Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6905

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
200.005.351-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring. Echtgenote mag tegenbewijs leveren van bekendheid met effectenlease-overeenkomst. Dat zij na de eerste betalingen geen kennis heeft genomen van bankafschriften van en/of-rekening, is voorshands onvoldoende geloofwaardig.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

VERWEERSTER IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam,

t e g e n

[L],

wonende te [X],

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN HET INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. E.L. Polak te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk Dexia en [L] genoemd.

Bij dagvaarding van 3 oktober 2007 is Dexia in hoger beroep gekomen van twee vonnissen van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 11 april 2007 en 4 juli 2007, in deze zaak onder rolnummer DX 06-3449 gewezen tussen haar als gedaagde en [L] als eiseres.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:

- de memorie van grieven van Dexia;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep, van [L];

- de memorie van antwoord in het incidenteel beroep van Dexia;

telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbehorende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Dexia heeft in het principaal beroep één grief voorgesteld en toegelicht. [L] heeft in het incidenteel beroep eveneens één grief voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud van de grieven en de bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 4 juli 2007 onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. Het hof begrijpt dat [L] door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) heeft laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de zojuist bedoelde overeenkomst ten aanzien van [L] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst haar niet bindt.

4.2 [C], hierna “[C]”, is van [jaartal] tot en met [jaartal] vier overeenkomsten tot effectenlease aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomsten, hierna “de lease-overeenkomsten”, heeft hij geldbedragen van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [C] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [C], naar in de lease-overeenkomsten is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor zijn rekening. De lease-overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd. Zij zijn intussen alle geëindigd, de twee laatste met een schuld van [C] aan Dexia. Die schuld is ontstaan doordat de geleaste effecten, die bij de beëindiging van de lease-overeenkomsten zijn verkocht, bij verkoop minder hebben opgebracht dan de door [C] op grond van de desbetreffende overeenkomsten geleende bedragen. De verkoopopbrengst van de effecten is benut voor de terugbetaling van de geleende bedragen maar was hiertoe (bij de twee laatste overeenkomsten) niet toereikend. [C] heeft het restant (de “restschuld”) uit andere middelen voldaan. Hij heeft tijdens de looptijd van de lease-overeenkomsten voorts andere, daarin genoemde bedragen aan Dexia betaald.

4.3 Bij brief van 25 augustus 2005 van haar gemachtigde aan Dexia heeft [L] de lease-overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd. [L] heeft hiertoe aangevoerd, kort gezegd, dat zij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten de echtgenote was van [C], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomsten haar toestemming behoefde en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomsten zijn niet mede-ondertekend door [L] en zij heeft evenmin anderszins schriftelijk aan [C] haar toestemming voor het aangaan van de overeenkomsten gegeven. [L] heeft Dexia aangesproken tot terugbetaling van de bedragen die [C] op de voet van de lease-overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, met rente. Dexia heeft de vernietiging niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.4 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [L] – naar het hof begrijpt op de grondslag van artikel 1:89, vijfde lid, BW – een vordering ingesteld tegen Dexia. De vordering strekt, kort gezegd en na vermeerdering van eis in hoger beroep, tot veroordeling van Dexia (i) tot terugbetaling van hetgeen [C] ter voldoening aan de lease-overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, met rente, en (ii) tot vergoeding van door [L] gemaakte kosten van rechtsbijstand ten belope van € 8.879,59. De kantonrechter heeft de vordering, zoals in eerste aanleg luidend, op punt (i) toegewezen en op punt (ii) grotendeels afgewezen. Tegen de eerste beslissing en de daartoe leidende overwegingen richt zich het principaal beroep, tegen de tweede het incidenteel beroep.

4.5 Met haar grief in het principaal beroep betoogt Dexia dat enige door haar genoemde feiten het vermoeden wettigen dat [L] meer dan drie jaar voor de onder 4.3 genoemde brief bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten, zodat deze bekendheid behoudens door [L] te leveren tegenbewijs vast staat. Indien zij niet in dat tegenbewijs slaagt, aldus Dexia, was de bevoegdheid van [L] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming verjaard toen zij deze uitoefende. In dit geval heeft de onder 4.3 genoemde brief niet het beoogde rechtsgevolg gehad en heeft [L] geen recht op terugbetaling van op de voet van de lease-overeenkomsten door [C] aan Dexia betaalde bedragen. De grief is terecht voorgesteld. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.6 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals de lease-overeenkomsten, wegens het ontbreken van die toestemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de verjaringstermijn, is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjaringstermijn kan die echtgenoot de overeenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [L] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen.

