Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
23-006106-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging. Nu naar het oordeel van het hof niet de vereiste behoedzaamheid is betracht bij de beantwoording van de vraag of de verdachte , die Nederland met onder meer een vals reisdocument op doorreis naar Finland wilde verlaten, binnen het bereik van de bescherming van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag valt en niet diens statusdeterminatie is afgewacht, kan niet worden uitgesloten dat deze verdragsbepaling op hem van toepassing is. Dit betekent dat in het geval van de verdachte het openbaar ministerie te lichtvaardig tot vervolging is overgegaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/306

Uitspraak

parketnummer: 23-006106-08

datum uitspraak: 17 augustus 2010

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van

10 november 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-801384-08 tegen

[naam],

geboren te Mogadishu (Somalië) op [datum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 en 13 oktober 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd (proeftijd: 2 jaren) met verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen vliegticket. Tevens heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1 hij op of omstreeks 09 augustus 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal vreemdelingen paspoort van Italië (voorzien van het nummer [nummer], op naam gesteld van [naam 2], geboren op [datum 2], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;

2 hij op of omstreeks 09 augustus 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad (een) vals(e) of vervalst(e)

- nationale identiteitskaart van Italië (voorzien van het nummer [nummer 2], op naam gesteld van [naam 2], geboren op [datum 2] en/of

- een verblijfsvergunning van Italië (voorzien van het nummer [nummer 3], op naam gesteld van naam 2], geboren op [datum 2]

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst, immers zijn deze documenten totaal vals.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging dient te worden verklaard, aangezien niet evident is dat de verdachte niet de bescherming geniet van artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) van 28 juli 1951, Trb 1951, 131 en 1954, 88.

De raadsvrouwe heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte is geboren in Mogadishu en behoort tot de minderheidsclan Reer Hamar.

Ter zitting bij de politierechter en de meervoudige kamer van de rechtbank heeft de verdachte zoals de rechtbank heeft overwogen –kort samengevat- het volgende verklaard.

De verdachte is vanuit Somalië naar Syrië gereisd, van daaruit naar Dubai en omstreeks juli 2007 naar Griekenland. Bij aankomst in Griekenland kreeg hij geen gelegenheid om asiel aan te vragen. Na twee weken kreeg hij brieven van de Griekse autoriteiten, inhoudende dat hij het land moest verlaten. Vervolgens is de verdachte op 7 augustus 2007 naar België gereisd, alwaar hij asiel heeft aangevraagd. Verdachte werd op grond van een zogeheten “Dublin claim” weer naar Griekenland teruggestuurd, waar hij op 18 februari 2008 voor de tweede keer is aangekomen. Bij zijn aankomst heeft hij een asielaanvraag ingediend. Na een verblijf op de luchthaven van drie dagen heeft de verdachte een brief gekregen waarin stond dat hij naar Athene moest gaan. De leidinggevende van dat centrum in Athene vertelde hem dat hij niets voor de verdachte kon betekenen en hij in Griekenland niets te verwachten had van zijn asielverzoek. Hij kon geen asiel aanvragen en werd overal afgewezen. Verdachte heeft vijf maanden verbleven in Griekenland. Het valse Italiaanse paspoort en de valse papieren heeft hij in Athene gekocht.Vervolgens is hij naar Italië gegaan en van daaruit naar Nederland. Toen hij 9 augustus 2008 het vliegtuig naar Finland wilde nemen, is hij op Schiphol aangehouden.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Finland wilde gaan om aldaar asiel aan te vragen.

In hoger beroep bij het hof heeft de verdachte gelijkluidend verklaard.

Het hof heeft geen aanknopingspunten om deze verklaringen ongeloofwaardig te achten en gaat daar dan ook van uit.

Het hof overweegt omtrent het verweer het volgende.

Artikel 31, eerste lid, Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88) luidt:

“The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of Article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry of presence.”

De officiële Nederlandse tekst is:

“De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.”

In het geval dat iemand die asiel zoekt Nederland binnenkomt met gebruikmaking van een vals paspoort, is in beginsel artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. Immers “een andere opvatting zou onvoldoende recht doen aan de bedoeling van dit artikel om vluchtelingen, onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens ‘illegal entry or presence’. Bij een andere opvatting zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekort worden gedaan” (volgens HR 13 oktober 2009, LJN BI1325).

a. Kan de verdachte als vluchteling in de zin van artikel 31 worden aangemerkt?

Het hof leidt uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken af dat de verdachte op 13 augustus 2008 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, welke aanvraag op grond van de zogenoemde Dublinverordening is afgewezen bij besluit van 19 september 2008 op de grond dat hij naar Griekenland kon terugkeren. Het hiertegen ingestelde beroep bij de rechtbank is bij uitspraak van 13 augustus 2009 afgewezen, het ingestelde hoger beroep bij de Raad van State is 6 oktober 2009 is eveneens ongegrond verklaard.

Onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 18 juni 2009 (LJN: BI9008) overweegt het hof dat de Dublinverordening verplichtingen schept tussen lidstaten. De toetsing door de Nederlandse vreemdelingenrechter, in casu de Raad van State, blijft in beginsel beperkt tot de vraag of de Staatssecretaris/Minister van justitie op goede gronden toepassing heeft gegeven aan de (imperatieve) weigeringsgrond van artikel 30, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. Een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas komt noch in de fase van besluitvorming door het bestuursorgaan noch in de fase van rechterlijke toetsing door de vreemdelingenrechter aan de orde, nu deze is voorbehouden aan de autoriteiten van het land dat de betreffende Dublinclaim heeft gehonoreerd.

