Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7340

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2010
Datum publicatie
17-09-2010
Zaaknummer
200.039.201/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gerechtsdeurwaarder was bekend met de andere beslagleggende deurwaarder. Ook vanaf die datum heeft de gerechtsdeurwaarder echter geen contact opgenomen met zijn collega. Het betaamt een goed gerechtsdeurwaarder om dat wel te doen. Door dat in dit geval na te laten, heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld. Het hof zal dan ook de door de kamer opgelegde maatregel van berisping bekrachtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 7 september 2010 in de zaak onder nummer 200.039.201/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

APPELLANT,

gemachtigde: mr J.D. van Vlastuin,

tegen

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. N.R.H. Boasman-Trustfull.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 29 juli 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 7 juli 2009, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder klaagster, gegrond is verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping is opgelegd.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 21 september 2009 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 juni 2010. Klaagster en haar gemachtigde alsmede de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben de juistheid van deze feiten niet betwist, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster stelt – kort gezegd – dat zij door toedoen van de gerechtsdeurwaarder in financiële problemen is gekomen. De gerechtsdeurwaarder had voordat hij beslag ging leggen in contact moeten treden met de eerste beslaglegger, gerechtsdeurwaarder [X], verder [X], en tevens heeft de gerechtsdeurwaarder door de beslagvrije voet op nihil te stellen niet de juiste beslagvrije voet toegepast. Voorts heeft klaagster de kamer verzocht de haar – klaagster – door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten te verminderen.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij juist heeft gehandeld door de beslagvrije voet van klaagster op nihil te stellen. Aangezien [X] de juiste beslagvrije voet heeft gehanteerd kon de toekomende voorlopige teruggave volledig door de gerechtsdeurwaarder worden beslagen. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij geen contact met [X] heeft opgenomen omdat hij niet wist wie de eerste beslaglegger was aangezien klaagster heeft nagelaten enige opgave van inkomsten en uitgaven aan de gerechtsdeurwaarder te verstrekken.

6. De beoordeling

6.1. Over de vaststelling van de beslagvrije voet overweegt het hof als volgt.

Ten onrechte heeft de kamer overwogen dat de gerechtsdeurwaarder de toepasselijke beslagvrije voet hoogstens had mogen halveren indien er sprake was van het verschaffen van gebrekkige informatie. Van halvering van de beslagvrije voet wegens het niet opgeven van inkomsten kan slechts sprake zijn, indien klaagster een partner had; zie artikel 475g lid 3 Rechtsvordering (Rv.). Zij was echter een alleenstaande (met een kind) en de gerechtsdeurwaarder was daarvan ook op de hoogte.

6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep aangevoerd dat klaagster hem geen opgave van inkomsten en uitgaven heeft gedaan, ondanks zijn verzoek daartoe. Partijen twisten erover of klaagster dat wel of niet heeft gedaan. Dit punt kan bij deze beoordeling verder in het midden blijven. Immers, indien de gerechtsdeurwaarder niet over die gegevens beschikte, diende hij bij zijn beslag onder de Belastingdienst op de voorlopige teruggave van klaagster uit te gaan van de beslagvrije voet, die zonder aanpassing voor klaagster zou gelden. Dat was dus de beslagvrije voet voor een alleenstaande met een kind. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet echter op nihil gesteld.

6.3. De gerechtsdeurwaarder heeft beslag gelegd onder de Belastingdienst, omdat hij wist dat een collega al beslag had gelegd onder de uitkerende instantie van klaagster. In dergelijk geval isartikel 475b lid 2 Rv. van toepassing. Uit die bepaling volgt dat de voor klaagster geldende beslagvrije voet wordt verdeeld over de twee beslagen. Ondanks het verzoek van klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder echter geen contact opgenomen met zijn collega om gezamenlijk de beslagvrije voet vast te stellen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder wel zou hebben willen informeren bij zijn collega, maar dat hij daarvoor gegevens van klaagster nodig had. Klaagster heeft daartegenover nadrukkelijk betoogd dat zij zelf de desbetreffende gegevens aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft aangeboden. Maar ook indien dat niet het geval is, geldt het volgende.

In een door de gerechtsdeurwaarder bij zijn beroepschrift meegezonden brief van 18 september 2008 van het Centraal Bureau Schulden (CeBus) wordt vermeld dat zowel deurwaarder [X] als de gerechtsdeurwaarder beslag hebben gelegd. Deze brief is in kopie aan de gerechtsdeurwaarder verzonden. De gerechtsdeurwaarder was daarom in ieder geval vanaf die datum bekend met de andere beslagleggende deurwaarder. Ook vanaf die datum heeft de gerechtsdeurwaarder echter geen contact opgenomen met zijn collega. Het betaamt een goed gerechtsdeurwaarder om dat wel te doen. Door dat in dit geval na te laten, heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld. Het hof zal dan ook de door de kamer opgelegde maatregel van berisping bekrachtigen.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Met betrekking tot klaagsters verzoek strekkende tot het verminderen van de door de gerechtsdeurwaarder aan klaagster in rekening gebrachte kosten, is het hof van oordeel dat de kamer terecht heeft beslist dat zulks niet tot haar bevoegdheden behoort.

