande is de omstandigheid dat aan de oud-studenten een MA-graad in het vooruitzicht werd gesteld, onvoldoende om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat door AHK een opleiding op universitair niveau werd aangeboden.

3.10 In het kader van grief 1 heeft AHK nog aangevoerd dat [G] niet heeft gekozen voor het MA-programma, maar voor een verkort programma van twaalf maanden. Ten opzichte van haar kan dan ook geen sprake zijn van toerekenbaar tekortschieten. In zoverre slaagt deze grief. [G] is niet geraakt door het feit dat na voltooiing van het volledige programma geen MA-graad kan worden verleend. Haar vorderingen moeten derhalve worden afgewezen.

3.11 De grieven 1 en 2 van AHK zijn dus ten dele gegrond, maar leiden niet tot vernietiging van het bestreden vonnis, behalve ten aanzien van de vorderingen van [G].

3.12 Voorzover de oud-studenten nog belang hebben bij hun in hoger beroep ingestelde vordering uit hoofde van dwaling, is het hof van oordeel dat AHK zich terecht op verjaring beroept. Immers, aangenomen moet worden dat de gestelde dwaling op of kort na 8 april 2004 is ontdekt, zodat de daaruit voortvloeiende rechtsvordering ingevolge artikel 3:52 sub c BW drie jaar later is verjaard. De oud-studenten stellen weliswaar dat zij reeds bij inleidende dagvaarding van 9 januari 2007 zich op dwaling hebben beroepen en dat de vordering daardoor is gestuit, maar zij zien eraan voorbij dat bij genoemde dagvaarding geen op dwaling gerichte eis is ingesteld en dat ook anderszins niet is voldaan aan de eisen van artikel 3:316 BW.

3.13 Grief 3 in het principaal appel klaagt dat de oud-studenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden. Deze grief faalt in zoverre dat het hof aannemelijk acht dat de mogelijkheid bestaat dat de oud-studenten schade hebben geleden, hetgeen voldoende is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zo wijzen de oud-studenten terecht erop dat de MA-graad een internationaal bekende graad is, terwijl dat voor de graad van Master in Museology niet geldt, zodat denkbaar is dat zij door toekenning van laatstgenoemde graad schade lijden en/of zullen lijden, bijvoorbeeld doordat zij zijn geschaad in hun carrièrekansen. In de schadestaatprocedure zal evenwel per oud-student dienen te worden uitgezocht of en zo ja, in hoeverre, er schade is geleden. Daarbij zal overigens ook in aanmerking moeten worden genomen hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 3.7, 3.7.1. en 3.7.2 heeft overwogen over de toerekenbaarheid van de tekortkoming van AHK.

3.14 De grief slaagt voorzover daarin wordt opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank om aan de oud-studenten een voorschot van € 5.000,- toe te kennen. De oud-studenten hebben daarvoor tot op heden onvoldoende gesteld. Zij hebben hoofdzakelijk aangevoerd dat de salarissen van personen met een universitaire graad gemiddeld dertig procent hoger liggen dan de salarissen van personen met een hbo-graad. Deze stelling is echter niet toegespitst op de concrete situatie zodat niet kan worden vastgesteld of die regel opgaat voor één of meerdere oud-studenten.

3.15 De toelichtingen die de oud-studenten [A], [E] en [H] ten pleidooie in hoger beroep hebben gegeven, bieden evenmin aanknopingspunten voor het toekennen van een voorschot. [E] heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij op dat moment niet goed kon uitleggen waaruit haar financiële schade bestond. [A] heeft weliswaar gesteld dat zij als gevolg van de door haar verkregen graad niet is toegelaten voor promotieonderzoek, maar die stelling is door AHK gemotiveerd betwist. Oud-student [H] heeft, naar zij heeft gemeld, uiteindelijk ervoor gekozen een universitaire opleiding aan de Universiteit van Amsterdam te volgen en heeft daar een diploma behaald. Of dit extra kosten voor haar heeft meegebracht, en zo ja hoeveel, is niet duidelijk geworden.

3.16 De conclusie is dat grief 3 in het principaal appel gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voorzover daarin een voorschot van € 5.000,- is toegewezen. Dit brengt mee dat de door de oud-studenten in hoger beroep ingestelde vordering tot toewijzing van een voorschot van € 5.000,- per persoon, niet toewijsbaar is.

