Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6206

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
09/00469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is in 2007 een niet direct opeisbare renteloze lening verstrekt van € 20.000. Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes verklaring dat zij van het geleende bedrag € 9.000 heeft terugbetaald, geloofwaardig is. Er is sprake van een lening ter grootte van € 11.000. De omvang van de bevoordeling bedraagt met inachtneming van artikel 18 van de SW en de artikelen 6 en 10 van het Uitvoeringsbesluit € 2.640. Het Hof past de vrijstelling van artikel 33, eerste lid, aanhef en onder 7 SW toe, dit leidt tot een vermindering van de aanslag tot nihil.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 18, geldigheid: 2010-08-26
Successiewet 1956 33, geldigheid: 2010-08-26
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 6, geldigheid: 2010-08-26
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 10, geldigheid: 2010-08-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/2613 met annotatie van vanBeelen
FutD 2010-2139
V-N 2010/64.26

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00469

uitspraak: 26 augustus 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Y, belanghebbende,

gemachtigde mr. K.H. Zonneveld (Van Wagensveld & Zonneveld, advocaten en fiscalisten),

en op het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/5894 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 5 februari 2008 aan belanghebbende voor schenkingen in het jaar 2007 een aanslag opgelegd in het recht van schenking ten bedrage van € 8.200.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 26 augustus 2008, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 28 mei 2009 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een bedrag van € 4.510.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 juli 2009 en aangevuld bij brief van 7 augustus 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. Op 25 september 2009 zijn nadere stukken ontvangen van de inspecteur. Deze zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6. Bij brief van 12 oktober 2009 heeft belanghebbende het incidenteel hoger beroep van de inspecteur beantwoord.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en die als volgt in de uitspraak van de rechtbank zijn weergegeven (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiseres en de inspecteur als verweerder):

2.1. De heer A heeft op 22 januari, 11 april, 19 juli en 29 augustus 2007 telkens € 5.000, totaal € 20.000, naar de bankrekening van eiseres overgemaakt.

2.2. Op 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 september 2007 is telkens € 1000 opgenomen van de postbankrekening van eiseres. Eiseres heeft daarvan bankafschriften overgelegd.

2.3. De heer A heeft met dagtekening 20 december 2007 aangifte van recht van schenking gedaan. Hij geeft aan dat hij de onder 2.1 bedoelde bedragen aan eiseres heeft geschonken.

2.4. Als bijlage 1 bij de motivering van het beroepschrift heeft eiseres de volgende verklaring overgelegd van haar dochter, B:

‘Hiebij verklaar ik B dat ik 7 opeenvolgende dagen een bedrag van € 1000. per dag van de Rek. van X hebt gepind bij de postbank.

Ik verklaar ook hierbij dat ik getuigen ben geweest, dat mijn moeder de Hr. A € 9000. euro cash heeft teruggeven.

Ik hoop u hiermee voldoende info. te hebben gegeven.

Mocht u nog vragen hebben. kunt u me bereiken op Tel: […]

(volgt afsluiting)

Als bijlage 2 bij de motivering van het beroepschrift heeft eiseres de volgende verklaring overgelegd van B:

‘Hierbij verklaar ik B gedurende zeven dagen achtereen een bedrag van € 1000, per dag van mijn moeder haar rekening te hebben gehaald. omdat mijn moeder destijds zelf niet in staat was om het zelf te doen i.v.m. ziek zijn. Ik hoop uw hiermee voldoende info: te geven. Mocht u meer vragen hebben dan kunt u mij altijd bellen!

(volgt telefoonnummer en afsluiting)’

2.2. In aanvulling op het voorgaande stelt het Hof nog de volgende feiten vast.

2.2.1. Belanghebbende had ten tijde van de onder 2.1 vermelde feiten de leeftijd van 83 jaar. Zij was voor haar inkomsten afhankelijk van een AOW-uitkering.

2.2.2. Belanghebbende heeft een relatie gehad met […] A (hierna A). Eind 2007 is de relatie tussen belanghebbende en A ernstig verstoord en beëindigd.

3. Oordeel van de rechtbank

Voor de rechtbank was in geschil of A een schenking heeft gedaan aan belanghebbende en zo ja tot welk bedrag.