6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L.J. Saarloos en M.W.E. Koopmann en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 7 september 2010 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 7 juli 2009 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 516.2008 van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

klaagster,

tegen:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],

beklaagde.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 6 november 2008 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief ingekomen op 9 december 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 mei 2009, alwaar klaagster is zijn verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 23 maart 2009 laten weten niet ter zitting te kunnen verschijnen. Hij heeft verzocht een nieuwe datum te bepalen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 7 juli 2009.

1. De feiten

a) Een collega van de gerechtsdeurwaarder heeft ten laste van klaagster executoriaal derdenbeslag gelegd op haar uitkering. Naar aanleiding van haar verzoek heeft deze gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet aangepast.

b) De gerechtsdeurwaarder heeft op 12 juni 2008 ten laste van klaagster beslag gelegd onder de belastingdienst op een aan klaagster toekomende voorlopige teruggaaf. Daarbij is de beslagvrije voet op nihil bepaald.

c) Klaagster heeft met de gerechtsdeurwaarder telefonisch contact opgenomen om tot aanpassing van de beslagvrije voet te komen.

2. De klacht

Verkort samengevat verwijt klaagster de gerechtsdeurwaarder dat zij door diens toedoen in de financiële problemen is gekomen. Ondanks diverse verzoeken daartoe heeft de gerechtsdeurwaarder geweigerd om contact op te nemen met zijn collega, die eerste beslaglegger is, om te onderhandelen over het bedrag waarvoor in eerste instantie beslag was gelegd. De gerechtsdeurwaarder weigert ook de beslagvrije voet aan te passen. Volgens klaagster lopen de kosten nu zo hoog op dat zij die niet kan dragen. Zij verzoekt de Kamer te bepalen dat een gedeelte daarvan voor rekening van de gerechtsdeurwaarder blijft.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Ondanks haar toezegging tijdens het telefoongesprek is klaagster niet op kantoor geweest met een overzicht van haar inkomsten en uitgaven. Zij heeft dat overzicht ook niet toegestuurd. Er is ook niet gecorrespondeerd met het Cebus (Centraal Bureau Schulden), zoals kennelijk wel met de collega is geschied. De brief die klaagster bij haar klacht heeft overgelegd is niet aan hem doorgestuurd. Verzoeken tot aanpassing van de beslagvrije voet worden pas behandeld, nadat de gevraagde gegevens zijn verstrekt. Daarmee is klaagster in gebreke gebleven. Dat de collega tot aanpassing van de beslagvrije voet is overgegaan, betekent niet automatisch dat hij dat ook dient te doen, te meer nu de aan de collega verstrekte gegevens niet aan hem zijn verstrekt, aldus de gerechtsdeurwaarder.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Daarvan is hier sprake. Het door de gerechtsdeurwaarder ingenomen standpunt met betrekking tot het verschaffen van informatie, alvorens hij tot aanpassing van de beslagvrije voet kan overgaan, is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. Inkomstenbelasting in de vorm van een voorlopige teruggave is een vordering tot periodieke betaling in de zin van artikel 475c Rv. Daar mag dus beslag op gelegd worden. De gerechtsdeurwaarder had de beslagvrije voet echter hoogstens mogen halveren indien er sprake was van het verschaffen van gebrekkige informatie door klaagster. Bij gebrek aan weerwoord staat vast dat klaagster naar het kantoor van de gerechtsdeurwaarder is geweest om hem over haar inkomsten en uitgaven te informeren. Door de beslagvrije voet desondanks op nihil te stellen heeft de gerechtsdeurwaarder dan ook ernstig verwijtbaar gehandeld. Klaagster is hierdoor ernstig gedupeerd. Eveneens staat vast dat de gerechtsdeurwaarder tegen klaagster heeft gezegd dat hij pas tot aanpassing van de beslagvrije voet zou overgaan indien klaagster zou instemmen met een regeling. Dit standpunt is behalve in hoge mate onbehoorlijk ook in strijd met de wettelijke bepalingen.

4.3 Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Kamer om door een gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten te verminderen. Hooguit kan de Kamer bepalen dat nodeloos kosten in rekening zijn gebracht. Dit laatste is niet gebleken.

4.4 De Kamer acht de klacht gegrond en ziet aanleiding om gelet op de ernst van de verweten gedraging na te melden maatregel op te leggen.

BESLISSING

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. C.M. Berkhout, voorzitter, mr. J.H. Dubois en mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2009 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.