Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6209

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
08/01217
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat terecht een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht. De heffingsrente is niet berekend over een langere termijn dan de wettelijke bepalingen voorschrijven en voorts niet in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a, geldigheid: 2010-08-26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9, geldigheid: 2010-08-26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f, geldigheid: 2010-08-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2440 met annotatie van vanWordragen
FutD 2010-2129
V-N 2010/55.6

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01217

26 augustus 2010

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/1259 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Alkmaar,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 12 oktober 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 5.360 en bij beschikkingen een verzuimboete van € 113 opgelegd en € 289 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Het tegen de beschikkingen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak afgewezen.

1.3. Bij uitspraak van 26 september 2008, verzonden 7 oktober 2008, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 november 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Op 31 januari 2005 heeft de inspecteur een elektronisch verzoek om voorlopige teruggaaf van belanghebbende ontvangen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de inspecteur met dagtekening 15 maart 2005 een voorlopige teruggaaf verleend van € 671.

2.2. Op 23 maart 2005 heeft de inspecteur een tweede verzoek om voorlopige teruggaaf ontvangen en naar aanleiding van dit verzoek is een voorlopige teruggaaf verleend van € 270.

2.3. Op 6 mei 2005 heeft de inspecteur een door de gemachtigde van belanghebbende, [A], ingediend derde verzoek om voorlopige teruggave ontvangen waarna een voorlopige teruggaaf is verleend van € 4.320.

2.4. Belanghebbende heeft voor het indienen van zijn aangifte over het jaar 2005 uitstel gevraagd en gekregen tot 1 juli 2006.

2.5. De inspecteur heeft belanghebbende op 31 mei 2007 een aanmaning gezonden om uiterlijk 25 juni 2007 aangifte te doen.

2.6. De aangifte is door belanghebbende op 4 juli 2007 ingediend.

2.7. Op basis van de door belanghebbende ingediende aangifte is op 12 oktober 2007 een definitieve aanslag opgelegd. Deze aanslag resulteert, na verrekening van de eerdere voorlopige teruggaven, in een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen van € 3.804. Daarnaast is een bedrag van € 289 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 113.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals voor de rechtbank, in geschil of de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd en of de heffingsrente tot een juist bedrag is berekend.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van art. 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de tot 1 januari 2010 geldende tekst (hierna: de AWR) kan de inspecteur gelijktijdig met het opleggen van de aanslag een boete opleggen van ten hoogste € 1.134 indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, AWR gestelde termijn heeft gedaan.

4.2. Ten aanzien van de verzuimboete en de heffingsrente heeft belanghebbende, naar het Hof begrijpt, aangevoerd dat de inspecteur informatie, vermeld in een aangifte voor het jaar 2004 in aanmerking had moeten nemen. Belanghebbende gaat hierdoor uit van een verkeerde veronderstelling. Hij heeft zelf, dan wel zijn gemachtigde, drie maal informatie aan de inspecteur gezonden over zijn verwachte inkomsten in het jaar 2005. De inspecteur heeft terecht deze informatie in aanmerking genomen om de voorlopige teruggaven te verlenen. Informatie over een ander jaar is hierdoor niet van belang.

4.3. Belanghebbende heeft voor het indienen van zijn aangifte uitstel gevraagd en gekregen tot 1 juli 2006. Hij heeft de aangifte niet gedaan binnen die termijn en evenmin binnen de bij de op 31 mei 2007 gezonden aanmaning gestelde termijn maar pas op 4 juli 2007. Nu de aangifte niet is ingediend binnen de bij de aanmaning gestelde termijn heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de werkdruk die belanghebbende heeft ervaren, niet meebrengt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Het Hof acht de boete van € 113 die overeenkomt met hetgeen de inspecteurs destijds op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 was voorgeschreven bij een eerste verzuim als een aanslag werd opgelegd op basis waarvan belasting moest worden betaald, passend en geboden. Feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven de boete te verminderen zijn niet aannemelijk geworden.

4.4. Het Hof heeft ambtshalve vastgesteld dat de heffingsrente – gelet op het te betalen bedrag van de aanslag (exclusief verzuimboete en in rekening gebrachte heffingsrente) van € 3.804 en gezien de in de relevante tijdvakken geldende heffingsrentepercentages - over de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 september 2007 in rekening is gebracht, en niet tot en met 12 oktober 2007 (de dagtekening van de aanslag). Ter zitting in hoger beroep heeft de inspecteur deze vaststelling overigens bevestigd. Daardoor is de heffingsrente niet berekend over een langere termijn dan de wettelijke bepalingen voorschrijven en voorts niet in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, (www.rechtspraak.nl, LJN:BJ8524, BNB 2009/295). In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het beleid van de Belastingdienst er op is gericht om binnen drie maanden na indiening van de aangifte een belastingaanslag op te leggen. Uit het arrest volgt dat indien binnen die termijn overeenkomstig de aangifte een belastingaanslag wordt opgelegd het berekenen van heffingsrente in beginsel niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof heeft geen aanleiding tot het oordeel dat dit in dezen wel het geval is. Weliswaar is de dagtekening van de aanslag 12 oktober 2007, maar omdat de inspecteur de heffingsrente heeft berekend tot en met 28 september 2007 is het bedrag van de heffingsrente niet over een te lange periode in rekening gebracht. De heffingsrente is evenmin tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Slotsom

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank blijft daarom in stand.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, F.J.P.M. Haas en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 26 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.