3.17 Grief 4 in het principaal appel ziet op de vordering van AHK jegens [K] tot betaling van achterstallig collegegeld ten bedrage van € 6.000,-. AHK heeft aangevoerd dat [K] niet gerechtigd was de studieovereenkomst te ontbinden en dat zij dus gehouden is het collegegeld te betalen.

3.18 Deze grief faalt. [K] mocht de overeenkomst ontbinden omdat AHK blijkens de brief van 8 april 2004 in de nakoming van de studieovereenkomst tekort zou schieten. Gesteld noch gebleken is dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding niet zou rechtvaardigen.

3.19 Grief I in het incidenteel appel strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot betaling van collegegeld jegens [G] heeft toegewezen. Deze grief heeft geen succes. Hiervoor is al overwogen dat AHK jegens [G] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de studieovereenkomst. Zij moet het collegegeld dus gewoon betalen.

3.20 De grieven II en III in het incidenteel appel zien op de toegewezen vorderingen jegens [E], [F], [H] en [I] tot betaling van achterstallig collegegeld. Aangevoerd wordt dat deze studenten – al dan niet na opschorting – hun studieovereenkomsten hebben ontbonden. Nu vaststaat dat AHK is tekortgeschoten in de nakoming van deze studieovereenkomsten, staat het de genoemde oud-studenten vrij die overeenkomsten te ontbinden. Zij hebben dat blijkens de memorie van antwoord, tevens incidenteel appel, tevens wijziging van eis ook gedaan. De beide grieven zijn dus gegrond.

4. Slotsom

4.1 De grieven 1, 2 in het principaal appel slagen, doch alleen ten aanzien van [G]. Grief 4 in het principaal appel heeft geen succes. Grief 3 slaagt ten dele, namelijk voorzover deze is gericht tegen de toewijzing van het voorschot van € 5.000,-. Het hof zal dit voorschot afwijzen.

4.2 AHK heeft in het principaal appel te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld in de kosten daarvan. Een uitzondering daarop geldt voor [G]. Nu haar vordering wordt afgewezen, dient zij in de proceskosten te worden veroordeeld. Het hof zal deze kosten echter op nihil begroten nu de oud-studenten in deze procedure gezamenlijk zijn opgetrokken.

4.3 Grief I in het incidenteel appel faalt, de grieven II en III zijn gegrond. Het hof zal in incidenteel appel de bestreden vonnissen vernietigen voorzover daarin de vorderingen van AHK jegens [E], [F], [H] en [I] zijn toegewezen en zal deze vorderingen alsnog afwijzen; dit geldt ook voor de proceskostenveroordeling in reconventie jegens deze studenten.

4.4 Voorzover de oud-studenten bij hun eisvermeerdering in hoger beroep belang hebben, komt de vermeerderde eis niet voor toewijzing in aanmerking.

4.5 AHK is ook in het incidenteel appel de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en zal derhalve ook in de kosten van dat appel worden veroordeeld. De omvang van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in reconventie behoeft geen aanpassing.

5. Beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

vernietigt de bestreden vonnissen voorzover de rechtbank daarin in conventie de vordering van [G] heeft toegewezen en een voorschot van € 5.000,- aan de oud-studenten heeft toegewezen en in zoverre rechtdoende;

- wijst af de vordering van [G] en de vordering van de oud-studenten tot toekenning van een voorschot op de schadevergoeding;

- veroordeelt [G] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten tot op heden op nihil;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

veroordeelt AHK in de kosten van het appel en begroot die kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van de oud-studenten gevallen op € 406,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden vonnissen in reconventie voorzover daarin de vorderingen van AHK jegens [E], [F], [H] en [I] zijn toegewezen en voorzover deze in de proceskosten zijn veroordeeld;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering jegens [E] ten bedrage van € 2.873,99 af;

- wijst de vordering jegens [F] ten bedrage van € 3.545,32 af;

- wijst de vordering jegens [H] ten bedrage van € 3.000,- af;

- wijst de vordering jegens [I] ten bedrage van € 3.000,- af;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

veroordeelt AHK in de kosten van het incidenteel appel en begroot die kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van de oud-studenten gevallen op € 1.341,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.C.W. Rang en R.J.Q. Klomp en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2010 door de rolraadsheer.