4.7 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen - en, bij voldoende betwisting, te bewijzen - waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de in beginsel tot vernietiging bevoegde partij met de overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd - onder meer - dat de bedragen die [C] op grond van de lease-overeenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [C] en [L] die op naam van beiden was gesteld en waarop ook aan [C] toekomende uitkeringen uit hoofde van de overeenkomsten zijn gestort (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van de lease-overeenkomsten was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [L] waren gericht. Gelet op de data waarop de eerste betalingen aan Dexia op grond van de lease-overeenkomsten hebben plaatsgevonden, wettigen deze feiten - zoals Dexia betoogt en ongeacht hetgeen zij verder ter toelichting op de grief heeft aangevoerd - het vermoeden dat [L] door het ontvangen van bankafschriften waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dit heeft daarom voorshands als bewezen te gelden behoudens door [L] te leveren tegenbewijs, zodat het thans op de weg van [L] ligt om tegenbewijs van die bekendheid te leveren. Het hof zal haar hiertoe gelegenheid geven zoals onder 5 te melden. Slaagt [L] niet in het tegenbewijs, dan staat vast dat haar bevoegdheid tot vernietiging van de lease-overeenkomsten op het tijdstip van de onder 4.3 genoemde brief was verjaard.

4.8 Het van [L] verlangde tegenbewijs volgt niet reeds uit de schriftelijke verklaringen van haarzelf en van [C] die zij in eerste aanleg heeft overgelegd. De in deze verklaringen betrokken stelling dat [L] zich in het huishouden van [C] en haarzelf niet met de financiële zaken bemoeide, ook indien juist, laat immers onverlet dat [L] gedurende een reeks van jaren kennis heeft kunnen nemen van bankafschriften waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, nu de betrokken rekening op beider naam was gesteld en de afschriften mede aan [L] waren gericht. Dat zij dit na de eerste betalingen op grond van de lease-overeenkomsten niet heeft gedaan, is voorshands onvoldoende geloofwaardig om het verlangde tegenbewijs aan de overgelegde verklaringen te ontlenen.

4.9 Met haar grief in het incidenteel beroep betoogt [L], kort gezegd, dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en daarom gehouden is tot volledige vergoeding van de door [L] gemaakte kosten van rechtsbijstand. Uit dien hoofde vorderde zij in eerste aanleg een bedrag van € 4.696,98 en thans € 8.879,59.

4.10 De grief faalt, omdat niet valt in te zien dat Dexia door de wijze waarop zij verweer heeft gevoerd tegen de door [L] ingestelde vordering, tegenover laatstgenoemde onrechtmatig heeft gehandeld. Voor zover [L] haar betoog mede wil doen steunen op onrechtmatig handelen van Dexia bij de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, gaat zij eraan voorbij dat haar op deze grond geen vordering toekomt – het beweerde onrechtmatige handelen heeft immers niet tegenover haar plaatsgehad – en dat als dit wel zo zou zijn, de artikelen 237 e.v. Rv al voorzien in de toekenning van een vergoeding voor door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand mocht Dexia in dit geding in het ongelijk worden gesteld. Om dezelfde redenen zal de vordering tot betaling van € 8.879,59 bij het in deze zaak te wijzen eindarrest worden afgewezen.

5. Beslissing

Het hof:

laat [L] toe tot het leveren van tegenbewijs van het – voorshands als bewezen aangenomen – feit dat zij met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen;

bepaalt dat indien [L] dit tegenbewijs wenst te leveren door getuigen, de getuigen zullen worden gehoord door mr. S. Clement, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, in een van de zalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op woensdag 30 juni 2010 te 13.30 uur;

bepaalt dat partijen tot twee weken na de uitspraakdatum van dit arrest schriftelijk aan het enquêtebureau van de griffie van het hof kunnen meedelen dat zij of de getuigen op dat tijdstip verhinderd zijn te verschijnen, onder opgave van de verhinderdagen van beide partijen en de getuigen in de komende drie maanden, in welk geval met inachtneming van die verhinderdagen een nieuw tijdstip voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.P. van Achterberg en S. Clement in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 juni 2010 door de rolraadsheer.