De rechtbank heeft omtrent het geschil overwogen:

4.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, Successiewet 1956 (Sw) wordt voor deze wet onder schenking verstaan de gift bedoeld in artikel 186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 186, tweede lid, BW wordt als gift aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.

4.2. Verweerder stelt dat sprake is van een schenking. Eiseres betwist dat. Een redelijke bewijsverdeling brengt mee dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat van een schenking sprake is. De aangifte voor het recht van schenking die de heer A heeft ingediend, levert een aanwijzing op dat sprake is van een schenking van de heer A aan eiseres. Eiseres heeft echter met de overgelegde bankafschriften, de onder 2.4 genoemde verklaringen van haar dochter en de geloofwaardige verklaringen van haar en haar dochter ter zitting aannemelijk gemaakt dat zij van het bedrag dat de heer A aan haar ter beschikking had gesteld € 9.000 in september 2007 aan hem heeft terugbetaald. Ter zitting heeft zij geschetst hoe haar relatie tot de heer A circa 2002/2003 is ontstaan, dat er eerder in 2005/2006 ook problemen in de verstandhouding waren ontstaan die tot aangiftes bij de politie hadden geleid, dat de verstandhouding nadien is hersteld, dat de heer A haar in 2007 geld ter beschikking stelde voor de inrichting van haar huis, dat door ziekte harerzijds in de zomer van 2007 opnieuw problemen in de verstandhouding zijn ontstaan en dat de heer A toen onmiddellijk geld terugeiste. Met die verklaringen heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij de ter beschikkingstelling van de gelden door A in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van een geldlening en de bedragen in beginsel moesten worden terugbetaald. Verweerder heeft in het licht van die historie met uitsluitend de verklaring van A in de aangifte niet aannemelijk gemaakt dat A van meet af eiseres ten koste van zijn vermogen voor € 20.000 heeft verrijkt. Nader bewijs dat er geen verplichting voor eiseres was om enig geld terug te betalen, heeft verweerder niet aangeboden.

4.3. De heer A heeft nadien de aangifte voor het recht van schenking ingediend. Daarmee heeft hij te kennen gegeven dat terugbetaling van het (resterende) bedrag wat hem betreft toen in elk geval niet meer nodig was. Door de aanslag is eiseres daarvan op de hoogte geraakt. A heeft daarmee alsnog een schenkingsaanbod gedaan. Het tot een bepaalde persoon gerichte schenkingsaanbod geldt als aangenomen, wanneer deze na er van kennis te hebben genomen het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 7:175, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). In het onderhavige geval heeft eiseres dat schenkingsaanbod niet onverwijld jegens de heer A afgewezen. Er is voorts niet aannemelijk gemaakt dat eiseres het voornemen heeft tot terugbetaling van het restant van € 11.000. Haar verklaringen ter zitting wijzen er op dat zij meent dat de heer A door hetgeen is voorgevallen niet langer recht heeft op terugbetaling. Door de kwijtschelding van de heer A van het bedrag van € 11.000 en de impliciete aanvaarding hiervan door eiseres is een schenking gedaan. Verweerder heeft dan ook met die aangifte wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de heer A € 11.000 aan eiseres heeft geschonken.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Bij de aanslag dient van een schenking ter hoogte van € 11.000 te worden uitgegaan. Het tarief dat voor eiseres geldt is 41%, zodat de aanslag € 4.510 moet bedragen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is niet meer in geschil dat A in 2007 aan belanghebbende een niet direct opeisbare renteloze lening heeft verstrekt.

4.2. Partijen verschillen in hoger beroep van mening over de vraag::

- of belanghebbende in 2007 op de lening, die aanvankelijk € 20.000 bedroeg, € 9.000 heeft afgelost, hetgeen belanghebbende stelt en de inspecteur betwist;

- of en in hoeverre belanghebbende als gevolg van de renteloosheid van (het restant van) die lening een aan heffing van schenkingsrecht onderworpen voordeel heeft genoten.

5. Standpunten van partijen

5.1. De inspecteur heeft ter zitting in hoger beroep zijn standpunt gewijzigd in die zin, dat hij de stelling heeft ingenomen dat sprake is van een renteloze niet direct opeisbare lening ten bedrage van € 20.000. Voorts voert de inspecteur aan dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende € 9.000 heeft terugbetaald. Belanghebbende moet voor het verkregen rentevoordeel worden belast en in verband daarmee moet de aanslag worden verminderd tot € 4.800. Ter zitting heeft de inspecteur zijn stelling, dat belanghebbende roekeloos procedeert en misbruik maakt van procesrecht, ingetrokken.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag.