Dit betekent dat de afwijzing van een asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, zoals in casu het geval is, niet tot gevolg heeft dat op voorhand dient te worden uitgesloten dat de verdachte als vluchteling in de zin van artikel 31 kan worden aangemerkt.

b. Komt de verdachte rechtstreeks van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd als bedoeld in artikel 31 Vluchtelingenverdrag?

Het hof is van oordeel dat niet op voorhand in de onderhavige strafprocedure kan worden vastgesteld dat de verdachte voor zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een veilig land.

In dit verband overweegt het hof dat door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ten aanzien van de verdachte op 26 januari 2010 een interim measure is afgegeven, waarbij het de Nederlandse Staat is verboden de verdachte naar Griekenland uit te zetten hangende de procedure bij dit hof.

Daarnaast heeft de Minister van Justitie in een brief van 11 juni 2010, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal medegedeeld dat het EHRM op 3 juni 2010 een gemotiveerde Rule 39 heeft opgelegd teneinde de overdracht in het kader van de Dublinverordening aan Griekenland stop te zetten. De Rule 39 werkt door ten aanzien van alle overdrachten aan Griekenland van personen die afkomstig zijn uit Zuid- of Centraal-Somalië.

Bijgevolg moet in afwachting van een inhoudelijke beslissing van het EHRM aangaande Dublin-overdrachten aan Griekenland van iedere Somalische Dublin-claimant afkomstig uit Centraal-Somalië de overdracht worden opgeschort.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat gegeven deze stand van zaken thans niet (langer) kan worden gezegd dat overdracht van de verdachte aan Griekenland geen risico op refoulement oplevert. Derhalve kan evenmin worden gezegd dat de omstandigheid dat de verdachte enige tijd in Griekenland heeft verbleven en zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening is toegewezen tot gevolg heeft dat hem op deze grond de bescherming van artikel 31 van het Verdrag niet toekomt.

Ook is niet gebleken dat de verdachte vanaf zijn tweede vertrek uit Griekenland medio juli 2008 anders dan op doorreis in andere, al dan niet veilig te achten, landen dan Griekenland heeft verbleven.

c. Geen sprake van inreis maar van uitreis

Het hof stelt vast dat de verdachte, die, nu van het tegendeel niet is gebleken, kennelijk op niet-legale wijze Nederland is binnengekomen, niet van plan was hier te blijven, doch vanaf zijn tweede vertrek uit Griekenland medio juli 2008 steeds de intentie heeft gehad om naar Finland door te reizen teneinde aldaar een asielaanvraag in te dienen, zoals blijkt uit zijn ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2008 afgelegde verklaring. Het feit dat de verdachte omtrent zijn reisroute en de plaats waar hij de vervalste documenten heeft verkregen wisselend heeft verklaard doet daaraan niet af, nu aannemelijk is geworden dat hij aanvankelijk zijn verblijf in Griekenland heeft verzwegen uit angst (wederom) naar dit land te worden uitgezet.

Onder verwijzing naar zijn hierboven vermelde arrest van 18 juni 2009 van dit hof stelt het hof voorop dat het accent tijdens de totstandkoming van het Vluchtelingenverdrag niet heeft gelegen op het voorkómen dat een vluchteling via één of meer landen naar zijn beoogde bestemming reist. Het Vluchtelingenverdrag dwingt dan ook naar het oordeel van het hof niet tot het stellen van de eis dat de vluchteling zonder enige onderbreking en zonder te reizen door een land waar hij ook de bescherming van de autoriteiten zou kunnen inroepen, doorreist naar het land waar hij asiel aanvraagt.

De tekst van artikel 31 bepaalt dat geen strafsancties mogen worden toegepast in verband met “onrechtmatige binnenkomst of verblijf”. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat uit de traveaux préparatoires bij het Verdrag valt af te leiden dat de opstellers van het verdrag bij het formuleren van de tekst van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag niet hebben voorzien dat een vluchteling bij de illegale uitreis uit een land dat hij slechts kortstondig heeft aangedaan, op doorreis naar het land waar hij asiel wil zoeken, onverhoopt zou worden aangehouden. Niet valt in te zien dat, waar de verdachte, wanneer hij Finland wel zou hebben bereikt, mogelijk een beroep zou toekomen op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag, hij de bescherming van deze bepaling in Nederland niet zou kunnen inroepen. Het hof is dan ook van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag met zich brengt dat in een geval als het onderhavige, niet op voorhand duidelijk is dat artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toepassing mist.

d. Onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten melden

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de verdachte, zich niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld teneinde een asielaanvraag in te dienen.

e. Conclusie met betrekking tot de ontvankelijkheid

Nu naar het oordeel van het hof niet de vereiste behoedzaamheid is betracht bij de beantwoording van de vraag of de verdachte binnen het bereik van de bescherming van artikel 31-1 Verdrag valt en niet diens statusdeterminatie is afgewacht, kan niet worden uitgesloten dat deze verdragsbepaling op hem van toepassing is.

Dit betekent dat in het geval van de verdachte het openbaar ministerie te lichtvaardig tot vervolging is overgegaan. Het hof is van oordeel dat dit in de onderhavige situatie zowel geldt ten aanzien van het onder 1. als ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde, nu de verdachte de onder 2 genoemde documenten, die hij tezamen met het valse paspoort had verworven, kennelijk bij zich had om de middels het valse paspoort aangenomen valse identiteit verder aannemelijk te maken en gedurende zijn reis van Griekenland naar Finland zonder problemen in Italië te kunnen verblijven. Dit leidt tot het oordeel dat het openbaar ministerie in dit stadium niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen. Het hof zal het openbaar ministerie daarom ten aanzien van de beide ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. E. Mijnsberge en mr. J.P. Splint, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 augustus 2010.

Mr. F.M.D. Aardema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.