5.2. Belanghebbende stelt dat sprake is van een niet direct opeisbare geldlening ten bedrage van € 11.000. Zij betwist het standpunt van de inspecteur dat de onderhavige geldlening met zich brengt dat het daarmee verkregen rentevoordeel moet worden belast. Belanghebbende heeft ter zitting haar stelling dat de vrijstelling van artikel 33, eerste lid onder 8º van de Successiewet 1956 van toepassing is, ingetrokken. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de aanslag.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ten aanzien van de vraag of de niet direct opeisbare renteloze lening € 20.000, dan wel € 11.000 bedraagt, is het Hof van oordeel dat de verklaringen van belanghebbende en haar dochter, dat belanghebbende een bedrag van € 9.000 contant heeft terugbetaald aan A, geloofwaardig zijn. Hetgeen de inspecteur hiertegenover heeft aangevoerd is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om aan te nemen dat dit bedrag niet is terugbetaald. Het Hof kent geen betekenis toe aan de door de inspecteur ingebrachte verklaring van 19 september 2009 die afkomstig is van A. Het Hof sluit niet uit dat A aangifte heeft gedaan van een schenking als reactie op de verstoorde relatie tussen hem en belanghebbende. Het ligt dan niet in de rede dat A vervolgens desgevraagd aan de inspecteur verklaart dat naar zijn mening géén sprake is van een schenking, dan wel dat een deel hiervan is terugbetaald. Het Hof is daarom van oordeel dat moet worden aangenomen dat sprake is van een niet direct opeisbare renteloze geldlening ter grootte van € 11.000.

6.2. De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de niet direct opeisbare renteloze lening tot een schenking leidt ter grootte van de rente. Deze stelling is, anders dan de gemachtigde van belanghebbende meent, niet tardief. Het betreft immers een fiscaal gevolg van het door belanghebbende zelf ingenomen standpunt dat sprake is van een niet direct opeisbare renteloze geldlening. Het Hof is van oordeel dat deze renteloosheid leidt tot een door A en belanghebbende beoogde bevoordeling van belanghebbende. De omvang van de bevoordeling bedraagt met inachtneming van artikel 18 van de Successiewet 1956 (hierna: SW) en de artikelen 6 en 10 van het Uitvoeringsbesluit SW € 2.640 (Bij een leeftijd van 83 jaar is de factor 4 en uitgaande van het rentepercentage van 6% bedraagt de bevoordeling 24% van € 11.000 = € 2.640). Daarbij neemt het Hof aan dat de lening uiterlijk bij het overlijden van belanghebbende opeisbaar is.

6.3. Het Hof overweegt dat moet worden nagegaan of belanghebbende voor de schenking van € 2.640 recht heeft op één van de vrijstellingen van artikel 33 SW. Het Hof past in het onderhavige geval de vrijstelling van artikel 33, eerste lid, aanhef en onder 7 SW (tekst 2007) toe. Hierin is bepaald dat van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen in alle andere gevallen indien het verkregene een bedrag van € 2.648 niet te boven gaat. Uit rechtsoverweging 6.2 volgt dat de omvang van de schenking moet worden berekend op € 2.640 zodat deze op grond van de hiervoor bedoelde bepaling is vrijgesteld. Dit leidt tot het oordeel dat de aanslag moet worden verminderd tot nihil.

Slotsom

6.4. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

7. Kosten

7.1. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt vernietigd acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2,5 (1 voor indienen van het beroepschrift , 0,5 voor een schriftelijke uiteenzetting, en 1 voor het bijwonen van de zitting bij het Hof) x € 322 x 1 (wegingsfactor) = € 805.

7.2. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift van 16 maart 2008 verzocht om een forfaitaire kostenvergoeding voor de bezwaarprocedure.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de kosten voor de bezwaarprocedure overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 (indienen van het bezwaarschrift) x € 161 x 1 (wegingsfactor) = € 161.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten en het betaalde griffierecht;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de belastingaanslag tot nihil;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in de bezwaarfase en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966 (€ 805 en €161) en

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 110.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, A.P.M. van Rijn en I.J.F.A. van Vijfeijken, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 26 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.